22 december 2018 11u32 – Soms wilt de boodschapper van slecht nieuws zelf ook gewoon sterven, liefst nog voor dat hij het gebracht heeft

We hebben expres gewacht tot vandaag om het te zeggen. Tot enkele dagen geleden hadden ze nog examens en ze hebben hun rapport pas gisteren, de laatste schooldag voor de Kerstvakantie, gekregen. We zijn gisterenavond nog de goede resultaten gaan vieren in Brussel met een film in de nieuwe cinema Palace op de Anspach. Kwestie van closure in deze overdrukke tijden waar als je niet oppast niets nog een begin en een einde heeft. Ze zijn samen in de lange zetel gaan zitten. Om een beetje afstand te bewaren ben ik op een krukje er schuin voor gaan zitten.

Ik zeg: “Ik vrees dat ik slecht nieuws heb, Sam en Ella.” Ze waren net nog onnozel aan het doen tegen Tin die naast hen was komen te zitten. Nu kijken ze verschrikt op. “Is er iemand gestorven?,” vraagt Sam. “Neen, dat is het niet.” “Kunnen we niet naar Boedapest?,” vraagt Ella. “Euh, ja, inderdaad, dat ook. Maar dat is niet het slechte nieuws, vrees ik.” “Kunnen we niet naar Boedapest?,” roept Sam nu. “Neen, we kunnen niet naar Boedapest. Maar dat is dus eerder het gevolg van het slechte nieuws dan de oorzaak.” Ik beslis om de pijn kort te houden en zeg: “Jullie weten die zwelling aan mijn oog, sinds die onnozel operatie in Leuven?” “Ja?,” zeggen ze bijna synchroon, de twee monsters. “Wel, ik heb dat laten onderzoeken en het blijkt dat dat kwaadaardig is, dat het kanker is.” 

Net zoals bij mij is de impact van het k-woord onmiddellijk en gigantisch. Ella roept uit: “Papa, ga jij sterven!,” springt recht en vliegt in mijn armen. Sam volgt twee seconden later want die heeft een al wat langer, puberend lichaam en begint al volwassener te reageren op externe prikkels, met traagte en terughoudendheid, zoals het hoort bij die grote mensen. Nu liggen ze beiden in mijn armen te snikken. Ik breng uit: “Nee, nee, ik ga niet sterven, of niet nu toch. We gaan vechten opdat ik terug beter wordt, ok? Willem en Yvo, die vrienden-chirurgen van mij in de bergen, weten jullie?, die zijn mij aan het helpen. En afgelopen week heb ik ook al een oncoloog gezien. Dus we gaan alles doen wat we kunnen om terug te genezen, ok?” Ze lijken nog altijd niet overtuigd mijn twee lieve monsters. En dus doe ik er nog een schepke bovenop. “Luister, ik ga nu zeker nog niet sterven. Ok sjoekes? Ik heb deze ochtend een mail gekregen van Willem en die kanker zou voorlopig enkel daar aan mijn oog zitten. Als we die weg krijgen, ga ik nu zeker nog niet sterven. En, tussen ons gezegd en gezwegen, iedereen sterft ooit wel eens, niet? Ok, liever wat later, maar zo erg is dat nu ook weer niet, niet? We worden allemaal geboren, we leven en dan gaan we dood. Niet? En ik? Ik heb al een fantastisch leven gehad. En in vergelijking met bijna alle mensen die voor ons geleefd hebben een superleven. Dus zo erg zou dat niet moeten zijn al dat sterven.” Ondertussen zijn we alle drie aan het wenen. Zelfs ik opnieuw. En Tin ook, maar die is blijven zitten in de zetel. Ze ziet dit terecht als een vader-dochters moment. “Papa, ben jij ook aan het wenen?,” vraagt Sam nu. Niets ontsnapt aan die haviksblik van die oudste. “Ja, natuurlijk,” antwoord ik, “ge zoudt van minder als er zo’n twee jengelende bengels op uw schoot komen zitten.” “Ja, maar jij weent anders nooit papa!,” zegt ze nu. “Dat is niet waar,” zeg ik, “ik ween ook af te toe, maar niet zo vaak als mama. Die weent al als ze op TV een hondje ziet dat geen eten krijgt.” Maar ondertussen wenen we dus allemaal samen nog wat meer. 

Toch nog naar Boedapest gaan, zou geen goed idee zijn. Het enigste waar ik nog aan kan denken, is dat gezwel in mijn oog. Zelfs het vooruitzicht van een lange autorit lijkt mij – Mister ‘Geef mij een auto en ik rijd gratis en voor niets midden in de nacht naar de Middellandse Zee, gewoon voor de lol als het moet’ – niet langer aanlokkelijk. En ik, die nog nooit een huismus bent geweest, wil nu gewoon thuis blijven. Bovendien slaap ik zo slecht dat ik één nacht op de twee op de zetel beneden eindig. Wat zou ik dan gaan zoeken in Boedapest? Een vreemde zetel in een vreemde living als er al een zetel beschikbaar is? Die ene die er stond op die foto’s van Airbnb was een slaapzetel geloof ik, die voor Sam en Ella als bed zou dienen. Dus dat zou ook geen optie zijn. Trouwens om dan nadien als een zombie de rest van de dag door een voor mij vreemde stad te wandelen? Of met een kankergezwel in mijn oog naar een sauna te trekken? Want dat daar fantastische sauna’s zijn, dat weet ik. We zijn er al een keer geweest. Zo’n twintig jaar geleden. Maar als je een diagnose als ‘kanker’ krijgt, verandert je lichaamsbeleving toch wel radicaal. En even tot rust komen, zen worden, het bloed door je lichaam voelen stromen, lijken nu plots luxebehoeftes waar je geen tijd meer voor hebt en zelfs geen goesting meer in hebt. Terug gezond worden dat is het enige dat je nog wilt. Overleven. Dat is het enige dat je nog bezig houdt. Al de rest is bullshit.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie