De alternatieve piste begint, god zij dank, concreet vorm te krijgen maar, bovenal, heeft op één week al meer daadkracht getoond dan Professor Mombaerts en haar diensten op meer dan zes maanden tijd. Dus heb ik besloten om niet langer beroep te doen op die diensten. Tegelijkertijd vind ik wel dat alles wat er tot nu toe gebeurd is, zo onvoorstelbaar is, zo schandalig, en zo onrespectvol naar mij toe als patiënt of zelfs als burger van dit land, dat ik haar deze beslissing persoonlijk wil meedelen en terloops rechtstreeks wil confronteren met alles wat er gebeurd is of toch minstens mijn beleving ervan. Tin is het ondertussen allemaal ook kotsbeu en staat erop mee te gaan zodat zij die professor Mombaerts ook een keer ziet en eens goed haar gedacht kan zeggen. Dus beslissen we samen naar de opvolgingsafspraak te gaan op 7 december om kwart na 8 ‘s ochtends.
Als we aankomen, begint het al direct goed. Assistent 4 heb ik niet alleen nog nooit gezien, dat spreekt voor zich, maar bekent na vijf minuten confrontatie met Tin en mij dat ze nog maar enkele dagen assistent is daar op die dienst en mijn dossier dus totaal niet kent. Wat bij mij onmiddellijk de vraag doet rijzen wat voor een organisatie een groentje op een dossier als het mijne zet? Na alles wat er tot nu toe al gebeurd is en vooral nog niet gebeurd? Is dat zoals in het leger, om hen hard te maken voor al de onnozelaars die bij hen kunnen binnen stappen? ‘Ben ik soms een onnozelaar?’, begin ik me af te vragen. En hoe zit het met mijn verwachtingen als patiënt? Vindt dat gedrocht Gasthuisberg / UZ Leuven het normaal dat ik opnieuw van nul moet beginnen na alles wat er tot nu toe al gebeurd is? Onze verontwaardiging is alvast zo groot dat we zelf al beslist hebben om terug te gaan wachten in de groen-witte kapsalon tot dat Hare Koninklijke Hoogheid klaar is om ons te ontvangen als ze plots langs de toegangsdeur van de staf het lokaal binnen stapt.
Blijkbaar heeft ze ons buiten bezig gehoord want onmiddellijk vraagt ze met een minzame stem: “Wat is het probleem, mijnheer Hoskens?” Die minzaamheid roept in mij het slechtste op, dus val ik ineens met de deur in huis: “Wel, om te beginnen Professor Mombaerts, zoals ik vreesde, is die zwelling in mijn linkeroog totaal niet afgenomen. Dus, die antibiotica en cortisone die u mij de afgelopen weken voorgeschreven hebt, hebben totaal niet geholpen.” “Ja, mijnheer heeft net gezegd dat de cortisone hem niet beviel. Dat hij de behandeling zelf heeft stopgezet,” valt Diedeldeine vlijtig in. Vooraleer echter Hartenkoningin mij ook nog eens verantwoordelijk kan stellen voor het niet lukken van de behandeling, onderbreek ik Diedeldeine, val terug op wat in de vorige consultatie volgens mij nog onvoldoende ter sprake gekomen was en flap d’r uit tegen Hartenkoningin dat haar communicatie op niets trekt. Ik verwijs expliciet naar de ontslagbrief met die onnozele kindertekening van een paar ogen in.
Professor Mombaerts begint te lachen: “Hoezo? Was dat niet duidelijk dan?” De lach is al wat minder minzaam, maar wordt eerder spottend. Blijkbaar begeef ik me met mijn nieuwe kritiek op haar terrein. Ik verdenk haar er nu zelfs van zelf die onnozele tekening gemaakt te hebben. Dat zou wel eens goed kunnen kloppen qua jaargang, als ik haar eens goed bekijk. Ze moet een peuter geweest zijn in de jaren vijftig. Ze zal het misschien als een teken aan de wand gezien hebben, als een bewijs dat het haar roeping was om oftalmoloog te worden. Trouwens nu dat ik haar eens goed aan het bekijken ben, besef ik opeens dat het ook een goede moeder overste had geweest onze Hartenkoningin. Maar dan zo eentje van de slechte soort, de soort die samenzweerde met de machtige leenheren en stilletjes zat te lachen terwijl ze samen hun onderdanen of de boeren rond de abdij een kloot zaten af te draaien of regelrecht aan het straffen waren met weesgegroetjes en verdoemenissen of, nog langer geleden, zweepslagen en publieke folteringen.
Ik denk dat Tin door heeft dat ik helemaal niet meer hier ben want plots hoor ik haar tussen komen: “Neen, dat was helemaal niet duidelijk. Wij dachten dat die verdikking misschien gewoon kwam van die wondlijm. Dat dat geleidelijk ging verdwijnen, naarmate dat die wondlijm opgenomen werd door de huid of zo, maar niet dus.” Even kijkt Hartenkoningin naar Tin, maar dan reageert ze naar mij toe. Misschien omdat Tin niet de patiënt is, of misschien omdat ze vindt dat Tin zich niet moet moeien. Ze voelt zich ondertussen al wel genoeg bedreigd in haar waardigheid als ‘specialist’ om haar staat van dienst als chirurg er al direct bij te sleuren. “Mijnheer Hoskens, ik heb al heel veel operaties gedaan hoor en die zijn bijna allemaal gelukt. Of het aandeel operaties met complicaties nadien is toch bijzonder klein. Ik heb in mijn loopbaan al zeker zo’n 5000 operaties gedaan en daar zijn er maar 4, misschien 5 van, die niet helemaal gelopen zijn zoals het hoorde.” Met zo’n bedrijfsresultaten word ik, denk ik, verondersteld te begrijpen dat communicatie maar een bijzaak is. Meer een futiliteit waartoe men verplicht is dan als iets noodzakelijks.
Onder de indruk van de zelfzekerheid waarmee Hartenkoningin haar volle, gekwantificeerde gewicht in de weegschaal smijt, besluit ik van mijn kant er toch nog een tandje bij te steken: “Ik kwam u toch zeggen dat uw diensten op niets trekken. Op geen enkel moment de afgelopen weken en eigenlijk zelfs zes maanden geleden al toen ik hier voor de eerste keer was, hebt u een onderzoeksdaad gesteld. Op wat duwen met uw wijsvinger op die bobbel na. Weet dat ik sinds kort elders in behandeling ben en dat men daar na één week contact al een CT-scan heeft ingepland en uitgevoerd.” Mijn korte communicatie slaat, in tegenstelling tot wat ik verwacht had, nog altijd niet in als een bom. Hoog van op haar troon vraagt Hartenkoningin koel: “Waar bent u in behandeling?” “In het AZ Maria Middelares te Gent.” “Bij wie juist?” “Dokter Decock.” “Dokter Decock? Die ken ik niet,” zegt ze, alsof dat ineens een oordeel velt over de beroepswaarde van de man. Ze beseft echter onmiddellijk haar fout en vraagt met valse nieuwsgierigheid, zo met een stemmetje dat langzaam de hoogte in gaat: “En men heeft daar al een CT-scan uitgevoerd?” “Ja, op één week tijd,” wrijf ik nog eens in de wonde. “Dan kan ik die misschien terug vinden in onze systemen,” reageert ze. Ik zie haar opgelucht met de beweging richting PC op haar bureau glijden. Ze begint druk te tokkelen op haar klavier. “Of neen, het lukt toch niet,” zegt ze na een tijdje. “Nochtans heb ik een brief meegekregen die zegde dat ik de scan zelf online kon bekijken op het Cozo-platform. Hebt u daar geen toegang toe?” “Cozo? Als het daar staat, moet ik het hier ook kunnen zien. Wacht ik zal nog eens proberen… Ah, hier is het,” zegt ze dan.
Ik verwacht dat ze nu iets van commentaar gaat geven, haar professionele opinie of zoiets, maar er komt niets. Dus geef ik maar die van de oogarts uit Gent: “Dat is een serieuze bobbel, niet? Decock had dit totaal niet verwacht. Hij heeft gevraagd om een kijkoperatie en biopsie te doen.” De laatste woorden lijken wel enige impact te hebben op de IJskoningin. “Kijkoperatie?,” vraagt ze snel, “wanneer is die gepland?” “Deze avond.” “Deze avond al?” “Deze avond al, ja. Decock gaat op 2 weken tijd twee consultaties, een CT-scan, een kijkoperatie en een biopsie gedaan hebben. Hoe lang ben ik al in behandeling bij u, Professor Mombaerts?”
Op dit punt aangekomen beslist Hartenkoningin dat het tijd wordt om uit een ander vaatje te gaan tappen, om zo haar intellectuele superioriteit uit te spelen waarschijnlijk. Anderen beginnen Latijn te spreken, zij verkondigt blijkbaar graag etymologische wijsheden. Ze zegt: “Patiënt komt van het Engelse ‘patient’, wist u dat? Maar de mensen kennen geen geduld meer.” Nu val ik stil. Zo veel arrogantie kan ik niet meer aan. Blijkbaar is zes maanden niet genoeg tijd. Of telt ze alleen de uren dat ze effectief op mijn dossier gewerkt heeft. Of heb ik in haar ogen maar vijf uren van geduld opgebracht waarvan ook nog eens drie uur onder narcose? Of misschien kan Professor Mombaerts ook niet tellen. Komt ze uit op een totaal van een week van geduld en niet meer tijd.
Zelf vindt ze ieder geval dat de tijd gekomen is om afscheid te nemen van elkaar. “En u bent helemaal naar hier gekomen om mij dit allemaal te zeggen? Dat vind ik straf van u.” Waarop ze recht staat en mij de hand schudt. “Kan ik nog iets doen voor u?,” vraagt ze nog, weer en nog minzamer dan voorheen. “Iets tegen de pijn misschien?” Diedeldeine is ondertussen al helemaal verdwenen in het pleisterwerk in de hoek van de kamer helemaal achteraan. Ik zie nog net de tip van haar schoen onder de plint vanonder uitsteken. Ze bestaat dus nog. En ik zie dat Hartenkoningin nu ook de hand van Tin schudt. Dus die bestaat ook nog in deze wondere wereld helemaal boven op de Gasthuisberg van Leuven.
Wanneer we doorgaan doet Hartenkoningin onverwacht nog een laatste remonte om mij te overtuigen van haar kunsten. Ze voelt dat ik er niet gerust in ben, in het verdere verloop van de dingen, en zegt totaal out of the blue in mijn rug: “Maak u geen zorgen, mijnheer Hoskens, daar zit geen tumor. Als daar iets tumoraals zat, had ik dat toch al lang gezien tijdens de operatie?” Ik draai me om in de deuropening en kijk haar totaal verwilderd aan.
