Nu dat de diagnose ‘een kwaadaardig gezwel’ blijkt te zijn, beslis ik onmiddellijk een berichtje te sturen naar Willem, mijn vriend-chirurg-oncoloog dankzij wie ik na het rampzalig parcours in Gasthuisberg hier bij AZ Middelares eindelijk hulp gevonden heb. Dat het eventueel kanker kon zijn, en dit klinkt misschien naïef, heb ik nooit serieus overwogen. Zelfs toen die Hartenkoningin haar nu nog meer ridicule statement formuleerde ‘Maakt u geen zorgen mijnheer Hoskens. Als daar iets tumoraals zit, had ik dat toch al lang gezien tijdens de operatie?’, was mijn eerste gedachte: “Waar begint die trut nu weer over?” En zelfs toen dokter Decock voorstelde om een biopsie te laten doen, en dit zal waarschijnlijk helemaal belachelijk klinken, leek mij dat gewoon een formaliteit. Of zelfs niet, leek mij dat gewoon een manier om eindelijk nu eens te weten komen wat voor een weefsel daar zat – maar het was al zeker geen kanker; daar was geen onderzoek voor nodig, dat was al duidelijk voor iedereen. Het is alsof wij mensen niet alleen denken dat we onsterfelijk zijn – zoals Freud voldoende bewezen achtte door die jonge soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog zonder al te veel problemen een bijna zekere dood tegemoet liepen richting mitrailleurs en mortieren en kogels spuwende geweren met een onnozele bajonet in de aanslag – maar er ook nog eens alles aan doen om zelfs de mogelijkheid van de eigen dood zo veel en zo lang als mogelijk te negeren. Een beetje zoals een kip die zelfs als ze doodziek is nog altijd doet alsof er helemaal niets aan de hand is want anders, denkt het dier, gaan die vos en die marter mij zeker pakken, de vreetzakken.
Aanvankelijk twijfel ik nog even om Willem te bellen, maar besef al gauw dat ik daar de kracht niet voor heb. Die radio opzetten is blijkbaar zo’n beetje het maximum van wat ik nu nog aankan. Er naar luisteren lukt al bijna niet meer. Dus hoe zou ik in hemelsnaam een gesprek kunnen voeren? Ik opteer dan ook voor een kort mailtje, verontschuldig me dat ik hem weeral lastig val, waarna ik onmiddellijk met de deur in huis val en tegen hem zeg dat het gezwel kwaadaardig blijkt te zijn. Ook, na al mijn slechte ervaringen met Mombaerts, heb ik geleerd niet langer af te gaan op titels en profiteer van de gelegenheid om de naam van de oncoloog van AZ Maria Middelares door te geven met de vraag of Willem die kent en weet of dat een goede oncoloog is.
Na het sturen van de mail, zet ik mijn auto in gang en rijd de stalen parking van drie verdiepingen hoog af, richting autostrade. Nog meer oranje lichtjes wenken me daar richting Kortenberg, in vogelvlucht 8 kilometer van het hatelijke Gasthuisberg, maar nu meer dan 70 kilometer verwijderd van mij. De vorige keren heb ik het verschil in afstand er zonder problemen bij genomen, maar nu lijkt mij de enorme afstand plots onoverbrugbaar. Op automatische piloot volg ik de oranje lichtjes van de verlichtingspalen voor mij. En na een aantal kilometer zie ik alleen nog de witte strepen op het donkere asfalt passeren. Dan, opeens, bevind ik me, met wagen en al, in een tableau vivant. Voor mij zit er een oude, vuile heks met vettig lang haar, aan een bureau in een volledig witte kamer afgebakend tot op de centimeter door de witte strepen. Wanneer mijn lichten haar raken, draait ze haar hoofd om naar mij, spert haar mond met donkerrode, dik aangebrachte lippenstift wagenwijd open en gilt met een vreselijke, krakende stem: “Maakt u geen zorgen mijnheer Hoskens! Als daar iets tumoraals zit, had ik dat toch al lang gezien tijdens de operatie?!” Wanneer ik haar omver rijd, begint ze krijsend te lachen. Uiteindelijk zal ik haar op weg naar huis zo’n honderd keer omver rijden. En ze blijft maar lachen.
Nog voor ik thuis kom, antwoord Willem me al. God zij dank ben ik net gearriveerd in de Armendaalwijk van Kortenberg waar sinds kort een snelheidslimiet van 30km/u geldt omdat de arme buurtbewoners het schandalig vinden dat door werken in de straat beneden nu de auto’s tussen hun chique villa’s door moeten rijden. Dit ondanks het feit dat vlak voor de werken slimme camera’s op strategische punten in dienst genomen zijn die alle sluipverkeer tussen Brussel en Leuven uit alle Kortenbergse straten bannen op straffe van zware financiële boetes. Terwijl hetzelfde sluipverkeer jaren aan een stuk en masse door de gewone straten van Kortenberg aan 70km/u en meer denderde. Dat het kleine restant van auto’s nu aan 30 km/u maximum door Armendaal mag rijden is bovendien gewoon een logische keuze want zo’n wijk met huizen die op twintig meter van elkaar en op minstens 10 meter van de straat liggen, is toch zeer gelijkaardig aan een schoolomgeving in het centrum van een stad met drukke kruispunten in de buurt en zebrapaden alom, of niet soms? En ja, het helpt natuurlijk wel als je ook nog wat connecties hebt met het gemeentebestuur via lokaal verankerde schepenen. Hoe dan ook, ik prijs me gelukkig onmiddellijk over een vrije parkeerplaats van zo’n twintig meter lang tussen twee andere auto’s in te beschikken en kan me dus even stil zetten terwijl ik het berichtje rustig lees.
Willem zegt me dat het hem spijt dat ik zo veel pech heb maar spreekt me ook moed in. Hij zegt dat tegenwoordig in twee op de drie gevallen genezing van een tumor mogelijk is en dat we daarvoor moeten gaan. Hij vraagt of ik hem de resultaten van de biopsie en de CT-scan kan laten bezorgen en dat hij mee zal uitzoeken wat de beste behandeling is. Het eenvoudige, geruststellende bericht brengt me aan het huilen en voor het eerst sinds de diagnose eerder op de avond rollen de tranen over mijn wangen. De tranen zijn echter niet alleen omwille van de diagnose, maar ook van opluchting. Want wat Willem mij probeert te zeggen, is dat er nog hoop is. Dat het misschien toch nog mogelijk gaat zijn om te genezen. Iets wat ik sinds het verdict viel twee uur geleden niet meer voor mogelijk hield. Uitstel van executie dat leek mij zowat het meest haalbare. Ik antwoord: “Echt superhard bedankt Willem! Ik zou willen dat iedereen zo’n chirurgenvriend als jou had.” Maar ik heb mijn opluchting en dankbaarheid nog maar net op mijn scherm gesmeten of de twijfel slaat weer toe. Het is vooral de ligging van het gezwel en de staat van mijn oog dat mij zorgen baart. Ik voeg dan ook nog snel toe: “Want zo’n groot ding in een oogkas, in zo’n zacht weefsel, in het hoofd, dat klinkt voor mij toch dodelijk, moet ik zeggen.” Wat betreft de oncoloog van AZ Middelares weet Willem me nog te melden dat hij hem inderdaad kent en volgens hem bijzonder competent is. Ook dit laatste doet deugd om te vernemen want het belang van ‘in goede handen te zijn’ wordt zwaar onderschat in deze wereld van onsterfelijke mensen met witte tanden en triomfantelijke bucket lists op Instagram en co.
