17 december 2018 18u30 – Een echt wit konijn uit een hele hoge hoed

Ik zou naar Tin willen bellen, maar dat gaat niet want zij is op dit moment avondles aan het geven. Dus bel ik vlug naar Victor, mijn vriend die het beste weet om te gaan met menselijke zwakheden, met incasseren en in ruil niets terug eisen, buiten misschien mijn onvoorwaardelijke liefde, maar die heeft hij al. Bovendien heeft hij ook heel weinig last van buitensporige verwachtingen naar anderen toe. Bij hem loop ik dus het minste risico op ongewenste gevolgen, zoals wederzijdse teleurstellingen, teleurstelling bij mij in hem omdat hij ook niet weet hoe om te gaan met zo’ne hoop shit en teleurstelling bij hem in mezelf omdat ik niet sterk genoeg ben om het allemaal op mijn eentje te dragen. 

Hij probeert mij zo goed als mogelijk op te vangen. Luistert vooral. Daar is hij altijd al bijzonder goed in geweest, Victor. Misschien komt dat wel door zijn spierziekte? Is hij al gans zijn leven, of toch sinds zijn zesde, toen die ziekte begon, verplicht om te luisteren naar al die zever van al die anderen? Weglopen kan hij gewoon niet. Achteraf ontdek ik op de maandelijkse factuur van Telenet dat we in totaal 12 minuten en 36 seconden gebeld hebben. Waarover, of wat we allemaal gezegd hebben, weet ik niet meer zo goed. Ik herinner me vooral een gevoel van totale wanhoop, van zwaar gefucked te zijn, en de naam Mombaerts die herhaaldelijk viel samen met wat krachttermen. Ook Gasthuisberg kwam uitvoerig aan bod. Hoe dat die mensen met mijn leven gespeeld hebben, van in het begin tot op het einde, is gewoon hallucinant, vindt ook Victor. Na afloop van het gesprek probeer ik mijn gedachten verder te ordenen. Alles op een rijtje te zetten. De conclusie is eigenlijk heel simpel: dat ding aan mijn oog moet er onmiddellijk uit. Of toch zo snel mogelijk. Liefst vandaag nog. Ten laatste morgen. Dankzij die onnozele trut, Hartenkoningin, zit het er al veel te lang. Dat moet er zo snel mogelijk uit.

Als ik bij Dokter Decock terug aankom, en mijn eis op tafel smijt, reageert hij direct heel terughoudend. Onmiddellijk opereren gaat niet zegt hij. Er moet eerst nog vanalles onderzocht worden. “Nog bijkomend onderzoek?,” reageer ik geïrriteerd. Ik heb gewoon geen zin meer in verder uitstel. “Wat moet er dan allemaal nog onderzocht worden?,” vraag ik uitdagend. “Wel, ik ben zelf geen oncoloog,” valt hij terug in zijn rol van danspartner, “maar ik heb wel overleg gepleegd met een oncoloog van het ziekenhuis hier. En het eerste wat onderzocht moet worden is of dat gezwel primair of secundair is. Afhankelijk daarvan kan er een behandeling opgestart worden. Primair wilt zeggen dat het gezwel zich enkel daar bevindt en nergens anders. Secundair wilt zeggen dat er zich elders ook nog andere brandhaarden bevinden.” “Ik vermoed dat primair het beste zou zijn,” opper ik stilletjes. “In principe wel,” zegt hij, “alhoewel dat niet noodzakelijk zo is. Dat hangt van de individuele casus af. Maar vooral ook is er het type tumor dat u hebt. Dat doet zich meestal voor bij mensen die longkanker hebben en daarom is de mogelijkheid dat het bij u secundair is reëel. Dus dat moet zeker eerst afgechecked worden. Zodat de juiste behandeling opgestart kan worden.” “En wat voor onderzoeken gaan dat dan zijn?,” reageer ik, zeer verveeld omdat zijn discours weer zo logisch in mekaar zit. “Bijkomende scans, voor zover ik het begrepen heb. Maar ik stel voor dat u dit allemaal bespreekt met de oncoloog, mijnheer Hoskens. Hij is de specialist op dit domein.” “En welke oncoloog is dat dan?” “Een oncoloog van dit ziekenhuis. Een heel competent man, als u het mij vraagt. Als u wil, ik heb al een afspraak met hem geregeld. Ik heb een beetje moeten aandringen want zijn agenda zit ook stampvol. Nu woensdag, overmorgen, om 12u30 op de middag, gaat dat voor u?” “Ja natuurlijk, gaat dat. Vanaf nu gaat alles kunnen voor mij, denk ik,” antwoord ik moedeloos.

Maar verder uitstel zie ik echt niet meer zitten, na al de tijd die ik al verloren heb in Gasthuisberg en breng dat dan ook terug sprake. En hier komt nu de aap uit de mouw. Of toch een wit konijn, zo’n klassiek konijn dat uit een hoge hoed komt, niet die eerste assistente van Hartenkoningin met de blonde snorharen. Want op dit punt aangekomen voelt Dokter Decock zich verplicht zijn confrater in bescherming te nemen. Hij zegt, “Mijnheer Hoskens, wat betreft Professor Mombaerts, zo’n verkeerde diagnose had ik misschien ook nog wel gemaakt. Het is bijzonder zeldzaam, een gezwel op die plaats, begrijpt u? En dan met die locatie… Ik had misschien ook wel gedacht dat het een ontstoken traanzakje was.” Decock voelt mijn protest al komen en steekt zijn hand op om het af te weren. “Maar waar u wel gelijk in hebt, vind ik, is dat de opvolging echt wel niet correct is geweest. Als je zegt “dat heb ik nog nooit gezien”, op dat moment moet je als arts beginnen onderzoeken wat er juist aan de hand is.” 

Ik kan mijn oren even niet geloven. Vraag me af of dit een directief zou zijn van de Orde der Geneesheren: ‘Dek mekaar altijd in. Zelfs als het overduidelijk is dat uw confrater zware fouten heeft gemaakt.’ Nu, hij mag misschien zo’n directief ontvangen hebben, ik niet. Bovendien ben ik hier onmiskenbaar het slachtoffer. Van de incompetentie van een oftalmoloog, van de onmetelijke arrogantie van een katholieke universitaire kliniek of van het falen van een systeem of alles samen. Daarom antwoord ik ook: “Ik geloof u niet, Dokter Decock, als ik zie hoe systematisch u de dingen aanpakt. U hebt in twee weken tijd duizend keer meer gedaan dan Professor Mombaerts op zes of acht maanden tijd. U beseft toch dat het enige dat zij gedaan heeft op al die tijd gewoon wat duwen met haar wijsvinger op die bobbel is geweest? En dat ze voor de rest niets gedaan heeft? Buiten een verkeerde operatie uitvoeren? En wat antibiotica voorschrijven? Misschien zelfs in dat gezwel heeft zitten snijden? Het ding in mijn ooghoek is in ieder geval helemaal ontploft door die operatie.” Hier doet dokter Decock er het zwijgen toe. Ik vraag nog achter de naam van de oncoloog en verlaat letterlijk als een kip zonder kop de consultatieruimte, bots tegen enkele muren op weg naar buiten en een andere bezoeker in de grote draaideur beneden. Bij mijn auto aangekomen, ga ik bijna door mijn knieën. Ik kan ze nog net op tijd blokkeren door mijn spieren op te spannen. Als ik de deur eindelijk open krijg, laat ik me zijdelings vallen in mijn zetel en trek mijn benen met mijn handen naar binnen. Zoals Victor vroeger altijd deed, toen hij zelf nog kon wandelen. Een vijftal minuten zit ik enkel wat te ademen in mijn auto. Wat voor me te staren naar dat kunststoffen dashboard met die oranje lichtjes. Dan zet ik de radio aan op zoek naar die wereld die toch bestond tot zo’n uur geleden. Het is net nieuws. En ze zijn weeral over die onnozele Brexit bezig.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie