‘S avonds bel ik vlug even naar Willem. Zoals altijd is hij de positiviteit zelve en vraagt zelfs enigszins enthousiast hoe het gegaan is in Maria Middelares. Ik antwoord: “Goed, denk ik. De oncoloog heeft mij net zoals Decock uitgelegd wat het verschil is tussen primair en secundair en gezegd dat verder onderzoek nodig is.” “Ah, en wat heeft hij dan voorgesteld?” “Hij heeft voorgesteld om een PET-scan en een MRI-scan te laten doen.” “Dat lijkt mij een heel correct voorstel, Patrick! En waar? Want ik geloof dat Maria Middelares zelf geen PET-scan heeft staan.” “Neen, inderdaad. De PET-scan zou plaats vinden in Sint-Lucas, weet jij dat zijn?” “Ja, natuurlijk,” reageert Willem op mijn domme vraag, “daar is pas onlangs een volledig nieuw centrum voor radiologie open gegaan. Dus dat zou ok moeten zijn. En de MRI?” “De MRI die zou wel in Maria Middelares kunnen plaats vinden.” “Ah, goed. En wanneer juist?” “De PET-scan op 21 december en de MRI-scan op 23 december.” “Ah, volgende week al. Dat is heel goed, nietwaar Patrick?” “Ja, inderdaad. Want ik had de indruk dat het dat was of pas na de Kerstvakantie. En om nu heel de vakantie te gaan wachten tot dat de eerstvolgende stappen gezet konden worden, dat zag ik toch ook niet zitten.”
Ik zou willen dat ik hier het gesprek zou kunnen eindigen, op deze positieve noot, maar ik kan het toch niet laten en zeg tegen hem: “Willem, er is wel iets heel vervelends dat ik moet zeggen en ik weet niet juist hoe. Dat kan best een hele competente oncoloog zijn, die van AZ Middelares, maar hij geeft mij wel geen gevoel van hoop. Begrijp je wat ik wil zeggen? Want ik weet niet hoe ik het anders kan zeggen.” “Niet echt, wat bedoel je?” “Wel, die oncoloog spreidt allerlei daadkracht ten toon, hij heeft zelfs het k-woord zo maar op tafel gesmeten, maar veel empathie heeft hij niet precies.” “Het k-woord op tafel gesmeten?” “Ja, opeens zei die, in het midden van de consultatie: “Het gaat hier wel over kanker hein.””Meent ge dat?” “Ja, alsof ik het nog niet door had of niet goed besefte wat er aan de hand is. Nu, misschien is dat ook wel zo. Ik ken kanker alleen vanuit de boekskes. Allez, veel weet ik er toch niet van.” “Ja, maar, dan moet hij dat toch nog altijd niet zo ter sprake brengen, vind ik.” “Ja, ik verschoot wel, moet ik zeggen. Zelfs de verpleegster die d’rbij was, verschoot.” Even aarzel ik. Zeg dan: “Het is alsof hij zelfs niet kan inschatten wat de impact van zoiets is op iemand zoals mij. Nogmaals, veel inlevingsvermogen heeft hij precies niet, die oncoloog. Of anders heeft hij misschien dringend nood aan vakantie, dat kan ook natuurlijk. Hij zag er in ieder geval heel moe uit.”
Misschien omdat de negatieve noot al te lang duurt, of misschien omdat hij zelf ook te veel werk heeft, verandert Willem nu snel van onderwerp, en merkt op dat hij nog altijd geen toegang heeft tot mijn medisch dossier. Ik beloof hem dat ik de dag daarop een keer zal bellen naar de oncocoach die me net voor mijn vertrek haar visitekaartje met contact details en al heeft gegeven. Op dat moment was ik een beetje de kluts kwijt door het simpele feit dat zij met zo’n onnozel visitekaartje afkwam, maar nu ben ik blij dat ik het papieren, blauw-witte kleinood gekregen heb.
