Dit is de tweede keer dat ik in het AZ Maria Middelares ben. Verleden keer was het al laat en donker en was ik zo gefocused op mijn zo belangrijke consultatie bij Christian Decock dat ik niet veel opgemerkt heb van het ziekenhuis zelf. Maar deze keer is het nog volop dag. Bovendien was ik de vorige keer snel snel van het werk in Brussel naar hier gereden en was ik maar net op tijd. Nu was ik zelfs een half uur te vroeg. Zo rustig was het op de baan. En vergeleken met het vorige bezoek ben ik veel relaxter. Voor het eerst sinds lang heb ik het gevoel voortgeholpen te worden en dat geeft terug wat ademruimte en tijd voor andere dingen. Naast dit alles verhoogt vandaag het aantal contactpunten met het ziekenhuis zich aanzienlijk. Ik moet niet enkel op consultatie komen, maar ook een CT-scan laten uitvoeren en nadien een uur hier zien te overbruggen in afwachting van de eigenlijke consultatie. Tijd genoeg dus om alles een keer goed te observeren.
Twee dingen vallen me op. Het ziekenhuis is in al zijn spiksplinternieuwigheid supersimpel en dus supertoegankelijk georganiseerd. Vanuit de ene, grote, centrale patio worden de patiënten of bezoekers efficiënt uitgestuurd over het ganse gebouw. Wat een verschil met Gasthuisberg dat een reusachtig doolhof is met al zijn onderdelen en specialisaties. Natuurlijk, de schaal van beide gezondheidszorgondernemingen is volledig anders. In Gasthuisberg werken er meer dan 10,000 mensen. Hier misschien een goede 2,000? Maximum? Dus dit zal, minstens gedeeltelijk, het verschil verklaren. Het is gewoon gemakkelijker om een kleinere groep van mensen met een beperkt werkingsgebied te organiseren dan een hele grote groep van mensen die verondersteld wordt het ganse menselijke lichaam van a tot z klinisch te beheersen.
Maar er is nog een tweede ding dat mij nu pas enorm opvalt. Verleden keer had ik buiten Decock enkel nog zijn exotisch ogende secretaresse en zijn goedlachse, rossige assistent ontmoet en veronderstelde ik dat alleen binnen de bubbel van de door hem geleide praktijk zo’n gemoedelijke sfeer kon heersen. Maar nu stel ik tot mijn grote verbazing vast hoe vriendelijk de mensen hier allemaal wel niet zijn. En dit is pas echt een schokkende ontdekking na Gasthuisberg. In tegenstelling tot daar ben je in dit AZ geen nummer, dat door het gigantische, veelarmige monster eventjes opgeslokt wordt om nadien terug uitgespuwd te worden op straat, met een been minder of een extra neusgat of een gezwollen oog zoals ik. Hier word je behandeld als een mens. Bovendien lijkt dit te gelden voor de ganse organisatie; de mensen aan de receptie zijn supervriendelijk, het verplegend personeel is supervriendelijk, zelfs de specialisten hier blijken later telkens en allen weer supervriendelijk te zijn. Alleen al voor het personeel zou ik naar dit ziekenhuis komen als ik hier in de buurt zou wonen.
En dit is geen kwestie van schaal meer. Dit is puur bedrijfscultuur. En, opnieuw, voor mij, na mijn wedervaren bij Gasthuisberg, is dit een ware cultuurschok. In de volle betekenis van het woord. In het begin vraag ik me zelfs af of ik niet aan het dromen ben en van Wonderland terecht gekomen ben in Dromenland. Die hoge, open patio baadt met al zijn witte muren en glazen partijen in ieder geval ook in zo’n felwit licht. Dus dat zou wel kunnen kloppen. Maar als ik dan in mijn armen pits, merk ik dat het toch geen droom is. Het is alsof in Gasthuisberg met al zijn specialismen en onderdelen een afstand met de patiënt ontstaan is die hem alleen maar verder ontmenselijkt heeft. Je bent geen mens, je bent een oog, of een hart, of een been, of nog een ander op zichzelf staand lichaamsonderdeel. En op dit zo al moeilijk te beheersen mechanisme van specialisatie heeft er zich dan ook nog, misschien ook via de associatie met de KU Leuven, zelf ook al niet gespeend van enige grootheidswaanzin, een arrogantie geënt binnen alle geledingen van de organisatie. Want van boven tot onder op die berg is ieder individueel alleen maar verantwoordelijk voor dat ene kleine stukje dat onder hun functiebeschrijving valt. En zolang ze maar in dat ene kleine stukje de allerbeste zijn, als het enigszins kan de beste van de wereld, is het goed. Hoe dit echter past in een groter geheel dat uiteindelijk uitmondt in een mensenleven, met kinderen, vrienden, een beroep en andere sociale vertakkingen, daar wordt totaal geen rekening meer mee gehouden. Daar staat dit AZ tegenover: hier heeft men wel op een of andere manier een end-to-end benadering van de patiënt als mens weten te bewaren. En dus wordt er hier wel tegen een persoon gesproken, niet een wandelende zak van organen. De tegenstelling kan niet groter zijn. Ze, UZ Gasthuisberg te Leuven en AZ Maria Middelares te Gent bevinden zich beide op de tegenpolen van dit spectrum: groot, anoniem en onpersoonlijk versus klein, met naam en toenaam (er wordt net niet naar mijn koosnaam gevraagd) en menselijk.
Met verwonderde ogen sta ik, na de lunch in het open restaurant achteraan, in de grote hal rondom mij te kijken om dan plots een witte pancarte op te merken achter de receptie met daarop in blauwe letters: ‘AZ Maria Middelares Gent: GezondheidsZorg met een Ziel’. Dat is de nagel op de kop, vind ik. Dit ziekenhuis staat voor iets en heeft een ziel. Het is geen gedrocht dat met haken en ogen aan mekaar hangt met daar een rode lijn voor cardiologie en daar een gele voor radiologie en daar een groene voor neonatologie. Het is één organisatie met één cultuur die door al de onderdelen ervan gedeeld wordt. Zelfs die oerkatholieke naam, Maria Middelares, belichaamt voor een atheïst als mij volledig dat wat het is. Deze organisatie brengt effectief genade en verlossing naar die lijdende mensen hier in alle bescheidenheid, ontdaan van alle maskers, sociale tierelantijntjes en extreme afhankelijkheidsrelaties. We zijn allen één. Nu is het misschien de beurt aan jou, maar de volgende keer is het misschien de beurt aan mij. Zo wordt er hier omgegaan met elkaar. Eerlijk gezegd, ik was vergeten dat zo’n plekken bestonden.
