Die kikker blijft op mijn zenuwen werken. Om de vijf voet is er nu die ‘ddzzz, ddzzzz, dzzzz,…’, dat akelig gevoel die zo’n elektrische kortsluiting met zich meebrengt. Soms is het alsof mijn wenkbrauw dan aan de binnenkant als een echte kikkerbil samentrekt. Maar ik kijk dan in de spiegel, een en al focus op die zone van mijn gezicht tussen wenkbrauw en neusbrug en zie helemaal niets. Daarnaast zit mijn linkeroog. Dat oog dat mij al 52 jaar trouwe dienst bewijst en dat mij binnen 10 dagen zal moeten verlaten. Met die mooi grijsgroene kleur waarvan ik graag het groene gedeelte benadruk zodat ik kan claimen de intensieve ogen van een panter of een kat te hebben. Veel interessanter dan die brave, nietszeggende hondenogen die ik in het echt heb. Daartussen zit die tumor. Ondertussen ziet hij al rood, blauw en paars, beste Ground Control. Paars, dat zijn de onderhuidse adertjes die zichtbaar beginnen te worden. Met al die vertakkingen begint het er als een overstroomde delta uit te zien, die ooghoek; de Egyptische Nijl of de Ganges. En ondertussen is het gezwel zo groot geworden dat mijn oog half toegeduwd wordt. Of mijn oogbol verdwijnt toch voor bijna de helft uit het zicht. Een mislukte Chinees, zo zie ik eruit. Met één half opengesprongen spleetoog.
Dat dat oog ondertussen nog blijft zien zonder problemen is onvoorstelbaar. Wat voor een ingenieus orgaan is dat toch? Op zich al, gezien de functie ervan; lichtstralen opvangen en omzetten in beelden voor ons, de er totaal aan verslaafde mensheid? Terwijl het zelf gewoon uit wat zacht weefsel bestaat. Ik bedoel, het is geen hypergesofisticeerde fotocamera, ingebouwd in een smartphone of bestaande uit plastiek en metaal, met een groothoeklens om alles nog wat te pimpen, die ochottekes 12 megapixels vastlegt. Neen, met een constant panoramisch zicht en meer dan 150 megapixels doet het oog veel beter. Bovendien ziet het eruit als een gummy bol met zo’n tweeënhalve centimeter doorsnede schat ik. Een beetje als zo’n botsbal uit een tuttefrutmachien. Maar dan met levende kegeltjes en staafjes van binnen, rechtstreeks verbonden met onze interne harde schijf, de hersenen, via de oogzenuw. En daar vlak naast dus, zit nu al een tijdje een kankergezwel te groeien, en sinds de operatie van de waanzinnige Hartenkoningin zelfs te woekeren, en toch blijft dat oog zijn ding doen. Onversaagd blijft het beelden doorsturen naar de hersenen. Alsof er niets aan de hand is. Ondanks die tumor en ondanks de talloze oogdruppels en oogzalfjes die het de afgelopen maanden te verduren heeft gehad. Nooit geweten dat een oog zo taai was.
Trouwens, over spiegel gesproken, het oog is ook de spiegel van de ziel, zegt men. Loop ik dan niet het risico om binnenkort mijn ziel te verliezen? Want zonder spiegel ga ik hem niet langer kunnen terug vinden? En dat door toedoen van nota bene een oftalmoloog van de Katholieke Universiteit van Leuven? Die universiteit die in al haar hoogmoed constant beweert de grootste en dus de beste van het land te zijn? Iemand die zijn ganse leven net opgeleid is geweest om dat ene onschatbare ding tegen elke prijs te beschermen en te redden? Het aantal keer dat er in Gasthuisberg iemand met veel aplomb Tai Chi heeft staan doen voor mijn neus, om te checken of de oogzenuw toch maar niet geraakt was, kan ik niet op mijn hand tellen en nu gaat het ganse ding eruit moeten, met zenuw en al. Gaat zo’n duurbetaalde specialist er de oorzaak van zijn dat daar binnenkort een grote vleselijke leegte gaapt? Dat ik misvormd en mismaakt verder door het leven zal moeten gaan? Dat ik niemand meer in de ogen ga durven kijken? Met schaamte telkens mijn hoofd ga moeten weg draaien? Mijn blik verbergen?
Bij Jacques Lacan, die Franse goeroe-psychoanalyticus uit de tweede helft van de vorige eeuw, die tijdens mijn studietijd zo’n furore maakte onder de meer creatieven onder ons, was de blik één van de zeldzame concrete verschijningsvormen op deze wereld van het eindobject van al onze verlangens, wat hij noemde ‘l’objet petit a’. Een andere was de stem. Net zoals de stem kan de blik iets voorspiegelen dat doet verlangen. Of beide kunnen via de intensiteit waarmee ze binnen komen verlangen bij en naar de ander creëeren. Voor een gedeelte de wil van de andere opheffen. En daardoor een van de weinige momenten vormen waarop mensen elkaar echt raken of zelfs gewoon opmerken. De blik verliezen betekent dan ook veel meer dan niet langer kunnen zien. Ik ga trouwens nog altijd kunnen zien, met één oog. Maar ik ga zonder blik niet langer present kunnen tekenen en ik ga dus niemands ziel nog kunnen beroeren. Noch man, noch vrouw. Ik ga verleidingsloos door het leven moeten gaan. Want de mensen die ik nog zal ontmoeten, gaan mij links laten liggen als linkerooggehandicapte. Of mij vanuit die hoek, met een welgemikte rechterhoek, een flinke optater geven; ik ga de vuistslagen toch niet langer zien aankomen. Eén van de twee. Niemand gaat nog echt geïnteresseerd zijn in mij. Enkel medelijden ga ik mogelijks nog kunnen krijgen. Alleen blinden ga ik nog kunnen proberen te verleiden met mijn gedachten en mijn woorden. Gebruik makend van mijn al net zo doordeweekse stem. Dus daar zal ik ook al niet veel succes mee hebben. En eenmaal wanneer ik die epithese heb, voorbijgangers. Want die gaan zelfs niet de tijd hebben om het stilleven in mijn linkeroog op te merken. Maar wat zeg je tegen voorbijgangers zonder dat ze stoppen en even de tijd nemen om je eens goed te bekijken? Zonder dat ze stoppen met voorbijganger te zijn?
