19 december 2018 12u30 – My first encounter of the third kind with a medical oncologist

Broederlijk (of zusterlijk) zitten ze naast elkaar aan een kleine tafel. Ik aan de overkant van diezelfde tafel. Alsof ik een examen moet zien te passeren en zij de jury zijn. De oncoloog links, aan de kant van de computer natuurlijk, vlak aan die moderne bron van alle kennis en wetenschap. De verpleegster rechts, een beetje zijwaarts toch, enig respect voor gezag en orde moet er blijkbaar zijn, ook hier in het AZ Maria Middelares.

Er wordt mij weer gevraagd kort uiteen te zetten wat er allemaal gebeurd is. Ik probeer het ganse verhaal zo volledig mogelijk te brengen, inclusief zwembrilletje, Hartenkoningin, foute operatie, ontploft oog, vlucht in de nacht weg van Gasthuisberg helemaal vanuit Kortenberg naar het verre Gentse, tot en met de diagnose van een ‘kwaadaardig gezwel’. Het is vooral de verpleegster die het verhaal met enige betrokkenheid volgt afgaande op haar zorgelijke blik en af en toe een zucht. De oncoloog zelf zit maar met een half oor te luisteren en vanaf het moment dat het woord ‘biopsie’ valt, zit hij voortdurend naar zijn computerscherm te kijken. En ik weet niet wat ik fout doe in de loop van mijn verhaal – het woord bekt inderdaad niet zo goed, toch niet in mijn mond – maar de oncoloog vindt het nodig om op een bepaald moment heldhaftig en zonder omwegen het k-woord op tafel te smijten. Met enig verwijt in zijn stem stelt hij uit het niets en toch nadrukkelijk: “Het gaat hier wel over kanker hein!” Alsof het allemaal mijn schuld is of alsof ik naar zijn normen nog steeds niet genoeg besef wat er aan de hand is. Zelfs de verpleegster verschiet van zijn uithaal, kijkt een beetje verbaasd zijwaarts, maar zegt niets. Zelf antwoord ik aarzelend: “Ja, zo had ik het ook begrepen.” 

Maar misschien reageer ik weer, zoals zo vaak, veel te defensief en heeft het allemaal niets met mij te maken. Want het is alsof de oncoloog door zijn eigen uitspraak zichzelf tot de orde roept. Of nu dat het vastgesteld is en formeel bevestigd geworden is door alle betrokken partijen, waaronder hijzelf, dat het hier wel degelijk over kanker gaat, schiet hij toch in gang. Hij begint met, net zoals Decock enkele dagen geleden, het verschil tussen primair en secondair uiteen te zetten en, in het verlengde daarvan, te wijzen op het belang van verder onderzoek. Zelf begrijp ik ondertussen dat verzet nutteloos is en vraag wat er dan juist dient te gebeuren qua onderzoek. “Er dienen twee scans afgenomen te worden,” luidt het antwoord, “een PET-scan en een MRI-scan.” “En waarom net die twee scans?,” vraag ik geïnteresseerd terug. En het is vreemd, maar mijn tweede vraag is ondanks mijn oprechte interesse blijkbaar weer een brug te ver voor de oncoloog. Want hij begint terug naar zijn computerscherm te staren terwijl de verpleegster overneemt en antwoordt op mijn vraag: “De PET-scan is nodig omdat we een volledige check-up van jouw lichaam moeten doen. Maar jammer genoeg is een PET-scan niet zo performant voor wat betreft het zenuwstelsel en dan vooral de hersenen. Daarom hebben we ook nog een MRI-scan nodig. Het is de enigste manier om een volledig beeld te krijgen van jouw lichaam.” “Ah, ok.” Nu dat die vervelende informatieronde helemaal achter de rug is en we naar de praktische zaken van de dag kunnen overgaan, draagt de oncoloog de rest van de consultatie over aan zijn assistente zodat hij zich kan blijven concentreren op het computerscherm: “Petra, onze oncocoach hier, heeft al enkele data vastgelegd waarop het nog mogelijk zou kunnen zijn om op korte termijn die scans uit te voeren.” “Oncocoach?” “Ja, zo noemen wij hier het verplegend personeel gespecialiseerd in het begeleiden van mensen zoals u.” “Ah, ok.”

De oncocoach neemt plichtsgetrouw over en zegt: “Voor de PET-scan, mijnheer Hoskens, doen wij wel beroep op de diensten van een ander ziekenhuis want zelf hebben wij niet de apparatuur om dat te doen. Het gaat om het Sint-Lucas ziekenhuis in het centrum van Gent. Weet u dat zijn?” “Niet echt, maar dat is geen probleem, daar bestaat een GPS voor, niet waar?” “Wel, als dat gaat voor u, daar is er nog plaats voor een PET-scan ‘s ochtends vroeg op 21 december om 8 uur. Zou dat voor u lukken? En zo vroeg, komende van Kortenberg?” Ik moet terug denken aan wat ik geantwoord heb aan dokter Decock, dat vanaf nu alles gaat lukken voor mij. Ik antwoord gelaten: “Ja, natuurlijk.” “De MRI-scan daarentegen doen wij zelf en hier hebben we nog net voor het begin van de Kerstvakantie een slot gevonden maar het is wel op een zondag: op 23 december om kwart voor 12 op de middag. Lukt dat ook voor u?” “Ja, dat gaat allemaal voor mij.”

Nu dat de consultatie ten einde loopt, acht ik het moment gekomen om een vervelende, persoonlijke vraag te stellen. Wij hebben als gezin, voor ons de zalige gewoonte, voor anderen de vervelende gewoonte, om elk jaar van Kerstmis tot en met Nieuwjaar een grote stad te bezoeken om op die manier enerzijds wat family quality time onderling door te brengen en anderzijds aan alle vervelende vragen en vooral verwachtingen in verband met Kerst- en Nieuwjaarsfeestjes te ontsnappen. Fantastische formule om de feestdagen door te brengen. In onze eigen volkstaal: we vertrekken voor dat de shit begint en komen pas terug als het gedaan is. Wij zijn zo al naar Berlijn, Parijs, Hamburg, Warschau, etc… geweest. En dit jaar stond Boedapest op het programma. We hadden een fantastisch appartement geboekt in de universiteitswijk van Boedapest op Airbnb. En één overnachting op weg daar naartoe in Nurenberg op Booking.com. We zouden vertrekken op de 25ste, na het Kerstdiner bij mijn zuster, en terugkomen op 2 januari. En nu is de grote vraag, heeft dat nog zin? Als je een week voor het vertrek een diagnose als ‘kwaadaardig gezwel’ te horen krijgt? En vooral, is dat allemaal wel een goed idee? Moeten we niet hier blijven om een behandeling op te starten? Het probleem is echter dat het probleem stellen zelf al totaal absurd aanvoelt. Het is een vraag van de levenden en ik bevind me nu al sinds twee dagen in het land van de doden. Niets van wat ik zie of hoor heeft nog de kleur van het leven of gewoon enige schittering in zich. Alles is dof en oninteressant geworden. Het enigste dat mij nog boeit is dat ding in mijn oog dat er zo snel mogelijk uit moet. Koste wat het kost. Maar ik kan misschien wel vlot de verwachtingen van familie en vrienden fnuiken, die van mijn kinderen zijn een ander verhaal. En dus leg ik als een echte pater familias voorzichtig de vraag op tafel: “Zou dat wel een goed idee zijn? Om nu tijdens de vakantie een weekje naar Boedapest te gaan? Want tijdens de vakantie gaan jullie toch niet veel doen, niet? Of zou ik beter thuis blijven? Gaan er al nieuwe stappen gezet kunnen worden in het kader van mijn behandeling?”

Tot mijn verrassing gaan zowel de oncoloog als de oncocoach akkoord dat dat misschien niet zo’n slecht idee is. Ondanks het feit dat ze me eerst wat verbaasd aankijken en duidelijk zelf ook niet goed weten hoe om te gaan met zo’n vraag van de levenden. Maar ze bekennen dat ze inderdaad zelf ook afwezig zijn in die periode. Dus veel zin heeft het niet om thuis te blijven. “Het belangrijkste,” zeggen ze, “is dat de scans zo snel mogelijk plaats vinden.” Zodat na de vakantie de behandeling ook zo snel mogelijk opgestart kan worden. En gelukkig voor mij kunnen de twee scans nog net plaats vinden voor de Kerstvakantie. “Wanneer bent u juist terug?,” vraagt de oncocoach. “Twee januari.” ”Ah, ok, dan stel ik voor dat we een nieuwe afspraak plannen op 3 januari om 17uur ‘s avonds. Gaat dat voor u?” “Ja hoor, dat gaat allemaal voor mij.”

De consultatie is afgelopen. De oncoloog staat recht en verlaat de kamer met een stevige fitness handdruk. Maar waar ik verwacht had gewoon opgelucht te zijn omdat de scans snel gaan kunnen plaats vinden, of misschien omdat we dan toch de familiekersttraditie in ere gaan kunnen houden, voel ik vooral een enorme hopeloosheid over mij neer dalen. Het is alsof de daadkracht van de oncoloog bij mij een averechts effect heeft. En vooral dat een stappenplan zonder empathie voor mij geen zin heeft. De verpleegster heeft het echter door en neemt mij snel even apart op weg naar buiten. Ze zegt: “Maakt u geen zorgen, mijnheer Hoskens, we gaan sowieso een behandeling voor u vinden hoor.”

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie