Ze zit aan haar bureau en kijkt me amper aan. Haar sluike, grijsblonde haar ligt in een staart op haar rug. Het is alsof ik niet besta. En die assistente van haar, die me net een kwartier heeft zitten onderzoeken, al evenmin. Het is alsof dat wij in een parallel universum leven. Zij tussen de goden. Wij tussen de rest van ons. Of misschien is zij wel de wrede Hartenkoningin van Wonderland? Ze is in ieder geval de meesteres van het Witte Konijn. Ze bladert door de papieren op haar bureau en kijkt af en toe naar het scherm voor haar. Een glimlachje zweeft over haar gezicht. We wachten gespannen af wat er gaat gebeuren.
Plots maakt ze zich los van haar bureau en zweeft naar mij toe. “Zeg mij eens, mijnheer Hoskens, wat is er juist aan de hand?” Ik wijs haar op het bobbeltje in mijn linkerooghoek, geef haar de doorverwijzingsbrief van dokter Veys en vertel haar wat er tot nu toe allemaal gebeurd is. Haar dunne, gerimpelde mond opent zich lichtjes terwijl ook zij, net zoals Dokter Veys, net zoals de assistente daarnet, begint te duwen op het bobbeltje. “Doet dit pijn?”, vraagt ze. Ik zeg dat het totaal geen pijn doet. Dat het alleen bij het zwemmen, wanneer ik mijn zwembrilletje afdoe, pijn doet. Dat ik het ook zo ontdekt heb begin dit jaar. Anders voel ik er hoegenaamd niets van. Aangekomen bij het zwembrilletje herinner ik me ook nog de illusie van de eerste maanden en vertel dat ik toen nog de indruk had dat het bobbeltje misschien ging weg gaan door te zwemmen in een zwembad. Dat het leek alsof het kleiner werd door de chloor of zo. Maar dat die illusie dus van korte duur geweest, zeg ik nog.
De assistente zit er ondertussen voor spek en bonen bij. Alleen als Professor Mombaerts begint te duwen op het bobbeltje komt ze naast haar op een krukje zitten om wat beter te kunnen zien. Maar het Witte Konijn zegt nog altijd niets. Er wordt haar dan ook niets gevraagd. Ze is hier enkel ter observatie, zo lijkt het. ‘Sois belle et tais-toi’ op zijn Gasthuisbergs. Ikzelf vraag me af wat de functie dan is geweest van de pre-check-up van mij als patient. Wat is het nut van alles dat wij gezegd en gedaan hebben een half uur geleden als ze nu niets meer durft te zeggen? Of zou het een test zijn? En gaan ze straks op een verfrommeld papiertje in de zakken van hun witte doktersjassen checken of ze allebei, onafhankelijk van elkaar, tot dezelfde diagnose gekomen zijn? En zo ja, dan slaagt de assistente cum laude? Zo nee, dan is ze gebuisd?
Na een twintigtal keer duwen met haar wijsvinger op het bobbeltje, stopt de professor en vraagt: “En u hebt dus last van een tranend oog?” “Ja, en dat wordt ook erger precies.” “Dokter Veys dacht dus dat het een ontstoken traanzakje was?” “Ja,” zeg ik, “of dat is toch hetgeen ze tegen mij gezegd heeft. En ze heeft me ook verteld dat dat geopereerd moet worden. Dat dat niet alleen met antibiotica of zo kan genezen. Klopt dat?” “Ja, dat klopt,” antwoordt ze. “Er zijn in feite twee types van operatie mogelijk,” voegt ze eraan toe. “Een operatie langs buiten, waarbij er een incisie gemaakt wordt aan de zijkant van de neus. En een operatie langs binnen, waarbij er via de neus naar het traanzakje gegaan wordt. Maar,” zegt ze onmiddellijk, “het eerste type van operatie geeft wel de meeste kans op succes. Bij de operatie langs de neus gebeurt het wel eens dat de operatie moet herdaan worden.” Ondertussen wordt het tussen de regels door ook wel duidelijk dat zij de operatie zal uitvoeren als we optie 1, langs buiten dus, nemen en dat ik bij iemand anders zal moeten wezen als ik het langs binnen zou willen laten doen. Omdat ikzelf echter totaal geen zin heb om al is het maar het risico te nemen om twee keer onder het mes te moeten, beslis ik ter plekke sowieso voor de operatie langs buiten te gaan. Maar voor ik nog verder vragen kan stellen, gaat professor Mombaerts op haar elan voort en weer met die vreemde glimlach om haar lippen zegt ze: “Maar ik denk dus inderdaad dat het een ontstoken traanzak is, mijnheer Hoskens. Zullen we dan ineens een datum vastleggen voor de operatie?” Ze ziet dat ik aarzel en vraagt nu plots met een scherpe toon in haar stem: “Of wilt u er nog even over nadenken?” Voordat de Hartenkoningin kan bevelen om mijn hoofd af te hakken, antwoord ik vlug: “Neen, neen, dat hoeft niet. Als dat de enige manier is om d’r vanaf te geraken, waarom niet dan?” Ik heb wel de indruk dat de assistente niet helemaal akkoord gaat met het verloop van de consultatie. Maar dat lijkt misschien alleen maar zo omwille van haar plotse spleetoogjes en toegeknepen mond. Of misschien is dat gewoon haar manier om als wit konijn de stilte te bewaren.
Professor Mombaerts zit ondertussen terug voor haar computerscherm. Opnieuw verschijnt die vreemde glimlach op haar gezicht. “De eerste mogelijke datum is wel pas 10 september.” “Is er een probleem als we zo lang wachten?,” reageer ik. “Neen hoor,” antwoordt professor Mombaerts, “veel patienten stellen de operatie zelfs verschillende keren uit. Ze hopen stillletjes het probleem toch met antibiotica te kunnen oplossen. En het is pas de derde of de vierde keer dat de ontsteking terugkomt, dat ze toch een operatie laten uitvoeren.” “In dat geval, no problem,” antwoord ik. “Ik zal er zijn op 10 september.” Het ergste wat ik die dag nog te horen krijg is dat ik wel tot 7 weken na de operatie niet meer mag zwemmen. Dit omdat de wonde met wondlijm toegemaakt gaat worden en niet met draadjes. En het duurt zo’n 7 weken tot dat die lijm helemaal opgelost is. Niet zwemmen gedurende 7 weken, dat is een kleine ramp voor mij. Het is de eerste keer in 20 jaar dat ik gedurende zo’n lange periode niet meer ga kunnen zwemmen. Zelfs in de grote vakantie zocht ik een zwembad in de buitenlandse buurt op. En ik heb dat zwemmen echt nodig voor mijn mentaal evenwicht. Ik vraag me zelfs af of ik mijn stressvol werk nog wel ga aankunnen zonder te gaan zwemmen gedurende zeven eindeloze weken.
