“Kan ik jou even apart spreken, Jean?” “Ja, natuurlijk.” Hij staat recht en wandelt een beetje verveeld naar een aparte vergaderzaal. Je ziet dat aan het waggelen. Als hij zo al wandelend begint te slingeren met zijn armen en benen. Dan weet je dat het hem allemaal een beetje te veel wordt. Ik denk dat hij verwacht dat ik ontslag ga nemen. Dat ik het eindelijk opgeef. Vaak wordt “Kan ik jou even apart spreken baas?” toch gevolgd door die officiële mededeling. Het is in ieder geval ook de tijd van het jaar. Zo vlak voor de Kerstvakantie en het nieuwe jaar. Het budget voor volgend jaar ligt inmiddels vast, is goedgekeurd tot op de hoogste echelons en nu gaan ze het moeten realiseren, die bedrijven. Tijd voor wat versterking. Of, na de afgelopen dertig jaar van cost cutting, toch wat gaten opvullen hier en daar. Misschien is hij wel een beetje opgelucht. Eindelijk van die vervelende Hoskens vanaf. Met zijn eeuwig gezaag over hoezeer we totaal geen marketingbedrijf zijn en al die andere muggenzifterij. ‘Weer een zorg minder’ zal hij misschien denken.
Wanneer we in de kleine vergaderzaal komen, gaat hij in de uiterste hoek zitten van het zaaltje. Nog een teken dat hij zich aan het ergste verwacht. Normaliter gaat hij altijd in het midden zitten. Klaar om alles op te vangen wat op hem afkomt. Het absurde is wel dat wat mij betreft het ook het ergste is dat op hem afkomt. Maar wie denkt er aan de dood in een werkomgeving? Het is een beetje zoals die soldaten van de Eerste Wereldoorlog, die dachten dat, misschien hun maten wel, maar zij zelf niet gingen sneuvelen. Net zoals die soldaten werken we allemaal ook alsof we eeuwig gaan leven. Zeg nu zelf, anders zouden we al die zever toch niet volhouden? Wie van ons zou blijven werken als hij zou weten dat hij morgen zou gaan sterven? Of binnen een maand? Of zelfs binnen een jaar?
Ik val met de deur in huis: “Jean, je weet, dat ding aan mijn oog?” Hij knikt. “Ik ben gisterenavond te weten gekomen dat het kwaadaardig is. Dat het kanker is.” Nu trekt hij bleek weg. Zijn ogen staan ineens bedrukt en twijfelachtig. Zijn vader heeft ook al een tijdje last van een hersentumor. Misschien dat hij daaraan moet denken. Hij zegt: “Wow Patrick, meen je dat?” “Ik vrees van wel. Alles wat er gebeurd is in Gasthuisberg, is allemaal fout geweest, Jean. Het was helemaal geen ontsteking van een traanzakje. En het is dus geen ontsteking die ontploft is in mijn oog na een slecht uitgevoerde operatie. Het is een kankergezwel dat ongeremd is beginnen woekeren na een verkeerde operatie. En dat allemaal samen heeft dan ook nog eens veel en veel te lang geduurd.” Hij vindt het verhaal al net zo gruwelijk en ongeloofwaardig als ikzelf; dat zoiets mogelijk is aan een gereputeerde kliniek als Gasthuisberg, wie had dat ooit gedacht?
Als een echte baas wilt hij echter vooral ook vooruit kijken. Hij vraagt: “Wat zijn de volgende stappen, Patrick?” Ik leg hem het verschil uit tussen primair en secundair, net zoals Christian Decock het aan mij de dag voordien uitgelegd heeft. “Ze gaan mij vragen om nog een aantal scans te laten doen. Om te zien of de kanker zich enkel aan mijn oog bevindt of ook nog elders. Morgenmiddag heb ik een afspraak met een oncoloog.” “Je doet maar wat je moet doen Patrick. Het werk kan nu wel even wachten.” “Daarover gesproken Jean, ik heb nog redelijk wat van die ouderschapsverloven staan die ik in principe voor het einde van het jaar moet opnemen. Ik stel voor dat te doen en die te gebruiken voor de extra onderzoeken. En vanaf Kerstmis was ik sowieso op verlof tot begin januari. Is dat ok?” “Ja, dat is allemaal ok, Patrick.” “Dan kan ik tussendoor de dingen nog afsluiten die ik nog moet afsluiten, zoals dat ene offer voor KBC. Is dat ok voor jou, Jean?” “Allemaal goed voor mij Patrick. Neem al de tijd die je nodig hebt. Zie gewoon dat je beter wordt.” Het verschil tussen een goede baas en een slechte baas: in hoeverre kan hij (of zij) de andere los laten zonder nog eens goed na te stampen over to do’s, verantwoordelijkheden en de hoop werk die nadien en onvermijdelijk wacht.
