26 september 2018 1.4 – de Rups met de waterpijp

Het vervoer van patiënten naar de operatiekamer, ondergronds waarschijnlijk, wordt dan weer verzorgd door jonge krachten. Plots staat er een blonde, stevige freule, aan mijn bed met de boodschap dat ze mij met bed en al naar beneden zal rijden. Ik bied aan zelf te wandelen aangezien ik niet kreupel of bedlegerig ben, maar krijg te horen dat dit standard practice is, dat ik mijn bed onder geen enkel beding mag verlaten – dat het trouwens de moment is om nog vlug een keer naar het toilet te gaan als ik dat zou willen – en dat het haar taak is om mij intact, met bed en al, af te leveren aan het operatiekwartier. Ik druk mijn bewondering uit voor zoveel verantwoordelijkheidszin en laat mij weg voeren door de gangen van het oude ziekenhuis. Af en toe passeren we ander verplegend personeel of andere patiënten op zoek naar hun kamer. De enige constante tijdens de ganse trip zijn de lampen in het plafond die systematisch blijven voorbijglijden boven mijn hoofd.

De tocht duurt niet zo heel lang. Na een vijftal minuten schat ik, waaronder een rit met de dienstlift richting onderwereld verzorgd door mijn persoonlijke walkure, word ik geparkeerd tegen de muur van een gang. Maar in die gang is er al iets meer circulatie en deze keer is het enkel nog personeel in van die groene operatiepakjes. Hetgeen mij doet beseffen dat ik me al in de danger zone bevind. Na een tijdje verschijnt er een jong en bijzonder knap groen operatiepakje naast mijn bed. Ze stelt zich voor als de anesthesiste van de dag. En is het door haar groene pakje, of gewoon haar jonge leeftijd (ze ziet er gewoon te jong uit om al anesthesist te zijn), maar de oude man in mij vraagt zich af hoe deze rups eruit zal zien als ze ooit een vlinder wordt. De groene rups vraagt daarentegen naar mijn naam en geboortedatum. Maar ik heb totaal niet het gevoel dat zij het zelf niet weet. Het voelt eerder aan alsof ze checkt of ik het wel nog weet. Ik vraag me af wat er zou gebeuren als ik plots een andere naam of geboortedatum zou opgeven, of dat enig verschil zou maken, maar bedenk me dan dat lachen met afhankelijkheidsrelaties iets voor sadomasochisten is. Daarna vraagt ze of ik die ochtend iets gegeten heb. Verontwaardigd antwoord ik: “Neen, natuurlijk niet!” Zelfs het kleinste kind weet toch dat je een operatie nuchter moet aanvangen? De knappe rups reageert tevreden op mijn verontwaardiging en vind duidelijk dat ik dat goed doe, mezelf klaar maken voor een operatie. Ik verwacht dat ze mij nu een waterpijp in de mond gaat stoppen maar in de plaats daarvan reikt ze mij nog een pilletje aan. Een spierverslapper deze keer, als ik het goed begrijp.

Na weer enkele minuten wachten in de gang, ik voel de spieren al slap worden, zo slap dat alle interesse in rupsen en aanverwanten verdwenen is, word ik de operatiekamer binnen gereden. Buiten de rups met de waterpijp bevinden er zich nog twee groene pakjes in de kamer. Nu mag ik eindelijk mijn bed verlaten. Om twee stappen verder vastgegespt te worden aan de operatietafel. Maar nog steeds is er geen Hartenkoningin te zien. Dus vraag ik even of iemand van hen misschien assistent is van professor Mombaerts? Want dat ik graag nog even zou willen horen wat ze nu juist gaan doen daar aan mijn neus? Even is er een beetje stilte. Ik zie de anesthesiste en de groene pakjes met elkaar enkele blikken van verstandhouding uitwisselen. Dan neemt de oudste van de aanwezigen het woord: “Mijn naam is Lieve Slegers, mijnheer Hoskens. Ik ben hier als hoofd van de verpleegkundige staf bij uw operatie vandaag. En wij moeten ervoor zorgen dat u nu rustig inslaapt. Maar ik vrees dat de specialisten pas straks gaan komen. Weet u niet waaraan u geopereerd wordt?” Ik antwoord: “Jawel, aan een ontstoken traanzakje. Maar wat ik graag nog wilde weten voor de operatie is wat jullie nu juist gingen doen. Op het internet heb ik iets gevonden over buisjes die erin gestoken zouden worden, enzovoort…” “Het spijt me mijnheer Hoskens, maar zoals gezegd, de specialisten komen straks pas en wij weten niet wat ze juist gaan doen.” Ik merk dat ze aan de uitdrukking in mijn ogen zien dat ik er niet bij kan dat er zoveel onwetendheid verenigd is in één kamer van een universitair ziekenhuis. En dan die term die door hen zelf gebruikt wordt: de ‘specialisten’. Vergeet de mannen en de vrouwen, de blanken en de zwarten, de Vlamingen en de Walen, de christenen en de islamieten, Yin en Yang, de wereld bestaat uit ‘specialisten’ en ‘niet-specialisten’, waarvan de eerste 0,001% van de wereldbevolking uitmaakt en de tweede de rest (voor diegenen die niet goed kunnen tellen: 99,999%). Ik wil de groene pakjes nog strijdvaardig interpelleren met de dooddoener: “Spreken jullie eigenlijk wel met elkaar?,” maar om te vermijden dat het toch nog gaat mis lopen die afhankelijkheidsrelatie daar op die tafel – stel je voor, subiet beveelt Hartenkoningin mijn hoofd af te kappen terwijl ik onder volledige verdoving ben – zeg ik vlug: “Dan is het maar zo. Zie dan maar dat jullie mij goed in slaap doen. Die specialisten zullen wel weten wat zij moeten doen zeker?” Als ik het mij goed herinner, is dit het laatste dat ik gezegd heb.

ReplyForward
Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie