Ik word wakker in een kleine kamer waar nog een drietal andere bedden staan. Zelf lig ik ook terug in mijn bed. De vroedvrouw voor pasgeopereerden – ik weet niet wat de geijkte term is voor deze beroepscategorie – loopt rond tussen de bedden en brengt verlichting toe waar mogelijk. Zelf vind ik hier wakker worden niet zo moeilijk. Ik heb totaal geen pijn. Of nog straffer, ik voel helemaal niets van de operatie. Het enigste wat ik voel, is hoe ik nog lekker onder invloed van de verdoving langzaam wakker wordt. De stem van de vroedvrouw komt van ver weg. Ik voel meer dan dat ik het hoor dat ze naast mijn bed staat. Ze vraagt hoe het gaat. Ik antwoord: “Fantastisch!” Ze moet lachen met mijn antwoord. Nu vraagt ze of ik pijn heb. “Ik voel helemaal niets!,” geeuw ik terug zo luid als ik kan. Dat is blijkbaar opnieuw het juiste antwoord. Met een gniffel verdwijnt ze terug in de coulissen.
Na een tijdje komt ze terug. Ze is al terug wat mens geworden. Haar stem en haar lichaam zijn al wat meer één. Hierdoor heb ik nu toch al door dat ze bijzonder klein is. Ze komt amper boven het bed uit. Maar haar echt zien doe ik nog altijd niet. Daarvoor kost het te veel moeite om mijn ogen open te doen en te houden. “We gaan u binnen een kwartiertje of zo terug naar uw kamer doen, mijnheer Hoskens. Ok?,” zegt ze nu met een iets luidere stem. “Wat uur is het?,” vraag ik benieuwd. “Ongeveer half 10.” Half 10? Amai, dat is toch snel gegaan, lijkt mij. Rond 8 uur zijn ze aan mij begonnen, herinner ik me. Als je de tijd aftrekt voor het in slaap doen en het terug wakker worden, dan hebben ze misschien een half uur gehad om hun ding te doen. Heb ik daarvoor zo lang moeten wachten? ‘Och, zolang het maar goed gedaan is,’ zeggen wij, ondermaansen, dan, niet? En misschien moesten ze die vier andere ontstoken traanzakjes nog afwerken voor het middageten? “Is alles goed verlopen?,” vraag ik nog even aan de kleine Slaapmuis. Die luciditeit heb ik toch nog ondanks de vermoeidheid. “Dat weet ik niet, mijnheer Hoskens, dat moet u aan de dokter vragen. Maar ik vermoed van wel, anders zou u niet zo snel hier geraakt zijn.” Dat lijkt mij inderdaad een logische conclusie. Maar voor ik terug indommel, fluistert de Slaapmuis ook nog in mijn oor: “U ademt wel mooi wanneer u slaapt, mijnheer Hoskens. Of u slaapt mooi terwijl u ademt, wat eigenlijk hetzelfde betekent,” hetgeen me al een pak minder logisch lijkt.
Even later hoor ik vreemde stemmen. Dus stemmen die ik nog nooit eerder gehoord heb. Ik versta wel niet wat ze zeggen. Stil spreken is duidelijk een must in dit dromenland. Dan hoor ik de Slaapmuis plots met piepende stem zeggen: “Mijnheer Hoskens? Ja hoor, die is klaar om mee te gaan.” En zonder dat ik iets gevraagd heb, zonder dat ik er ook maar iets mee te maken heb, begint mijn bed te bewegen. Ik hoor de wieltjes knarsen en zie terug die lampen in het plafond aan mij voorbijflitsen. De Slaapmuis heb ik niet meer gezien. Maar dat is misschien maar goed ook, besef ik, nu dat ze al begint te flirten met mij. Toch luister ik nu even naar mijn adem en hij klinkt inderdaad mooi, zo gelijkmatig van ritme zo, in en uit, geen gereutel of vocht op de longen, gewoon lekker. Ik kan d’r wel in komen dat ze daar op valt, op zo’n rustige, prachtige adem. En al zeker zo’n slaapmuis, die niets liever doet dan slapen.
