Opnieuw is er die rug. Maar deze keer ziet hij er wel een beetje anders uit. Een beetje krom en scheef. Hij hangt wat door naar links. En als ik ga zitten in de consultatiezetel blijft hij deze keer naar het computerscherm kijken. Dan draait hij zich weg van het scherm in mijn richting, maar enkel met zijn hoofd en nek, die rug en schouders blijven staan in die hoekige, scheve houding en zegt: “Mijnheer Hoskens, ik vrees dat ik slecht nieuws heb. De biopsie heeft aangetoond dat dat gezwel aan uw oog kwaadaardig is.”
Ik spring recht uit de zetel, richting deur, overweeg nog even terug naar buiten te lopen want er is duidelijk iets misgelopen. De deur is echter plots verdwenen. Of ze staat er nog wel, maar ik voel zo aan dat je die niet meer open krijgt. Ik draai me terug om, naar die rug, deins terug tot tegen de muur en grijp mijn haar vast. Ik vraag: “Kwaadaardig? Zoals in ‘kanker’? Heb ik kanker?” “Ik vrees van wel,” antwoordt hij, “of u hebt toch een kwaadaardige tumor daar, ja.” Het dringt nog altijd niet door. Kanker? Ik? Mijn ouders hebben nooit kanker gehad. In mijn familie zijn er enkele kankergevallen geweest. Maar telkens op oudere leeftijd. Ouderdomskanker, zo noemden wij vroeger de ziekte van mijn grootvader. 87 is hij geworden. Maar kanker op vijftigjarige leeftijd? Nooit. Of toch niet dat ik weet. Dan kan dit toch niet? Ik sta daar nog steeds tegen de muur met mijn handen in mijn haar. Dokter Decock heeft zich ondertussen wel helemaal omgedraaid en bekijkt me met grotere ogen dan ik gewoon ben van hem. Hij lijkt ook een beetje zenuwachtig want hij zit te draaien met een pen of iets anders in zijn handen.
Blijkbaar heb ik mijn laatste conclusie luidop uitgesproken want Dokter Decock reageert: “Toch is het zo, mijnheer Hoskens. Eerlijk gezegd had ik dit ook niet verwacht. Dat komt niet zo vaak voor op die plaats in een menselijk lichaam. Maar de CT-scan maakte me wel een beetje ongerust. Zo’n rare vorm had ik ook nog nooit gezien. Misschien dat u dat toen wel gemerkt hebt?” De stem van dokter Decock klinkt steeds verder en verder weg. Het is alsof ik met een lift aan het afdalen ben in een tunnel en dat hij boven is blijven staan. Ik kijk om mij heen en zie toch opnieuw de langgerekte bureau tegen de muur, het vertrouwde computerscherm, de consultatiezetel links onder het raam waar het zo aangenaam dansen was. Dat ziet er allemaal nog altijd hetzelfde uit. Wat is er hier dan net gebeurd? Dokter Decock is blijven voort babbelen. Hij zegt nog vanalles maar ik zit blijkbaar al redelijk ver in die tunnel. Ik beslis om terug in de zetel te gaan zitten. Door mezelf vast te haken aan een van die objecten hier kan ik misschien gemakkelijker terugkeren. Dan hoor ik mezelf vragen met nog steeds de handen in mijn haar: “Ga ik dan dood gaan? Ga ik sterven aan die tumor? Is dat hetgeen u bedoelt met ‘kwaadaardig’?” De vraag overvalt hem blijkbaar. Hij kijkt even in het rond en zegt dan: “Neen, u gaat nu niet sterven.”
Die nu stoort mij mateloos. Dus herhaal ik: “Ga ik sterven aan die tumor? Door die trut?! Wat heeft die allemaal niet gedaan???” Even val ik stil want het besef van wat er allemaal gebeurd is, slaat verder toe. Terwijl ik me vastklamp aan de zetel zie ik alles terug langs flitsen: die maanden van wachten, de operatie in Leuven, hoe nadien het ding in mijn oog ontplofte, hoe ik moest aandringen om hulp te krijgen… en dan nog niets kreeg buiten wat antibiotica en cortisone. “En ik was daar keivroeg bij!,” roep ik plots terug uit met mijn handen opnieuw ergens boven mijn oren. “Dankzij mijn zwembrilletje! Dankzij het zwemmen! Dat was een keiklein bobbeltje toen ik voor het eerst naar die onnozel oogartsen ging! En ziet dat nu! Hoe groot dat gezwel niet is! Is dat kanker???” Dokter Decock kan het even niet meer aan of anders voelt hij zich aangesproken door die ‘onnozel oogartsen’ want hij zegt: “Sorry, mijnheer Hoskens, ik ben dit ook niet gewoon. Om zo’n slecht nieuws te brengen bedoel ik. Maar u gaat nu niet sterven. We moeten nu zien wat de volgende stappen zijn in uw behandeling. Ok?” Ik voel me een beetje aangesproken als een schoolkind dat iets fouts gezegd heeft in de klas en terecht gewezen wordt. Maar ik ben geen schoolkind. En ik heb niets fouts gezegd of gedaan. Dokter Decock voelt, denk ik, de plotse vijandigheid en beslist een time out in te lassen. Hij zegt: “Wilt u anders even bekomen? Even op uzelf zijn? Anders kunt u even naar een bureau iets verder in de gang? Ik weet dat die nu vrij is. U kunt daar misschien ook een telefoontje plegen?”
