Bergen zijn leuk om op te wandelen maar in de winter niet zo. Dus zoeken wij, de Marsmannen, die verloren zielen, andere manieren om het leven via sportieve activiteiten in groep draaglijk en zo veel als mogelijk al feestend door te spartelen. En als het niet lukt in de hoogte, zoeken we de vlakte op. Bovendien heeft Koenraad, de leader of the pack, sinds kort een appartement aan zee. Of eigenlijk al sinds een jaar, maar zo lang heeft het geduurd om het in orde te brengen. Dus nodigt hij ons nu een keer uit voor een weekend aan zee om het appartement te bezichtigen en ineens in te wijden. Vlakker dan dat kan niet. Zelfs Jacques Brel heeft het gezegd.
Komen af: Koenraad zelf natuurlijk, anders geraken we niet binnen, Yvo en Willem, de twee vrienden-oncologen en Thomas, de meest empathische mens die ik ooit ontmoet heb, zo empathisch dat hij constant moet oppassen of hij bestaat zelf niet meer. Yvo zegt wel last minute af. Wat voor ons een serieuze streep door de rekening is want zonder die lopende warmtebron gaan we de koude op andere manieren moeten gaan trotseren. Het appartement ziet er fantastisch uit. Vooral de grote ramenpartij aan de voorkant is prachtig. Doordat ze als een alkoof een beetje naar buiten uitsteekt, wordt je zicht door niets gestoord of onderbroken buiten het houten kader van het grote venster zelf en heb je het gevoel naar een levend schilderij te kijken. Bovendien hebben ze heel deze glaspartij ook nog eens voorzien van een grote houten vensterbank zodat je als het ware in het schilderij zelf kunt gaan zitten, liggen, dromen, vallen.
Zelf zie ik enorm uit naar dit weekend. Niet alleen is er de structurele behoefte aan een beetje mannenliefde, maar er is ook mijn basaal verlangen naar een goei pint bier van de straffere soort en het lekkere eten dat ons deze avond volgens Koenraad te wachten staat in De Spelleplekke, de enige bistro hier gelegen op het strand en blijkbaar toch nog goed, hetgeen aan de Belgische kust een uitzondering is. Het is alsof de meeste eetgelegenheden aan de kust elkaar beconcurreren om de meest zelfgemaakte niet-zelfgemaakte garnaalkroketten en smakeloze Oostendse vispotjes te bereiden. Daarnaast wil ik ook van de gelegenheid gebruik maken om Willem en Yvo, dus Willem nu dat Yvo er niet geraakt, een keer te vertellen wat er tot nu toe allemaal gebeurd is in Gasthuisberg en terloops te vragen of hij geen goede oogarts aan de UZ Gent kent waar ik eens langs kan gaan om mij voort te helpen.
Koenraad heeft in ieder geval direct in de mot dat er iets niet klopt. Wanneer we binnen komen, zegt hij: “Wat heb jij aan je oog?” De assertiviteit van zijn vraag alleen al geeft mij het gevoel van niet goed bezig te zijn. Ik zeg hem dat dat nog altijd dat ontstoken traanzakje van Italië is. Dat die operatie die gepland was in september, dat die niet goed gelukt is en dat het ondertussen allemaal alleen maar erger geworden is. Dat de opvolging in Gasthuisberg dan ook nog eens op geen kloten trekt en dat voorlopig de enige werkbare hypothese blijkbaar dat ‘Zwart Bloed’ is. Ondertussen is Willem ook aangekomen en begin ik het ganse verhaal terug van nul. Na het afronden van het ingewikkelde vervolgverhaal spreek ik hem, zoals gepland, aan en vraag of hij misschien geen goede oogarts kent aan de UZ Gent of in het Gentse die mij zou kunnen helpen. Hij belooft mij eens te checken. Thomas is ondertussen ook binnen gevallen. Net op tijd om nog met een kus afscheid te nemen van Babs, de vrouw van Koenraad, die ook aanwezig is maar begrijpt dat samentroepende Marsmannetjes na een tijdje vrouwallergisch worden. Symptomen: stilvallende gesprekken, wegdraaiende blikken en lange zuchten.
Koenraad en Babs hebben blijkbaar in deze periode van het jaar het appartement nog niet gebruikt. Want het is de eerste keer dat de verwarming opgezet wordt. Dat blijkt geen sinecure te zijn want de installateur zelf is aanwezig en al. Aanvankelijk lijkt dit een beetje overdreven maar als zelfs hij er niet in slaagt om het spul met een simpele druk op de knop in gang te zetten, blijkt van niet. Bovendien zit de koude echt overal. In de muren, in de vloer, in de zetels zelf. Ik mis Yvo nu al. Uiteindelijk blijken de blazers die in de grote vensterbank verstopt zitten, maar half te werken. Nadat de installateur die in turbomode zet en eens een goede tik verkoopt, beginnen ze echter harder te zoemen en voelen we de warme lucht uit de vensterbank opstijgen. Opgelucht dat onze men cave voor het weekend dan toch geen koude muren zal hebben, focussen we ons op onze activiteit van de dag.
Aanvankelijk had ik voorgesteld om tijdens het weekend van 11 november naar de zee te gaan. Om zo exact op de honderdste verjaardag van het einde van de Eerste Wereldoorlog de loopgraven eens te gaan bezoeken. Bij mij was dat al geleden sinds mijn schooltijd dat ik daar geweest was. Koenraad vond dat een superidee maar stelde voor om dat al fietsend doen. Zo zouden we een leuke combinatie van geschiedenis, sport en natuur voorgeschoteld krijgen. Er worden dan ook fietsen gehuurd en onder een dreigende, grijze lucht, geschikter weer kan niet, vertrekken we richting Nieuwpoort. Van daar gaan we helemaal langs de IJzer alvast tot aan de IJzertoren fietsen. Dat is het plan.
De tocht verloopt voorspoedig. Het fietspad blijkt vroeger het spoorbed van een voorraadtrein van de Belgische soldaten aan het front geweest te zijn. Vandaar de rechte lijn en de iets hogere bedding. Van daar uit heb je een fantastisch zicht op het voormalige No Man’s Land, nu weiden vol met molshopen en koeienvlaaien. Wat ik ook totaal vergeten was, zijn de vele en brede vertakkingen van de IJzer. Daar moet na de overstroming inderdaad geen doorkomen aan geweest zijn voor die arme Duitsers. Hier en daar stoppen we om de nog zichtbare restanten van de oorlog te bezichtigen. Zo is er de observatiepost aan het vroegere station van Ramskapelle. Hier werd tijdens de Slag om de IJzer in oktober 1914 zwaar gevochten. Om dan twee maanden later samen Kerstmis te vieren. Een monument met poppen op gewapend ijzer naast de observatiepost herinnert aan het absurde Kerstbestand. En we rijden ook even om langs het Belgisch oorlogskerkhof van Keiem. Nog een sinistere plaats want de meeste graven bevatten niet-geïdentificeerde restanten. Na een uurtje of twee komen we aan de IJzertoren aan. We laten echter de oubollige Vlaamse heroïek links liggen en beslissen voort te fietsen tot aan het Duits oorlogskerkhof van Vladslo in voormalig Duits bezet gebied. Het is daar ergens dat het beroemde Treurend Ouderpaar van Käthe Kollwitz staat en dat lijkt ons wel eens de moeite om te bezichtigen. Niet alleen heeft ze het beeld gemaakt nadat haar eigen zoon, Peter, op 18-jarige leeftijd gesneuveld was, maar allen hebben we al eerder het beeld van Kollwitz in Die Neue Wache in Berlijn gezien en de verwachtingen zijn dan ook hooggespannen.
Twee weken na de herdenking van het honderdjarige einde van de zoveelste volkerenoorlog in Europa ligt het Duitse oorlogskerkhof er prachtig bij. Vooral de Scandinavisch ogende soberheid van het kerkhof – de graven zijn eenvoudige vierkante stenen in de grond tussen het kortgewiekte gras – omringd door statige eikenbomen, is in al zijn overweldigende horror een genot om te zien. Her en der tussen de graven in vinden we enkele van de 600,000 kleine herdenkingsbeeldjes van Koen Vanmechelen terug speciaal gemaakt voor de honderdjarige verjaardag – 600,000 zijnde het totale aantal slachtoffers in ons land van de oorlog, burgers en soldaten samen. Maar achteraan in het kerkhof stoten we eindelijk op het imposante Treurend Ouderpaar. We begrijpen onmiddellijk waarom de nazi’s het beeldhouwwerk als entartet bestempelden. Veel trots en fierheid op gesneuvelde martelaars van het vaderland spreekt er niet uit. Qua stijl is het expressionistisch. Of voor de Vlamingen: Kollwitz’ stijl is meer Permeke de schilder dan Permeke zelf in beeldhouwvorm. Alleen ziet de vader er helemaal niet treurig uit. Een beetje koud heeft hij het precies want om het een beetje warmer te krijgen heeft hij zijn armen niet-gekruist, over elkaar heen, voor zijn middenrif gedrapeerd. En hij kijkt eerder nors en stuurs dan triest. De moeder daarentegen ziet er zelfs in graniet gebroken uit. Zij kijkt je niet aan. Zij kijkt niets of niemand aan. Ze ziet enkel de afgrond die voor haar opdoemt nu dat haar kind gestorven is. Wat een verschil tussen man en vrouw. Wij, de Marsmannetjes, voelen ons bijna gediscrimineerd. Zo krachtig is het beeld. Alsof wij niet overmand kunnen worden door verdriet. Alhoewel, in hoeverre ben je nog man als je overmand wordt? Is dat niet een beetje hetzelfde als ontmand? Zou Mars zichzelf ooit hebben laten overmannen? Maar in een omgeving als deze is deemoed het enige gepaste antwoord op dergelijke aardse vragen.
‘S avonds gaan we lekker eten in De Spelleplekke. Het eten zou laat ons zeggen in ‘Komen Eten’ een 7 halen, maar zoals zo vaak aan de kust maakt de setting veel goed. En na het eten laat Koenraad ons weten dat er ook nog bijzonder lekkere whiskey’s zijn in de staminee. Dat laten we ons geen twee keer zeggen. Alleen Willem onthoudt zich van het drankgelag. Als medicus zijn er voor hem grenzen aan alcoholconsumptie, ook in zijn vrije tijd. Terug op het appartement begint het zalige, afsluitende mannenbabbelmoment van de dag met een laatste pint bier. Het is alsof we alles vandaag gedaan hebben om op dit punt te geraken. Het is het moment waarop we terug één zijn. Het moment waarop we vroeger samen in de haag zouden hebben staan pissen. Of uitvoerig elkaars lief besproken zouden hebben. Het moment waarop het leven even weer eeuwig lijkt. Of althans niet onder tijdsdruk staat.
Het appartement is ondertussen lekker warm. Met de benen uitgestrekt en met het glas bier in de hand zitten we uitgezakt voor de mooie glaspartij. Bij het slapen gaan vraag ik aan Koenraad of ik niet in de alcoof mag slapen zodat ik ook al slapende in de Noordzee kan vallen. Voor één keer is het goed. Ik sleur een matras helemaal naar de vensterbank en installeer me daar vlak naast het raam. Alhoewel het volle maan is, zie ik geen steek, zo zwaar bewolkt is het. En ondertussen is het ook al beginnen te regenen. Maar ik weet dat daar buiten voor mij dat gigantisch strand is en die grijze oneindige watermassa. En als ik goed luister hoor ik de golven stuk slaan op het zand. Avec le vent du nord, écoutez-le craquer.
Als we ‘s ochtends vertrekken, spreek ik op weg naar de parking voor alle zekerheid Willem nog eens aan. Zodat de hoogdringendheid, althans voor mijn linkeroog, ook voor hem duidelijk is. Bij de zo goed als lege parking aangekomen stellen we beiden wel vast dat er zich parkeertickets bevinden onder onze ruitenwissers. Ik krijg een déjà-vu want het zijn er weer twee ineens. Net zoals in Leuven twee maanden geleden. Deze keer een voor de zaterdag en dan nog een voor de zondag. Ah ja, ook die verdoken gemeentebelastingen aan de Belgische kust moeten toeslaan wanneer ze maar kunnen, zeker? En in de winter, op een maandag, moeten ze hier geen boetes uitschrijven als ze de gemeentekas willen spijzen; de dag van god gaat meer opbrengen voor die CD&V’ers hier.
Nu pas herken ik deze parking als de parking waar ik een jaar of drie geleden ook al een boete had gekregen. En dat was toen slecht afgelopen want dat gemeentebestuur stuurde al na twee weken niet-betaalde parkeerboete een gerechtsdeurwaarder op de criminelen af. Protest leverde natuurlijk niets op. En dus moest ik niet alleen de boete betalen maar ook nog eens de kosten van de deurwaarder. En dit na twee weken tijd. Ik vroeg me toen af of deze kustgemeente zijn facturen ook binnen twee weken zou betalen? Aangezien het antwoord op die vraag ongetwijfeld negatief was, had ik toen eigenlijk beloofd, zowel aan het gemeentebestuur als aan de lokale geprivatiseerde parkeerwachter, om nooit meer naar deze kustplaats te komen. Weer een belofte die ik niet heb kunnen houden. De lijst begint eindeloos te worden. Om het goed te maken, roep ik nog vlug naar Willem: “Zie dat je die boete op tijd betaalt Willem! En met op tijd bedoel ik binnen de twee weken! Zo niet sturen die smeerlappen hier direct de deurwaarder op je af!” Dat is toch één burger minder die ze gaan kunnen kloten.
