Ik word zot thuis. En als we dan toch niet naar Boedapest gaan, kunnen we misschien hier in de buurt wat steden bezoeken. Deze keer beslissen we naar Antwerpen te gaan. Gent hebben we enkele dagen geleden na de MRI-scan al bezocht en Brussel kunnen we elke dag bezoeken als we willen. Dus wordt het deze keer Antwerpen. Bovendien zijn wij, Tin en ik, officieel afkomstig uit het Antwerpse. Tenminste als je je Antwerpen zo groot voorstelt als de Antwerpenaars zelf doen. Zo groot als de provincie zelf dus plus linkeroever en omstreken. Minstens. Dus in zekere zin is het voor Tin en mij altijd een beetje thuis komen daar. En omdat we beiden van rommelmarkten en leuke winkeltjes houden – en jammer genoeg voor onze portefeuille onze dochters ondertussen ook – hebben we beslist nog eens de Kloosterstraat en omgeving af te schuimen.
Maar voor dat we dat gaan doen, gaan we eerst nog eens goed ontbijten in de Wasserette op het einde van de Vlaamsekaai. Het eten is net gearriveerd als mijn telefoon plots afgaat. ‘Opa’ verschijnt er op mijn scherm. Opgelucht neem ik op. Veel honger heb ik toch niet. Het is ook een goed excuus om even de drukte te ontvluchten van de draaiende wasmachines en de kwetterende mensen want qua echo zit dat hier toch niet snor in deze grote open ruimte. Voor een goed begrip, ‘Opa’ is de vader van Tin. Mijn grootouders liggen al lang onder de grond. Mijn ouders eigenlijk ook. We hebben haar ouders gisteren via een berichtje ingelicht over de diagnose en nu belt hij om mij een hart onder de riem te steken. Net zoals ik is hij verontwaardigd over de gang van zaken in Gasthuisberg, maar het feit dat ik kanker heb op zich is al even moeilijk te vatten voor hem als voor mij. Ik hoor het aan de onwennigheid in zijn stem. Ook voor hem is het bizar om als grootvader plots zijn schoonzoon moed te moeten inspreken omwille van een ernstige ziekte. Natuurgewijs of eerder chronologiewijs want dat monster, de natuur, doet gewoon zijn goesting, zou het andersom moeten zijn.
Na het telefonisch gesprek verorber ik vlug de rest van het ontbijt en dan vertrekken we eindelijk op onze strooptocht door de Kloosterstraat. Sinds Sam en Ella, beiden, het shoppen ontdekt hebben, staat er geen maat meer op hun kooplust. En het aangename aan de Kloosterstraat is dat de klerenwinkels voortdurend afgewisseld worden met antiek- of pure brocante-zaakjes. Zodat iedereen er wat aan heeft, ook zij die ‘s ochtends hun kleren op een goede twee minuten kunnen aantrekken. Deze keer zijn we vooral op zoek naar een nieuwe bureaulamp voor Sam. Of beter gezegd, een nieuwe oude. Want in deze tijden van vintage zijn de echt nieuwe spullen ofwel veel te duur, ofwel veel te lelijk. Uiteindelijk zullen we er een vinden in zo’n echte brocantehandelaar van de Kloosterstraat. Zo ene met oude hockeysticks in een tinnen doos in het midden van de winkel en een oude houten kajak hangend aan de muur. Zelfs de lamp is duidelijk massavintageproductie. Deze keer is het dus niet gelukt om iets uitzonderlijks te vinden voor een belachelijk lage prijs. Maar we zijn er allen van overtuigd dat deze lamp wel mooi gaat staan op haar bureau in haar slaapkamer. Dus kan het ons niets schelen.
Even verderop is het echter wel raak. En hoe. Ergens, ik weet zelfs niet meer waar het juist was, botsen we op een Kerst pop up store waar een sjacheraar alles aanbiedt aan 1 euro het stuk. Alles wat in de winkel staat dus. Aanwezig zijn, naast heel veel rommel; veel kleren, veel CD’s en DVD’s en veel boeken, meestal tweedehands. Maar wanneer we binnen komen valt mijn oog direct op twee dikke, rode boeken die zich zelfs nog steeds vlak bij elkaar bevinden in een grote kartonnen doos vlak aan de ingang. Ik herken hen direct. Het is de toenmalig zwaar gehypete uitgave van Nietzsche’s verzamelde werken uit mijn studietijd. Toen boeken nog heilig waren. Met een rode kaft rond. Band ein und zwei. Van uitgeverij Hanser. Met Nietzsche’s handtekening erop. Ze maakte enorm furore mid jaren tachtig en stond toen vijf jaar aan een stuk in de etalage van elke zichzelf respecterende boekenwinkel. En enkel deze ingebonden versie was beschikbaar. Zo chique was ze. Zelf had ik niet genoeg geld om ze te kopen. Telkens als ik aan een van die etalages passeerde, staken ze mijn ogen uit. En nu liggen ze hier voor mijn neus aan één euro het stuk. Ik kan het gewoon niet geloven. Gretig pak ik ze vast en begin ze te doorbladeren. Ze zijn nog in goede staat ook nog. Enkel hier en daar vind ik wat lichte potloodstreepjes terug van de vorige eigenaar. Gemakkelijk weg te gommen. Als in een trance ga ik met beide boeken naar de toog waarachter een oudere dame met grijs haar toezicht houdt. Ze probeert waarschijnlijk te vermijden dat de mensen al te veel rommel stelen uit de grote bakken. Zelf voel ik me al een dief bij de gedachte alleen al dat ik die boeken voor één euro het stuk ga kunnen kopen. Ik verwacht dan ook dat ze gaat reageren met “Zedde gaai zot?” wanneer ik vraag of ook die twee rode boeken maar 1 euro kosten. Maar tot mijn grote verbazing knikt ze gewoon met haar hoofd. Snel haal ik een stuk van twee euro tevoorschijn en bied het haar aan. Ik denk dat ze door de gretigheid waarmee ik tewerk ga, door heeft dat er hier een klein foutje is gebeurd door het management want ze aarzelt om het geld aan te nemen. Maar een woord is een woord, toch zeker in deze nijvere havenstad, en dus gaat de deal gewoon door. Apetrots wandel ik de straat op en voor het eerst sinds de diagnose heb ik het gevoel dat er toch nog enige rechtvaardigheid bestaat op deze wereld. De rest van de stadswandeling zit ik constant te neuzen in mijn nieuwe aankoop. En terug op weg naar de auto kan ik het niet laten om ostentatief met de twee rode boeken in mijn handen rond te lopen. Om te stoefen met de kleine schat die ik helemaal alleen gevonden heb en waar ik 100% recht op heb om die mee naar huis te nemen. En niet alleen omdat ik ze gekocht heb.
