Wanneer ik binnen stap, zit hij met de rug naar mij toe aan zijn PC. Hij vraagt mij te vertellen wat er gebeurd is en ik begin aan het lange vervolgverhaal. Terwijl ik voort vertel, stopt hij met typen, draait zich om en komt naar mij toe. Ik schat hem iets jonger dan mij, 45 of zo. Wanneer hij dicht genoeg genaderd is, betrekt zijn gezicht. Hij vraagt of hij een keer mag voelen. En ik weet niet waarom. Is het omdat hij zo stil, maar kordaat spreekt, of is het omdat hij zo rustig is, maar het kost me geen enkele moeite om ja te zeggen tegen hem. Als hij voelt aan de zwelling, begint hij te spreken met die rustige stem van hem. “Ik heb dit nog maar 1 keer gezien, denk ik.” Hij beseft het zelf niet, maar het feit dat hij het al één keer gezien heeft, brengt een golf van opluchting in mij teweeg. Of misschien voelt hij dit laatste wel en zegt hij om mijn verwachtingen te temperen, onmiddellijk nadien, “Bij een Turk. Hij had zich aan zijn oog laten opereren in Turkije en kreeg nadien ook zo’n enorme hoeveelheid littekenweefsel aan zijn oog.” Eerste wilde ik nog ludiek antwoorden: “Dat kan wel kloppen, het niveau van die oftalmologische dienst van Gasthuisberg is zeker niet beter dan die van een Turks ziekenhuis. Ze lijden beide aan hetzelfde probleem: een rabiaat geloof in de onfeilbaarheid van hun staats- en andere hoofden.” Die dokter Decock is duidelijk niet van Turkse afkomst, bleker en dunlippiger heb ik nog niet veel mensen gezien, dus persoonlijk zou hij het niet nemen. En hij zou vermoed ik, zo op het eerste zicht, de grap ook wel begrijpen, maar het woord ‘littekenweefsel’ doet mij anders besluiten: “Dan klopt dat misschien toch van dat ‘Zwart Bloed’?” De dunne lippen beginnen stilletjes te lachen. Hij zegt: “Zo zou ik het niet noemen. Maar ik denk inderdaad dat het littekenweefsel is. En,” voegt hij er direct een beetje bedenkelijk aan toe, “dat gaat wel niet zo simpel zijn om dat allemaal weg te werken. Dat gaat lang duren. En we gaan dat moeten doen met het lokaal zetten van spuiten. Dat gaat ook wat pijnlijk zijn.” Mijn opluchting van eindelijk een mogelijke piste te hebben, is zo groot dat ik zeg dat het voor mij allemaal ok is, zolang ik maar eindelijk van al die zever vanaf geraak. “Het heeft allemaal lang genoeg geduurd,” besluit ik.
Op dat moment komt zijn assistent binnen. Geen Diedeldie of Diedeldeine deze keer. Een al even sympathieke, rossige en goedlachse jonge man. En de manier waarop dokter Decock hem aanspreekt, is, na alles wat ik meegemaakt heb in Wonderland, zo direct, zo van mens tot mens, dat hij voorgoed mijn vertrouwen krijgt. Hij stelt me voor aan de assistent, herhaalt dan een beetje wat er voordien allemaal gezegd is, door mij en door hem, en zegt dan plots tegen de assistent: “Anders moet jij ook een keer voelen aan die zwelling.” Nog voor ik ook maar kan reageren, schakelt hij over naar mij en vraagt vriendelijk, opnieuw met die rustige, correcte stem: “Mag mijn assistent een keer voelen, mijnheer Hoskens? Zo vaak hebben we deze kans niet. Het zou voor hem een interessante ervaring zijn.” Opnieuw, alleen al het feit dat hij gewoon uitlegt waarom dat interessant zou kunnen zijn, is voor mij zo’n verademing, dat ik opnieuw zonder enig probleem ja kan antwoorden. En terwijl de assistent voelt aan mijn oog, blijft Decock hem richtlijnen geven en wisselen ze onderling gedachten uit. Wat een gemoedelijkheid heerst er hier in vergelijking met die ijskelder boven op de Gasthuisberg van Leuven.
Nadat de assistent terug de consultatieruimte verlaten heeft, vraag ik onmiddellijk aan dokter Decock wanneer we de behandeling kunnen beginnen. Dat het lang genoeg geduurd heeft, zal ondertussen wel duidelijk zijn. Tot mijn grote teleurstelling echter antwoordt hij: “Wacht nog even mijnheer Hoskens. Voor dat we die behandeling opstarten, wil ik wel eerst zeker zijn dat dit inderdaad hetzelfde probleem is als dat wat die Turk had. Daarom zou ik om te beginnen eerst een CT-scan willen laten uitvoeren. Zodat we op zijn minst al wat zicht krijgen op de juiste locatie en de grootte van die massa weefsel. En afhankelijk van de resultaten van die CT-scan gaan we misschien nog bijkomend onderzoek moeten doen. Misschien ook een biopsie zodat we vergissingen kunnen uitsluiten.” Hij beseft het weer niet, denk ik, maar na mijn dramatische passage aan Gasthuisberg, klink dit allemaal als muziek in de oren. Het voelt aan alsof we samen aan het walsen zijn in die kleine ruimte. Stap 1, 2, 3. Stap 1, 2, 3. Stap 1, is dit. Stap 2, is dat. Stap 3, is voor later. Consequent en logisch. Zo pakken we de dingen hier aan. Zonder zever. “Is dit ok voor u, mijnheer Hoskens?” “Meer dan ok, dank u.”
Decock staat recht en vraagt: “Kunt u even mee komen?” Hij neemt me mee naar een klein kantoortje, vlak voor zijn bureau, naar zijn secretaresse, een prachtige vrouw van ook zo’n 40 jaar oud, met donkere ogen en, afgaande op haar huidtint, van exotische origine. Wanneer ze begint te spreken ontdek ik echter dat het dezelfde vrouw is die ik aan de telefoon kreeg toen ik een afspraak probeerde te regelen en die zo onvermurwbaar was. Nu ik ze samen bezig zie, begrijp ik onmiddellijk de oorzaak van dit gedrag. Dit zijn twee handen op één buik. En zij is de waakhond. Je geraakt niet bij hem zonder eerst langs haar te passeren. Dat is haar missie. Of, een beetje meer flatterend, zij is de sfinx, die de toegang tot de tempel bewaart. Enkel als je haar raadsel oplost, mag je door. Decock zelf daarentegen mag alles vragen aan haar. Dat is ook direct duidelijk. Hij zegt tegen haar: “Kun je een keer checken of en wanneer volgende week mijnheer Hoskens hier een keer onder de CT-scan zou kunnen komen liggen? Enkel van zijn ogen. Zo snel mogelijk dus.” In haar blik zie ik eerst een lichte, wanhopige opflakkering van ‘wat vraagt gij nu weer van mij?’ Maar die wordt al direct vervangen door een blik van verstandhouding en zelfverloochening. In Star Wars of zo zou hier zoiets gevolgd hebben als: “Your wish is my command, master.”
Na enkele telefoontjes blijkt dat er toch nog een slot is volgende week dinsdag op de middag. Ik zou dan eerst de scan moeten laten nemen. Dan een uurtje wachten, en dan zou ik op consultatie kunnen gaan bij Decock. Pocahontas vraagt of dat allemaal gaat voor mij. Ik weet dat het dan teamvergadering is, maar na alles wat er tot nu toe gebeurd is, en afgaande op de miserabele staat van mijn oog, moet ik nu toch even eerst voor mezelf kiezen, vind ik. Bovendien heb ik nog ik weet niet hoeveel verlofuren voor ouden van dagen staan die ik nog moet opnemen voor het einde van het jaar. Zo iets speciaal gemaakt voor vijftigplussers, om het afmattende professioneel leven voor hen wat draaglijker te maken. Ik voel me helemaal niet zo moe of afgeleefd, maar deze nieuwe regeling komt mij nu wel goed uit, moet ik zeggen.
