Ongelooflijk, maar Willem stuurt mij op maandag al een mail met een wie is wie fiche van UZ Gent met een naam en een telefoonnummer op. Ik stuur direct een mail terug om hem te bedanken en te zeggen hoezeer ik zijn snelle hulp niet waardeer. Ik bel onmiddellijk naar het nummer enkel om te ontdekken dat de oogarts in kwestie in zwangerschapsverlof is. Maar er wordt wel een alternatief voorgesteld, een zekere Christian Decock van een AZ in het Gentse. Ik vraag aan Willem of hij die mogelijks kent? Of dat soms een goede oogarts is? Hij denkt van wel. Decock zou vroeger de opleiding van die vrouwelijke oogarts nog verzorgd hebben. Dus dat moet wel een goede zijn, zegt hij.
Op dinsdag bel ik naar het kabinet van Decock. De vrouw die ik aan de lijn krijg, weet me te vertellen dat Decock blij zou zijn mij te helpen maar dat de eerstvolgende mogelijke afspraak pas na mid februari zou zijn. Ik probeer aan haar uit te leggen dat ik niet zo lang kan wachten. Dat ik eigelijk al maanden aan het wachten ben in Gasthuisberg. Dat er zelfs een operatie slecht is uitgevoerd. Dat mijn oog er niet meer uitziet. Maar niets helpt. Ze is onvermurwbaar. Dus contacteer ik opnieuw Willem. Voor de derde keer al op twee dagen. Het begint stilaan gênant te worden. Ik verontschuldig me uitvoerig. Leg hem het probleem uit. Hij belooft me eens te zien wat hij kan doen.
Een uurtje later al stuurt hij me een mail om te zeggen dat ik het nog eens moet proberen. Ik bel terug naar het kabinet van dokter Decock. Opnieuw krijg ik te horen dat de eerstvolgende afspraak pas in februari kan plaats vinden. Maar wanneer ik dan verbaasd reageer en de naam van Willem laat vallen, verandert de toon van het gesprek helemaal. Er wordt me gevraagd of ik nu donderdag, 29 november, om 17u30 kan langs komen. Dankbaar voor deze kans zeg ik onmiddellijk, zelfs zonder mijn agenda te checken, van wel, “geen probleem, ja zeker kan ik dat.”
Na het telefoontje voel ik me wel schuldig. Dat ik dankzij een vriend wel binnen geraak bij die Decock en andere mensen moeten wachten tot februari, zit me niet lekker. Maar nood breekt wet, zeker? Toch kan ik het niet laten om Willem deelachtig te maken aan mijn schuldgevoel. Het thema van een de facto tweeklassenmaatschappij wordt daarbij niet geschuwd. Zelf verwijs ik naar de numerus clausus voor geneeskunde als bron van alle kwaad. In een ver verleden heb ik er nog tegen betoogd. Zelfs nog slaag voor gekregen van de wapenstok van een rijkswachter. Maar toen was het allemaal nog abstract en meer een principekwestie. Dat kan ik nu niet meer zeggen. Simpel gezegd: als er zo’n tekort is aan oogartsen en andere artsen, waarom worden er dan niet meer gemaakt? Willem beweert echter dat dat systeem toch zijn nut heeft en dat een eenvoudige afschaffing ook geen goede zaak zou zijn. Zelf ben ik zo opgelucht van eindelijk ergens terecht te kunnen met mijn linkeroog dat ik al gauw mijn protest staak. Ik dank Willem opnieuw vanuit de grond van mijn hart voor zijn hulp en zeg hem dat als ik ooit iets voor hem kan doen dat hij het mij moet laten weten. Hij antwoordt als liefhebber van de Engelse taal: “With pleasure”.
Ik zoek nog even op het internet de exacte ligging van het ziekenhuis op. Het ligt ergens achterin die nieuwe KBC-toren langs de autostrade in Gent. De naam is wel zo’n typische katholieke ziekenhuisnaam waar ik al direct de weubes van krijg: Maria Middelares. Zelf heb ik er nog nooit van gehoord. Google maps geeft aan dat het van mijn werk tot aan dat ziekenhuis 67 kilometer is. Dat is toch verder dan ik dacht. Niet dat het mij iets kan schelen. De staat van mijn gezicht en oog is dermate onrustwekkend dat ik desnoods naar het eind van de wereld zou rijden. Dat hoeft gelukkig niet. ‘Gewoon’ van Brussel naar Gent is voldoende. En mijn ecologische voetafdruk kan ook even de boom in.
