Eindelijk geraak ik terug binnen in Wonderland. Wat een boze mail allemaal niet doen kan. De witgroene kapsaloncoupe heeft me al opgenomen in de grote groep van wachtenden. Deze keer is mijn lottonummer het magische getal 535. Naïef als ik ben, vraag ik me af of ik het Witte Konijn terug zal zien. Zo ja, kan ik haar misschien aan haar lange snijtanden voelen over waarom ze zo vreemd reageerde tijdens die eerste consultatie met van die plotse spleetoogjes en toch niets zegde, nu al meer dan vijf maanden geleden, toen Hartenkoningin zonder veel omwegen, na wat duwen op die toen nog piepkleine bobbel, de aanvankelijke diagnose van het ontstoken traanzakje bevestigde. Mijn vertrouwen in Hartenkoningin is ondertussen in ieder geval gedaald onder nul.
Wanneer ik echter binnen mag, is het eerste wat ik deze keer opmerk het geslacht van de assistent; het is een man. Dus tenzij in deze tijden van transgender het Witte Konijn een geslachtsverandering heeft ondergaan, is het iemand anders. Hij reageert in ieder geval ook helemaal anders dan het Witte Konijn, veel extraverter. “Shit, dat heb ik nog nooit gezien,” is het eerste dat eruit komt. Dan begint hij frenetiek als John Travolta in Pulp Fiction te dansen voor mij. Alleen beweegt hij zijn vingers voor mijn linkeroog in plaats van zijn eigen ogen. Mijn oog volgt automatisch zijn vingers die hij hierbij van links naar rechts en omgekeerd voor mijn hoofd heen beweegt. Hetgeen blijkbaar ook de bedoeling is, ontdek ik achteraf; als mijn oogbol dat niet zou doen, is mijn oogzenuw ontstoken en zou waarschijnlijk een onmiddellijke ziekenhuisopname nodig zijn. De assistent zelf heeft blijkbaar wel niet veel vertrouwen in het resultaat van zijn rituele dans want in totaal voert hij hem een tiental keer uit. Als dat gedaan is, valt hij terug op oude gewoontes en begint te duwen op de zwelling in mijn ooghoek. Hij voelt wel dat ik al dat gedruk op mijn gezicht beu aan het worden ben. De eerste keer ben je gewoon verrast, de tweede keer weet je wat je te wachten staat en de volgende keren klamp je je vast aan het goede doel. Maar als je dan na een operatie wakker wordt en dat onnozel bobbeltje waarmee alles begon, zit er nog steeds, dan voelt dat ostentatief drukken gewoon aan als een inbreuk op je privacy, of alsof ze geen enkel respect hebben voor je lichaam.
Dus stopt hij redelijk snel met dat braillegewijs aftasten van mijn gezicht. Bovendien ben ik op het moment dat hij begon te duwen op mijn ooghoek die ene, grote vraag beginnen stellen en blijven stellen die me nu al een aantal weken bezig houdt: “Wat is dat nu in hemelsnaam?” Na een tijdje antwoordt de assistent: “Ik weet het ook niet zeker, maar het is alsof jij zwart bloed hebt.” “Zwart bloed?” “Ja, ik weet niet of je dat al ooit gezien hebt, maar zwarten, als die geopereerd zijn, maken die heel veel littekenweefsel aan, veel meer dan blanken. Dan zie je dat daar zo bovenop liggen zo,” en hij houdt zijn ene hand boven zijn andere onderarm om te tonen hoe dik het er dan niet bovenop ligt. Nu dat hij zo’n fantastische verhalen begint te vertellen, heb ik hem eindelijk herkend. Het is helemaal niet het Witte Konijn dat hier voor mij staat. Het is de Gekke Hoedenmaker. “Zwart bloed,” stamel ik ongelovig terwijl ik begin te grinniken. Hij zou eens moeten weten in welke mate hij hier een afstammeling van Vlaamse boeren in het zoveelste knoopgat voor hem heeft zitten. Alhoewel, misschien dat dit eindelijk verklaart hoe het komt dat ik zo’n sexy, dikke negerlippen heb en veel beter kan dansen dan al die andere Vlamingen, vraag het maar aan Koenie. Als ik luidop begin te lachen heeft hij door dat ik zijn verklaring niet echt geloof. Om snel uit de patstelling te geraken vraagt hij of ik nog even achter het oogmeetapparaat ga zitten om naar de rood-gele luchtballon te kijken en verwijst me dan terug naar de wachtzaal tot dat Professor Mombaerts klaar is om mij te ontvangen.
Om één of andere reden duurt het langer dan de vorige keer voor ik terug voorgeleid word aan het koninklijk hof. Als ik bij Hartenkoningin binnen stap, krijg ik opnieuw de geruststellende woorden ‘Dat heb ik nog nooit gezien’ te horen. Dan zie ik haar vlug, maar met gedempte stem, bevelen doorgeven aan de Gekke Hoedenmaker. Nadat hij de kamer verlaten heeft, vertel ik professor Mombaerts dat mijn oog nog steeds geen pijn doet, terwijl haar eigen diensten toen ik hen contacteerde ‘pijn doen’ als een absoluut criterium voor nazorg voorgesteld hadden. De onverholen kritiek glijdt van haar af als water van een waterval. Wanneer de Gekke Hoedenmaker terug verschijnt, is hij vergezeld van nog een andere assistent, deze keer terug en zoals het meestal is in dit bedreigd beroep van oogarts, van de vrouwelijke soort en zoals even later blijkt met een lucratief bijberoep. Want twee minuten later bevind ik me voor een witte wand in EEn van de andere ontvangstruimtes in de lange konijnenpijp. En terwijl de assistente net zoals in de film mug shots van mij neemt, frontaal, profiel links, profiel rechts – waarschijnlijk worden die nummers en data tegenwoordig digitaal geprojecteerd op die politiefoto’s in plaats van met zo’n met krijt beschreven filmsetbordje want ik krijg er net geen in mijn handen gestopt – voel ik me meer en meer achterdochtig worden en de idee dat ze met deze foto’s hun dossier aan het voorbereiden zijn voor eventuele toekomstige rechtszaken bekruipt mij. Voor het nageslacht gaan ze die moeite toch niet doen, of wel soms?
Wanneer ik even later terug bij Hartenkoningin en de Gekke Hoedenmaker zit, vraagt ook Hartenkoningin weer of ze even op de zwelling in mijn ooghoek mag duwen. Met veel tegenzin geef ik de toestemming maar pas nadat ik nog even duidelijk zeg dat die operatie totaal niet het probleem verholpen heeft waarvoor ik ondertussen al bijna zes maanden daarvoor bij haar was. Als reactie verkondigt ze met veel stelligheid dat ik, volgens haar, alvast geen last meer heb van tranende ogen. Alsof dat dat het grootste probleem was tot nu toe. Met moeite weersta ik aan de morele druk om dank u te antwoorden en repliceer afwerend dat het tranen misschien wel gedaan is, maar dat het vocht in mijn ogen toch niet echt minder is dan voorheen. Na de ooghoek even onderzocht te hebben, zegt Professor Mombaerts: “De buisjes zitten daar toch goed. Dat lijkt me allemaal in orde. U moet trouwens binnen een maand of zes terugkomen om ze d’r terug uit te laten halen.” Spottend reageer ik: “Bedankt om mij te verwittigen. De vorige keer wist ik zelfs niet dat u hen d’r in ging steken. Nu weet ik tenminste dat u ze d’r uit gaat halen.” Hartenkoningin begint al verveeld te kijken, maar voordat ze bevel kan geven mijn hoofd af te kappen, schakel ik vlug over op het onderwerp dat mij vooral bezig houdt en wijs voor de zoveelste keer op het bobbeltje in mijn ooghoek dat er nog steeds zit, krak op dezelfde manier en op dezelfde plaats. Deze keer nodig ik hen beiden zelfs uit om daar nog eens te voelen, hetgeen ze ook doen. Maar als ik dan opper: “En wat is dat dan want dat zat er al voor de operatie? Dus dat kan toch geen littekenweefsel zijn?,” is het de Gekke Hoedenmaker die plots het woord terug neemt en stelt dat dat mogelijks een verharding van het bot van de oogkas is, veroorzaakt door de ontsteking van het traanzakje. Ik krijg nog antibiotica voorgeschreven en de vraag voorgelegd om binnen twee weken terug te komen voor opvolging op 7 december.
Ik voel me echter niet zo goed bij dit voorstel, het duurt allemaal al veel te lang, al bijna een jaar sinds mijn eerste contact met dokter Veys. Daarnaast komt het veel te veel over als ‘we zullen dit ook nog eens proberen, eens kijken wat dat geeft’, een zoveelste trial and error experiment op mijn lichaam dat al zo lang in nood verkeert. Maar mijn hulpverleners, noch die van hoge adel, noch die fantast, delen duidelijk niet mijn sense of urgency. Want wanneer ik vraag: “Dat wil zeggen dat jullie nog altijd denken dat het een ontsteking is, niet? En wat als het geen ontsteking is? Als het iets anders is?,” word ik onder lichte dwang, met een duw van de hand van de Gekke Hoedenmaker in mijn rug, de deur gewezen terwijl hij zegt: “Dat zullen we dan wel zien, mijnheer Hoskens.”
