Het is al een uur of zeven, buiten is het al terug donker aan het worden, als er een dokter verschijnt aan mijn bed. Deze keer ééntje van middelbare leeftijd. En ook een beetje molliger dan je zou verwachten van iemand die zo’n stresserend beroep uitoefent; een driedubbele kin lijkt mij alvast moeilijk te verenigen met overdreven veel slikbewegingen, maar ik kan me vergissen. Ze brengt me wel heuglijke tijdingen; de operatie is goed verlopen en er zijn geen complicaties geweest. Ze verontschuldigt professor Mombaerts want die slaagt er niet in om, net zo min als voor de operatie, na de operatie nog even langs te komen. Om het voor mij gemakkelijk te maken heeft de Hertogin ook ineens mijn ontslagbrief meegebracht. Op die manier kan ik morgenvroeg vertrekken wanneer ik wil, verkondigt ze met een brede glimlach, want Professor Mombaerts zal ook morgen ten vroegste pas rond de middag kunnen langs komen. En wanneer juist valt allemaal heel moeilijk te voorspellen, zo wordt er stilletjes en met een plechtige stem aan toegevoegd. Er is duidelijk niemand in dit Wonderland die het zo druk heeft als Hartenkoningin met al die hoofden die afgekapt moeten worden.
Waarschijnlijk dacht de Hertogin zelf op twee minuten mijn kamer binnen en buiten te gaan, maar ik ben verplicht om haar nu toch een vervelende vraag te stellen. En dus vraag ik hoe dat het komt dat ik dat bobbeltje nog altijd voel. “Het bobbeltje waar alles mee begonnen is?” Deze vraag had ze duidelijk niet verwacht. Ik zie haar aarzelen want het is al laat, ook voor haar. Ze vraagt: “Welk bobbeltje, mijnheer Hoskens?” Voor de zoveelste keer wijs ik op het bobbeltje in mijn linkerooghoek. Ze komt een beetje dichterbij maar niet te dicht. En in tegenstelling tot al die vorige doktoren begint ze er ook niet op te duwen. Ze zucht vanop een respectabele afstand terwijl ze de ontslagbrief als een schild voor haar iets te breed uitgezette borst houdt. Dan zegt ze vlug: “Dat zal wel geen probleem zijn, mijnheer Hoskens. Anders zou professor Mombaerts er wel iets van gezegd hebben.” “Ja, maar ik begrijp het niet,” probeer ik voorzichtig, “als ik één ding verwacht had na deze operatie, was het wel dat dat bobbeltje weg zou zijn. En het zit er nog steeds. Krak op dezelfde plaats en op dezelfde manier. Het is alsof er helemaal niets gebeurd is.” Ik denk dat haar kinderen thuis aan het wachten zijn of zo want ze wordt nerveuzer en nerveuzer. Ze haast zich dan ook om te zeggen: “Ik vermoed dat dat bobbeltje de komende dagen en weken wel zal verdwijnen. Ik zou me daar niet te veel zorgen over maken, mijnheer Hoskens.”
Ze doet haar best om, zoals opgedragen vermoed ik, mij gerust te stellen maar toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat ze er zelf ook niet helemaal gerust in is. “En die verdikking? Daar waar al die lijm aan hangt?” “Dat gaat ook geleidelijk aan weg gaan, mijnheer Hoskens. Niet vergeten, u bent pas geopereerd hein! U moet de wonde wat tijd geven om zich te herstellen.” Tja, hier heeft ze natuurlijk een punt, de Hertogin. Bovendien wordt er gezegd dat de operatie goed verlopen is, dat alles gelopen is zoals het moest en hoorde. En wie zijn wij om die specialisten in vraag te stellen? Het is niet echt woord tegen woord, of wel soms? En dus zelfs als je dat zou willen doen, hoe zou je dat dan kunnen doen? Zonder dat je het risico loopt dat je hoofd afgekapt wordt? Dat laatste lijkt mij als vazal van Hartenkoningin ook een constante zorg van de Hertogin, met of zonder driedubbele kin. Daarom vraag ik nog snel of ik die antibiotica van voor de operatie moet verder nemen of niet, want zo wordt ons dat geleerd, antibiotica nemen; de ganse kuur moet erdoor. Deze keer is het haar beurt om verontwaardigd te zijn: “Ah neen, mijnheer Hoskens, de ontsteking is toch weg nu, niet?” Ik wil nog inbrengen dat het bolletje dan toch niet weg is, als de Hertogin haar schild laat zakken, hem op het nachtkastje naast mijn bed legt en spoorslags de kamer verlaat. Die twee minuten hebben duidelijk al veel te lang geduurd.
