Boven op de derde verdieping, dezelfde verdieping waar ik een week geleden moest zijn voor mijn antibioticavoorschrift, word ik welkom geheten door drie oudere verpleegsters met zwart haar. Later zal blijken dat de meesten onder hen heel hun leven op Sint-Pieter gewerkt hebben en nu enorm opzien tegen de verhuis naar, wat ze zelf noemen, het ‘onpersoonlijke’ Gasthuisberg. Maar nu verwijzen ze mij plichtsbewust door naar mijn privé-kamer. Dat is een van de voordelen van een hospitalisatieverzekering als je d’r een hebt: dat je zonder problemen, zonder angst te hebben voor al te hoge aanrekeningen, een individuele kamer kunt vragen. En als je op het punt staat zelf geopereerd te worden is de zorg of dat goed is voor de sociale zekerheid niet jouw zorg. Jouw zorg is rustig te kunnen bekomen van de operatie en de verdoving, liefst met een TV om gedrogeerd naar te staren helemaal voor jou alleen.
Er is echter één probleem: ik ben mijn smartwatch vergeten in mijn auto. En ik wilde net via die smartwatch proberen te registreren wat de impact van de operatie, van de algemene verdoving, enz… op mijn hartslag, stressniveau, enz… ging zijn. Dus vraag ik vlug aan de verpleegster die mij vergezeld heeft of ik niet nog vlug even terug mag naar de auto. Mijn vraag heeft echter een bijzonder vreemde uitwerking op haar. Ze begint onrustig om zich heen en achter zich te kijken. Alsof er daar elk moment iemand kan opduiken. “Wacht, ik zal het eens gaan vragen,” zegt ze na enkele pirouettes. Na een tijdje keren ze alle drie samen terug. Om beurten nemen ze de verdediging op zich. “A. Het probleem is mijnheer dat u stipt om 8 uur op het operatiekwartier moet zijn. B. Bovendien gaan ze misschien zelfs vragen of u niet wat vroeger kunt komen want u staat als eerste op de wachtlijst voor het OK. C. Dus we zouden liever hebben dat u hier blijft.” Dit had ik allemaal wel niet verwacht. Er gaan dan toch niet eerst nog wat onderzoeken moeten gebeuren voor de eigenlijke operatie. Ik ga gewoon ineens en als eerste op de operatietafel terecht komen. Niet dat ik dat niet wil. Het wachten heeft lang genoeg geduurd naar mijn gevoel. Maar die smartwatch wil ik wel bij mij hebben. Dus reageer ik: “Maar ik ben net hier. En het is nog maar twintig na zeven. En mijn auto staat hier maar op twee minuten vandaan.” De drie anciens van Sint-Pieter kijken elkaar bezorgd aan. Ik vraag me af of het van Hartenkoningin is dat ze zo’n schrik hebben. Of zou er hier ergens anders nog een afdelingshoofd rond lopen? Met veel moeite slaag ik erin om de drie schoppen kaarten te overtuigen.
Ik ben nog sneller terug van de wagen dan ikzelf verwacht had. En als de lift er iets te lang over doet om naar beneden te komen, beslis ik vlug met de trappen naar boven te gaan. Het trappenhuis bevindt zich net om de hoek. Wanneer ik de deur open kom ik terecht in weer een andere wereld en deze keer zelfs geen wonderland, maar de donkere kant van Sint-Pieter: de verdiepingen die al sinds begin jaren tachtig, niet in onbruik geraakt zijn, maar zelfs nooit in gebruik geraakt zijn. De trappenhal zelf ligt er om te beginnen al vuil en bestoft bij. En wanneer ik op een van de tussenverdiepingen eens ga piepen in een van de leegstaande gangen kom ik terecht in een apocalyptische omgeving. De vuiligheid stapelt zich nog wat verder op, tot in kleine hoopjes. En hier en daar liggen er plastieken darmen op de grond terwijl elektrische draden hangen te bengelen uit het plafond. De aanblik oogt zo desolaat dat ik me vlug terug omdraai en verder haast naar de schoppen kaarten. De opluchting bij hen, als ik terug kom, is bijzonder groot. Als beloning krijg ik samen met een kalmeringspilletje een kleed voor de operatie aangereikt en word gevraagd dit aan te trekken en alle exogene objecten verbonden aan mijn lichaam, zoals ringen, kettingen, horloges, enz., te verwijderen en op een veilige plaats weg te bergen. Dat opvolgen van mijn hartslag en stressniveau tijdens de operatie met mijn Garmin sporthorloge zal dus niet lukken, besef ik nu.
Na een tijdje komt een van de verpleegsters even kijken hoe het gaat en tot mijn grote schaamte moet ik bekennen dat het niet zo goed gaat. Voor die ene keer in mijn leven dat ik een kleed moet aantrekken, lukt het me niet. Niet alleen krijg ik niet alle plastiek tsjoepkes, die het kleed moeten sluiten, toegeknepen, ik slaag er zelfs niet in de voor- en de achterkant of de boven- en de onderkant van elkaar te onderscheiden. Ik sta daar wat hulpeloos in mijn onderbroek te prullen en de ervaren verpleegster heeft het onmiddellijk door. In een wip heeft the professional mij zedig aangekleed. Ik profiteer van de gelegenheid om te vragen of ik Ilse Mombaerts nog ga zien voor de operatie. “Ik denk het niet mijnheer, of toch niet hier, misschien in de operatiekamer?” “Ik hoop van wel,” antwoord ik ,”ik zou toch graag willen weten wat ze nu juist gaat doen vooraleer ze het doet.” De schoppen kaart kijkt niet echt verbaasd op. Ik vermoed dat Hartenkoningin niet echt voor haar uitmuntende communicatie bekend staat. “Misschien ziet u haar nog in de operatiekamer, mijnheer,” herhaalt ze nog een keer. Verder aandringen heeft duidelijk geen zin en inderdaad, bedenk ik, ik zal Hartenkoningin wel te zien krijgen vlak voor de operatie. Of is het bij wet toegestaan om zomaar in mensen te beginnen snijden zonder eerst beleefd goedendag gezegd te hebben? Zo’n manier van werken lijkt mij regelrecht in te druisen tegen mijn burgerrechten. Deze nieuwgevonden wetenschap stelt mij gerust. Die lieve schoppen kaart daarentegen is er nog niet helemaal gerust in. Ze kijkt me even zorgelijk aan en raadt me dan aan al op het bed te gaan liggen en het kalmeringspilletje zijn werk te laten doen.
