Het eerste wat ik doe wanneer ik thuis kom van het facial team, is bellen naar het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis van Aalst om een afspraak te maken voor die nieuwe scan, die scan van mijn dijen. Zodat de plastisch chirurg zo snel mogelijk perfect weet welk stukje vlees van mij hij het beste kan gebruiken. En inderdaad, daar in Aalst is er nog ruimte vrij. Ik mag al direct twee dagen later komen. Voor mij is het vooral ook meegenomen dat zo’n kleine to do’s, zoals een telefoontje placeren, een scannetje laten maken, die twee weken wachten wat draaglijk maken. Want zelf zie ik het totaal niet zitten, nog eens twee weken wachten. Want of die tumor al in metastase is, kan ik niet zeggen, maar dat die al aan het proberen is om op te stijgen van mijn voorhoofd, zich los te scheuren met zijn verbrandingsraketten van alles wat hem aan mij bindt, de wijde wereld in te trekken, wel. Zo groot is hij naar mijn gevoel al geworden. Het is alsof hij die totaal misplaatste operatie in Gasthuisberg als een uitdaging om ter snelste groeien ervaren heeft en als een paddestoel uit mijn hoofd aan het schieten is.
Wat ook meer en meer door mijn hoofd maalt, is wat die oncoloog van het AZ Maria Middelares enkele dagen geleden wist te zeggen. Het klinkt nu als een sprookje: “Er was eens een vrouw met een gelijkaardige tumor op een gelijkaardige plaats. Daar was men er op tijd bij en met een lichte operatie en enkele bestralingen was ze er vanaf. Er was geen recidive. En ze leefde nog lang en gelukkig.” Die was haar oog, laat staan gans haar oogkas, dus niet kwijt. Ik daarentegen, na al dat amateuristisch geklungel in Gasthuisberg, wel. Of toch binnen twee weken. Wat ga ik nog allemaal kwijt zijn vraag ik me nu meer en meer af? Ga ik door al de fouten gemaakt in Gasthuisberg soms wel een recidive kennen? Gaat die kanker wel terug komen bij mij, nadien, zelfs als ik mijn ganse oog nu opgeef? En gaat mijn levensverwachting plots drastisch ingekort moeten worden met een goede twintig jaar? Kan ik dit alles op het conto van een arrogant Gasthuisberg en één zelfingenomen professor schrijven? En hoeveel moet ik dan op dat conto schrijven? Hoeveel is dat dan eigenlijk waard, zo’n twintig jaar van een mensenleven? Het BNP van België nemen, dat delen door 11,5 miljoen en dat terug vermenigvuldigen met 20? En dan nog, kan ik als slachtoffer zeggen dat ze hun geld, zelfs als het veel geld is, in hun gat mogen steken? Dat ze gewoon alles ongedaan moeten maken en dat we dan pas quitte zullen zijn? Die zelvoldane goden van boven op die berg, die boven alles staan, de wet en al zeker al dat kleinmenselijk gedoe zoals angsten, zorgen, verplichtingen en ruzie maken, die moeten dat toch kunnen?
En komt nu ook meer en meer een nieuwe vraag: moet ik dit alles zomaar aanvaarden? KAN ik dit zomaar aanvaarden? Moet ik gewoon zeggen: “Och, iedereen kan zich al eens vergissen!,” en is daarmee de kous af? Of zitten er toch nog wat gaten in? Gaten waarlangs mijn haat en agressie nog een weg dreigt te vinden? Zodat ik rekenschap ga eisen? Rechtvaardigheid ga afdwingen? Want ik kan me vergissen, maar het systeem gaat het volgens mij niet geven. Ik zou bijvoorbeeld die Hartenkoningin een keer kunnen opwachten aan haar konijnenpijp en eens goed mijn gedacht kunnen zeggen. Of nog veel beter, ter plekke fysieke rechtvaardigheid opleggen? Die gulden regel uit vervlogen tijden, een oog voor een oog, toepassen? Hoe zou dat in de pers verschijnen, zo’n ‘fait divers’? Zou dat als een gerechtvaardigde heldendaad omschreven worden of eerder als een geval van laagbijdegrondse, zielige rancune van een zielige zieligerd? Moet ik me dan ook in dit scenario weer gedragen als een verantwoordelijke burger? Die braaf zijn belastingen betaalt en rustig naar huis gaat en de dingen laat gebeuren zoals ze gebeuren? Alles over hem heen laat komen alsof het Gods’ hand zelf is die alles bepaalt? Dat machtig apparaat en die machtige mensen boven op die berg van zieken, waar ligt hun verantwoordelijkheid? Of waar is die eigenlijk? Bestaat ze wel? Want ik zie ze niet. We zijn nu al enkele weken later nadat het duidelijk is geworden dat er serieuze fouten begaan zijn en het enigste dat ik van daar te horen krijg, acht kilometer oostwaarts, is één grote absolute stilte. Een muur van stilte. En daar moet ik het mee doen. Braaf zijn en blijven.
Als ik aankom in het ASZ Aalst, is het direct duidelijk dat ik me niet langer in het Gentse bevindt. Hier geen meerverdiepingen parkingmonster van staal maar een geplaveide openlucht plattegrondsparking zoals in de rest van het land. Wat ze dan wel weer gemeenschappelijk hebben, is dat er om twee uur in de namiddag totaal geen plaats meer is. Ik ben verplicht om me achter een reeks andere auto’s half op de borduur te zetten tegen de struiken en bomen aan, over de barsten in het plaveisel heen, gevormd door de wortels van diezelfde struiken en bomen. Sjaans dat ik niet in Leuven zit, bedenk ik me, want daar zou mijn wagen binnen het halfuur weggesleept worden. Kwestie van repressief de stadskas verder te spijsen.
Ook het gebouw getuigt van betere tijden. Op basis van mijn kort parcours doorheen onze Belgische ziekenhuizen kan ik toch stellen dat om een of andere reden die ziekenhuizen die niet behoren tot de katholieke zuil veel meer afgeleefd lijken dan de Sint-versies ervan. Alsof de besparingswoede van de staat zich de afgelopen jaren vooral gericht heeft op de 100% staatseigendom ziekenverblijven. In om het even welk ander land zou het andersom zijn, maar wie ben ik om dit alles in vraag te stellen? De scan zelf is niet zo bijzonder. Het is terug eerder een Apollovlucht. Er wordt inderdaad weer ongegeneerd gefocust op mijn vooralsnog prachtige dijen. En dus duurt hij nog korter dan anders. Ik geraak dan ook niet veel verder dan de dampkring.
