Ze ontvangen mij samen, zittend naast elkaar, aan de bureau. Diedeldie, hoe kan het ook anders, heb ik nog nooit gezien. Maar de Gekke Hoedenmaker ken ik sinds mijn vorige bezoek maar al te goed. We zijn amper een week later. Blijkbaar kunnen ze in Wonderland ook al niet goed tellen. Het doosje antibiotica dat ze mij voorgeschreven hadden was een klein doosje, zo klein dat het nu al bijna op is. En aangezien de opvolgingsafspraak met Hartenkoningin pas voor 7 december gepland is, maar die zwelling in mijn oog nauwelijks tot niet afgenomen is, had ik hen een mail gestuurd met de vraag of ik niet wat meer antibiotica moest krijgen, al was het maar om die 7 december te halen. Dus ben ik hier weer terug, vroeger dan voorzien.
Diedeldie zegt zo goed als niets. Het is de Gekke Hoedenmaker die de ganse tijd het woord voert. Het is alsof hij haar in bescherming neemt. Tegen die gevaarlijke aanwezigheid die ik ben. Of zo komt het op dat moment toch over. Want even later blijkt dat hij ook naar mij toe iets probeert goed te maken. Daarover dus meer verderop. Maar misschien dat hij dus die dag met een liefdevol been vol medeleven uit bed is gestapt, ook naar collega’s toe. Of anders gewoon tot inkeer is gekomen wat betreft mijn casus. Misschien zelf die ‘zwart bloed’ hypothese ook belachelijk vindt. Of zoiets.
De Gekke Hoedenmaker voert opnieuw zijn John Travolta dans uit terwijl Diedeldie rustig aan de bureau blijft zitten. Deze keer lukt het precies wel beter want hij stopt al na drie uitvoeringen. Jammer. Het rood-gele ballonnetje wordt deze keer wel achterwege gelaten. Niet dat ik hierover klaag. En, vooral, vooral, er wordt niet meer geduwd op mijn gezicht, wat ondertussen tot bijna een foltering is uitgegroeid. Dus hierover klaag ik al helemaal niet. Antibiotica krijg ik wel niet meer voorgeschreven, maar wel ‘Celestone’. “Pure cortisone,” zal mijn apotheker nadien zeggen, terwijl hij met een knipoog eraan zal toevoegen: “Gij doet toch geen echte sport? Ik bedoel voor geld en zo? Want als je dit pakt, dan is dat niet langer koosjer.” Tegen de apotheker heb ik ontkennend geantwoord, maar hier in die kleine ruimte in Wonderland voelt het toch aan als een wondermiddel dat mij gepresenteerd wordt. Maar dan wel zo eentje dat zonder dat het expliciet gezegd wordt ook het geneesmiddel van de laatste kans is. Of in stilzwijgende dokterstaal: ‘Als zelfs dit niet lukt, tja, dan weten we het ook niet meer mijnheer Hoskens. Dan gaan de grove middelen moeten ingezet worden.’
En misschien heeft de Gekke Hoedenmaker in zijn aanval van medeleven vandaag door wat er in mij omgaat of anders is het gewoon omdat Hartenkoningin afwezig is, maar hij neemt mij apart, mee naar nog een ander kantoor van de konijnenpijp. Onder het mom van daar het voorschrift uit te schrijven. Eenmaal daar wordt hij veel persoonlijker en begint met bekend te maken dat hij nog maar een week of twee op Gasthuisberg gaat moeten werken en dan, god zij dank, er vanaf is. Wanneer ik als reactie op deze bekentenis van hem mijn ongerustheid begin te uiten en vooral het ganse verloop van mijn behandeling in Gasthuisberg in vraag begin te stellen, doet hij een nieuwe mededeling: “Weet u, mijnheer Hoskens, of als u het niet weet, zal ik het u even uitleggen, in een ziekenhuis zoals dit bepaalt eigenlijk elk diensthoofd volledig autonoom de werking van zijn dienst. Dit betekent dat elke dienst zijn eigen manier van werken heeft. En het diensthoofd in dit geval is Professor Mombaerts. En het probleem met Professor Mombaerts is dat ze al haar kennis en expertise over wat te doen wanneer, bewaart in een zwarte map die op haar bureau ligt en dat niemand anders toegang heeft tot die zwarte map.”
Als ik ondertussen al niet met de hulp van een van mijn oncologen-vrienden in een ander ziekenhuis in behandeling was (hierover meer in de volgende posts), was ik nu ongeveer krijsend weggelopen. Maar nu ging het dus nog en kon ik het nog net aan. Ik vraag me zelfs nog even af of dit alles niet betekent dat hij misschien niets te doen heeft en samen met de Maartse Haas, die hier ook nog ergens moet rondlopen, vast zit in een eeuwige koffiepauze. En een gelegenheid als deze gebruikt om de Hartenkoningin en haar maatje, de prikklok, die geïnstitutionaliseerde versie van de Tijd, onder druk te zetten om daarin verandering te brengen. Maar ik voel me zo slecht met mijn eigen situatie dat ik dit er nu even niet kan bijnemen. Wanhopig vraag ik nog: “En wat moet ik dan doen? Wat kan ik dan nog doen? Een klacht indienen?” “Wel, om eerlijk te zijn, mijnheer Hoskens, u zou ons, assistenten, daar een enorme dienst mee bewijzen.”
Ik waardeer enorm de plotse eerlijkheid van de Gekke Hoedenmaker, die toch niet zo gek blijkt te zijn, maar opnieuw kan ik alleen maar de goden danken dat ik al een alternatief voor ogen heb. Want een medische instelling van de omvang van Gasthuisberg waar de assistenten de hulp moeten inroepen van de patiënten om op een fatsoenlijke manier beheerd te worden, wie wilt daar in hemelsnaam van afhankelijk zijn?
