Dit is mijn eerste scan ever. Om een of andere reden moet ik voortdurend denken aan A Space Odyssey 2001 van Kubrick. En dan vooral aan die scenes op het einde van de film waar die astronaut ook in een soort van capsule ligt en dan eerst wat lichtflitsen ziet passeren om dan wat sprongen eerst naar het verleden en dan zelfs naar de verre toekomst te maken. Zoiets verwacht ik.
De dame die me ontvangt behoort opnieuw tot het rondborstige type en heeft prachtig krullend haar. Nog nooit zoveel fysiek contact gehad met onbekende vrouwen in gans mijn leven, valt me plots in. Om het helemaal af te maken, zegt ze dat ik me volledig moet uitkleden. Op mijn slipje en sokken na. Die mag ik aanhouden. In het hokje zelf hangt er ook nog een papiertje omhoog waarop gezegd wordt dat ook alles van metaal hangende aan het lichaam verwijderd moet worden indien mogelijk. Die indien mogelijk zal misschien op die ene stifttand van titanium slagen die zich van voor in mijn gebit bevindt. Maar die ring en die smartwatch moeten dus ook weg. Er wordt wel bij gezegd dat het ziekenhuis zelf geen enkele aansprakelijkheid aanvaardt voor verdwenen voorwerpen in de loop van het onderzoek. Hetgeen ook wel logisch is want anders zou je hier naartoe kunnen komen, in het kleedhokje gaan en dan nadien gewoon klacht indienen dat die ene armband van puur goud met diamanten in, een erfstuk van die glorieuze opa, verdwenen is. En wie gaat dat vergoeden? Maar bon, bij afwezigheid van zo’n erfstukken, noch fysiek noch virtueel (in mijn familie droegen stamvaders nooit armbanden, en al zeker niet van goud of met diamanten in, stel je voor dat die van je arm zouden vallen terwijl je in het patattenveld onkruid stond te wieden), beslis ik mijn spullen in mijn zak met boek en portefeuille te steken en ze zo mee te smokkelen in het onderzoekslokaal.
De rondborstige dame doet de deur aan de andere kant open en checkt of mijn vestimentaire code in orde is. Wanneer ze terug weg kijkt, kan ik opgelucht mijn adem loslaten. Ze wijst naar een ligbank iets verder in de gang achter de deur en vraagt me om daar op te gaan liggen en een beetje tot rust te komen terwijl ik wacht. Geschrokken kijk ik vlug naar beneden om te verifiëren of er daar soms van enige ongerustheid sprake is. Als blijkt van niet, vraag ik vlug: “Tot rust komen? Wat bedoelt u daarmee?” “Gewoon even gaan liggen. Even op adem komen. Ik ga zo snel ik kan u komen voorbereiden voor de scan.” “Ah, ok,” antwoord ik beduusd.
Als ze terugkomt, heeft ze een doosje in haar handen. En uit het doosje haalt ze een plastieken verpakking met daarin een infuus. In snelheid genomen vraag ik wat ze gaat doen. “Ik ga deze infuus plaatsen zodat we straks vlak voor de scan een contrastvloeistof kunnen toedienen. Dat is om beter te kunnen zien wat waar zit. Begrijpt u?,” vraagt ze vriendelijk. De uitleg is maar zozo, maar ik herinner me plots dat ik heel lang geleden, toen ik nog maar een jaar of acht was, een röntgenfoto van mijn nieren heb moeten laten maken omdat ik regelmatig last had van nierontstekingen. Dat was op een glazen plaat dat ik moest liggen, als ik me goed herinner. Dus dat was geen scan. Maar daar heb ik ook wel een contrastvloeistof toegediend gekregen. Met een gigantische spuit. In mijn herinnering groter dan mijn arm zelf. Het zou nadien een van mijn grootste jeugdtrauma’s worden. Dus vraag ik nu even of dat nu ook met zo’n grote spuit zal zijn. De krullen beginnen te lachen: “Neen hoor, helemaal niet. Die contrastvloeistof zal u via dit infuus toegediend worden. En van de rest zal u gewoon niets zien want u zal dan al in de tunnel liggen.” “De tunnel?” “De scan. Het enige wat wel een beetje vreemd zal zijn is dat u het plots, maar wel maar even, heel warm zult krijgen. Niet van de scan. Maar van de contrastvloeistof. Die is gemaakt op basis van jodium. Hetgeen vroeger vooral ook nog gebruikt werd als ontsmettingsmiddel, herinnert u zich dat nog?” Ik antwoord van wel. “Dat is gewoon een van de neveneffecten. Niets van aantrekken voor de rest.” “Ik kan al niet wachten,” antwoord ik met een grimas.
Over de scan zelf kunnen we kort blijven. Wat behouden bleef van mijn verwachtingen was het capsulegevoel want het is echt wel een lange buis waar je volautomatisch in geschoven wordt. Het is alleen vreemd dat ze aan de andere kant weer open is, maar dan zie je daar boven je hoofd allerlei digitale lichtjes oplichten met bewegende letters en cijfertjes zodat je toch volledig in de ruimtetriptrip kunt blijven. En als je dan, na een tijdje, nadat ook die contrastvloeistof in je lijf gespoten is, er terug in verdwijnt en alles van metaal om je heen begint draaien, ben je helemaal vertrokken met je Sojoez. Wat niet bleef behouden van mijn verwachtingen waren de lichtflitsen en de bijhorende flash-backs of flash-forwards. Eigenlijk lig je maar wat te liggen. Ongerust over alles wat er rondom jou aan het gebeuren is. Met een infuus in je arm. Te wachten tot dat het gedaan is.
Wanneer het afgelopen is, is het plots een mannelijke verpleger of radioloog die mij helpt om terug los en recht te komen. Niet dat ik op dat moment veel zin heb in extra stimuli in de vorm van rondzwevende nimfen. Maar bij het verlaten van de scanruimte zie ik de leuke krullebol wel raar opkijken vanuit het aparte lokaal met de vijfdubbelige beglazing. Niet dat ik er veel uit opmaak, maar de frivoliteit lijkt volledig weg. En die vreemde lege blik in haar ogen waarmee ze mij nakijkt blijft ook hangen om een of andere reden.
