Die ruzie heeft lang genoeg geduurd, vind ik. En als mijn leven binnenkort aan een zijden draadje hangt, onder grote lampen op een koude operatietafel, wil ik toch op een correcte manier afscheid hebben genomen van mijn grote broer. Dus beslis ik van hem te bellen. Ik ga het helemaal achteraan doen, in alle rust, tegen het bos aan, bij de kippen. Daar waar ik voor de laatste keer, een jaar of vier geleden, met hem gebeld heb. Niet dat er toen veel gezegd werd. Zoals vroeger zo vaak, vergiste hij zich bij het bellen tussen zijn zoon en mij en vroeg drie keer naar hem, alvorens zijn fout te ontdekken en snel terug in te leggen. Een jaar of twee nadien, bij de begrafenis van Nonkel Fons, vond ik ook al eens dat het welletjes was geweest en had hem na de misviering, toen hij al in zijn wagen zat samen met mijn schoonzuster, aangesproken. We waren toen geëindigd in een cafe tegenover de kerk en hadden voor het eerst in jaren nog eens rustig wat gebabbeld. En, cruciaal hierbij, gebabbeld over al hetgeen dat er gebeurd was, het waarom en het hoe. Ik had toen gedacht dat dit misschien het ijs zou breken, dat hij misschien de kans zou grijpen om het ook met mijn zus bij te leggen, maar niets van dat alles. De loopgraven hielden stand en zelfs een Kerstfeestje onder oorlogsvoerders zoals in die Eerste Wereldoorlog zat er nog steeds niet in.
Niet dat het puur uit hoofse beleefdheid is dat ik nu deze stap zet. Ik kan op dit moment ook wel wat hulp gebruiken van mijn broer. Zelfs nu dat gezwel kwaadaardig blijkt te zijn, blijft mijn zus doen alsof ik met mijn Vlaamse Hoskensboerengenen alles aankan, vingers in de neus zelfs. Zelf voel ik me helemaal niet zo zeker van mijn stuk en dus kan ik wel wat ouderwetse steun van Grote Beer gebruiken. Ik zoek zijn naam tussen mijn contacten. Of toch de naam die ik als enige nog gebruik. Als jongvolwassene vond hij dat plots een ouderwetse en lelijke naam en schaamde zich er een beetje voor. Hij heeft toen de naam door iedereen doen inkorten tot een meer krachtige, moderne variant ervan. Alleen bij mij bleef de naam uit vervlogen tijden hangen en probeer een kind maar eens duidelijk te maken dat hij iets anders moet zeggen dan wat de naam van iemand net is. Zeker als die ene persoon dan ook nog eens het centrum van het universum is.
Ik hoor hem opnemen. “Hallo, met Gust?” Het doet deugd om zijn stem terug te horen. Aan de klank ervan hoor ik dat hij goed weet wie hij aan de lijn heeft, maar nog even doet alsof er niets bijzonders aan de hand is. Ik val met de deur in huis: “Dag Gustave, Patrick hier. Ik vrees dat ik niet zo’n goed nieuws heb,” en vertel hem in één ruk alles wat er gebeurd is. Hoe dat ik gesjareld ben geweest door het zo arrogante Gasthuisberg en een van die ongenaakbare professoren daar die zich God wanen. En nu aan het wachten ben op een operatie in het UZ Gent waarbij mijn ganse linkeroogkas gaat leeggelepeld worden. In de hoop daarmee de schade te beperken. Want dat het risico reëel is dat de schade nog veel groter is. Oneindig veel groter. Of toch 20 jaar van een mensenleven groter.
Naarmate mijn verhaal vordert, krijgt mijn broer het moeilijker en moeilijker. Het is altijd al een gevoelige geweest. Net zoals ons moeder. Een triest verhaal op de TV met een kind dat ziek was of een levensverhaal als dat van Rosalie Niemand en ze zaten vroeger beiden te wenen in de zetel. Zelf kan ik deze keer als hoofdfiguur van mijn eigen triestig verhaal – egoïst tot in de kist – ook maar met moeite mijn tranen bedwingen. En mijn broer moet nu, als teergevoelige mens, die afschuwelijke roller coaster waar ik op gezeten heb de afgelopen weken en maanden op een minuut of tien doorstaan. Het telefoontje duurt dus niet zo lang maar het is verbazingwekkend hoeveel deugd het doet om dit alles te kunnen vertellen aan hem. Elk woord dat er gezegd wordt, staat niet op zich, maar hangt vol van andere significante betekenissen en magische gebeurtenissen. Via mijn grote broer sta ik in rechtstreeks contact met de oerbron van mijn bestaan en bereik ik de oren van al lang overleden almachtige stamvaders en -moeders die vanuit het hiernamaals over ons waken. Niemand anders dan de held van mijn jeugd had mij dit vandaag kunnen geven. Naar het einde toe begint hij zijn keel te schrapen. Kwestie van er toch nog een woord tussen te krijgen. Tussen wat ik zeg en zijn eigen tranen. Hij zegt dat hij het allemaal vreselijk vindt. Het net zoals ik al helemaal ongelooflijk vindt wat er allemaal misgelopen is in Gasthuisberg. En vraagt me hem te laten weten in welke kamer juist ik zal liggen in het UZ Gent na de operatie. Zodat hij me kan bezoeken.
De kippen staan ondertussen aan mijn benen te kakelen. Net wanneer ik afscheid wil nemen van mijn grote broer, zie ik de haan de kippen roepen want hij heeft weer een malse regenworm gevonden. Ze zijn er dan ook als de kippen bij. Maar net als echte kippen zien ze de pier niet liggen. Nochtans staat de haan druk te gesticuleren met zijn hoofd om aan te geven waar hij zich juist bevindt. Uiteindelijk vindt hij er niets beter op dan de regenworm vast te pakken met zijn snavel en in de lucht te smijten. Als ze het nu nog niet door hebben,…
