Nietzsche was een genie. En in de eerste plaats een geniaal schrijver. Ik ben begonnen aan ‘Die Geburt der Tragödie’, zijn eerste belangrijke werk, ook het eerste werk van Band I van mijn nieuwe ‘Gesammelte Werke’. Zoals altijd op mijn traag tempo. Soms lees ik maar een halve bladzijde per dag. Het werk dateert al van 1872, maar ik verveel me geen seconde. Zo mooi is het geschreven. Een literaire tekst, dat is het. De volgende die tegen mij zegt dat Duits een lelijke taal is, die sla ik met Nietzsche om de oren.
Ook opvallend, het aantal Duitse woorden in deze tekst die veel verwantschap vertonen met onze mooie Nederlandse taal. Of beter gezegd, de Duitse woorden die ik niet onmiddellijk herken, omdat ik ze niet zo vaak tegen kom, kan ik telkens door de Nederlandse verwanten ervan vlot begrijpen. Zoals ‘Gewühl’, dat in het Nederlands gewoel betekent, ‘sanftmutig’ dat zich laat vertalen als zachtmoedig, en ‘spähen’ dat in het Nederlands spieden wordt. Nochtans is Nietzsche geboren en getogen ergens in de buurt van Leipzig, in het vroegere Oost-Duitsland. Dat is toch helemaal de andere kant van dat groot land. Natuurlijk hebben we als taalgroep dezelfde Germaanse stam als oorsprong, maar mij helpt het terugvinden van die mooie woorden in het prachtige Duits van Nietzsche vooral om de schoonheid van het Nederlands zelf te ontdekken, hetgeen goud waard is in een taalgebied waar zo weinig aandacht is voor de schoonheid van de eigen taal.
Bovendien was de man zelf van opleiding een filoloog. Geen filosoof dus, maar een taalkundige. Niet van Duits, maar van de klassieke talen en dan, in zijn geval, het oud-Grieks. Het Grieks van Aeschylus, de eerste grote dramaturg, niet van Socrates, want daar moest hij niets van hebben. Dat was voor hem het summum van een compromisfiguur, een bestendiger van de zittende macht die hij verpersoonlijkt zag door de Griekse god Apollo, de god van het metrum en dus van alles wat staat voor rede, orde en structuur.
Centrale stelling van dit werk: dat de Griekse tragedie een draaglijke voorstelling van het vreselijke lijden van de mens is en dat dit net haar functie is: op een verhulde manier, conform de normen en conventies zoals opgelegd door Apollo, lees de weldenkende gemeenschap, de gruwelijkheid van ons aards bestaan tonen aan de mensheid. Een mensheid die het anders, indien niet verhuld, niet zou aankunnen, die hel dat een mensenleven eigenlijk is. Collectief zelfmoord zou plegen. Voor diegenen die dit allemaal ook al niet aankunnen want veel te moeilijk en al veel te filosofisch: ik verwijs jullie graag naar Marlon Brando in ‘Apocalypse Now’ die vlak voordat hij vermoord wordt door de protagonist van de film, enkel nog maar kan uitbrengen: “The horror, the horror.” Niet omdat hij vermoord wordt, dat is eerder een verlossing voor hem, maar omdat hij tot diezelfde conclusie als Nietzsche gekomen is na jaren soldaatje spelen in Vietnam: het is gewoon niet om naar huis te schrijven dat menselijk bestaan, zo afschuwelijk lelijk is het.
Dit klinkt natuurlijk allemaal nogal negatief en dat is het ook. Dus stellen dat Nietzsche toch wel een beetje nihilistisch was, is niet onterecht. Maar tegenover la condition humaine en die regelneef van een Apollo plaatste Nietzsche wel één belangrijke kracht: Dyonisos, de god van het leven, van de creativiteit en van de wellust in alles. Fuck Apollo, die afstompende Griekse gemiddelde mens. Leve de extremen en de uitspattingen in het zicht van de diepe afgrond die zich constant voor ons aftekent. Leve het ongebreidelde leven. Dat klinkt al minder negatief niet? En voor de sexueel geperverteerden onder ons: neen, het gaat hier niet over bacchanale rozeballetfeestjes. En voor de Duitsers onder ons: jullie Oktoberfeste hebben niets vandoen met Dyonisos. En voor de Vlamingen onder ons: een zoveelste praatshow met Bekende Vlamingen, ge moogt het in uw gat steken. Dat is allemaal puur Apollo. Zielloos volksvermaak. Dyonisos is de extase veroorzaakt door een goed gesprek, al headbangend Nirvana opzetten in de auto, zich overgeven aan een prachtige zonsondergang vanop een modderig patattenveld in de herfst, een boek zo goed vinden dat ge weigert het uit te lezen. Soit, als ge nog mee zijt, des te beter. Als niet, dat is niet erg. Want who cares? Dyonisos alvast niet.
Het geniale van Nietzsche blijkt onder andere ook uit hoe dat hij, naast het al in 1872 nogal visionair aangeven waar dat de moderne mens, die goddeloze, nu aan het eindigen is – in een steeds meer onecht leven voorafgegaan door influencers en bestaande uit oppervlakkige weer- en bespiegelingen zoals de botoxvolheid van de lippen, de ingeoliede sixpacks en het aantal likes op Instagram en Feesboek -, eindelijk een sluitende verklaring biedt waarom wij mensen vanuit de veilige geborgenheid van onze alledaagse wereld zo graag films en series kijken waarbij mensen met mitrailleurs of liefst zelfs dubbelloopsjachtgeweren neergeknald worden of horror movies zien waarbij het bloed van de schermen spat of ultraspannende psychologische thrillers waarbij onze tenen omhoog krullen, als het kan met een doos popcorn of een zak chips bij de hand: het is de ware essentie van ons eigen zijn. Wij zijn zelf al die gruwel. Een gruwel die even bloederig, rampzalig en vernietigend is als datgene dat we op het scherm te zien krijgen. En het is enkel op deze manier, vermomd als een filmpke, dat we er een glimp van kunnen opvangen zonder ter plekke in een zoutpilaar te veranderen zoals Lots vrouw bij Sodom en Gomorra. Dat en dat niet alleen wist Nietzsche in 1872 al, in zijn eerste, prachtige tekst, te duiden.
En voor diegenen die denken dat dat nogal simpel is om een Griekse tragedie zomaar gelijk te stellen met een moderne film, dat dat toch een beetje kort door de bocht is: het zijn jullie die een veel te eng beeld hebben van een Griekse tragedie. Want dat ging er daar veel levendiger aan toe dan in onze huidige eerder contemplatieve theaterzalen. Zo had zo’n Griekse tragedie bijvoorbeeld ook al een heuse sound track. Een sound track die zo belangrijk was dat de oorspronkelijke titel van de tekst van Nietzsche luidde “Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik.” De sound track werd gevormd door het koor dat intensief met de hoofdpersonages op het podium interageerde en de Griekse toeschouwer vertegenwoordigde in het stuk. En dit allemaal in zo’n Grieks theater uitgehouwen in de vorm van een halve maan in een heuvel of gebergte, speciaal gebouwd om een vallend steentje beneden te horen donderen op de bovenste zitplaatsen. Die Griekse tragedies hadden dus veel meer weg van onze cinema’s met hun dolby sound ultrasound surround systems dan we zouden denken. Ze organiseerden zelfs een soort van Oscars die Oude Grieken, tijdens de Dyonisia, de jaarlijkse feesten in Maart-April ter ere van Dyonisos. ‘En de Oscar voor het beste Griekse drama dit jaar gaat naar…’
Maar nogmaals, het geniale aan Nietzsche zit hem niet alleen in wat hij schrijft maar vooral in hoe hij schrijft. Hij schrijft vanuit de buik. In tegenstelling tot al die filosofen voor hem poneert hij geen absolute waarheden. Als hij dat wel zou doen, wat zou hij dan ineens beginnen lullen over Apollo en Dyonisos, oude goden die al lang dood en vergeten zijn? Hij is een van de eerste westerse filosofen die van de zoektocht naar de waarheid hun filosofie gemaakt hebben. Waardoor hij ook zonder gêne, het grote verwijt aan zijn adres, in de loop van zijn leven de ene keer A zegt en de andere keer B. Omdat in de ene context A waar was en in de andere context B. Met als bijkomend voordeel dat hij vanuit het leven schrijft en niet vanuit een ivoren toren. Meer nog, hij gebruikt zijn leven om beter te begrijpen wat mens-zijn eigenlijk is. Net zoals hij alles en iedereen uit de rijke cultuurgeschiedenis van diezelfde verdoemde mensheid, zonder enige beperking of limiet, gebruikt in diezelfde poging om dat beter begrip te bereiken. Scrupuleus. Ongeacht de gevolgen. Ook voor hemzelf. Zo betekende de tekst bijna het einde van zijn carrière. In de ban werd hij geslagen door zijn collega-filologen en -filosofen. Zo afwijkend was zijn schrijven t.o.v. de toenmalige heersende opvattingen over de Grieken en co in het Duitsland van eind 19de eeuw. Wat Charles Baudelaire is geweest voor onze Westerse literatuur, is Friedrich Nietzsche geweest voor onze filosofie. Een beeldenstormer eerste klas, die ineens de weg naar de toekomst wees. Hoe niet zo’n man bewonderen?
Waar hij me echter vooral mee weet te treffen, is met een passage waarin hij verwijzend naar de ongelukkige Oedipus stelt (en vergeef mij voor het Duits, het klinkt gewoon duizend keer beter): “…, dass der, welcher durch sein Wissen die Natur in den Abgrund der Vernichtung stürzt, auch an sich selbst die Auflösung der Natur zu erfahren habe.” Ofte vrij vertaald: diegene die op een bepaald moment de overmoed heeft te denken dat hij het leven door heeft (Oedipus slaagde erin het raadsel van de sfinx op te lossen), die wordt vernietigd door datzelfde leven (Oedipus steekt zijn eigen ogen uit wanneer hij te weten komt dat hij, zonder het te weten, zijn eigen vader heeft vermoord en met zijn moeder getrouwd is). Profetische woorden eigenlijk als je bedenkt hoe de man zelf aan zijn einde is gekomen: gespreid over een periode van 10 jaar, eerst krankzinnig geworden, met zware psychotische opstoten, daarna gekluisterd geraakt aan een ziekbed en de laatste jaren van zijn leven zelfs niet meer in staat tot spreken. Maar vooral ook voor mij weer heel confronterend deze stelling. Want laat ik nu net zelf de afgelopen jaren in die illusie verkeerd hebben van het allemaal wat door te hebben. Na ontslagen geweest te zijn door het leugenachtige en hebzuchtige klotemanagement van het toenmalige Mobistar, waarbij de manier waarop zo vernietigend was voor mij als persoon dat ik om uit de put te geraken gedurende enkele maanden enkel een boek kon schrijven, dat echter achteraf zo prachtig bleek te zijn, nooit gedacht dat ik zo’n mooi boek kon schrijven, dat enkel door dat te schrijven mijn leven voltooid leek. Een uitgever vond ik wel niet want ik leef in een tijd waarin alleen boeken van Bekende Vlamingen, over eten en burn-outs, gepubliceerd geraken. Maar dat was niet erg want meer, leek er mij, toch niet meer te zeggen. Alles wat gezegd moest worden, was gezegd. Wat een arrogantie, niet? En zie mij hier nu zitten, als een Vlaamse Icarus, gebroken aan een keukentafel, bibberend en bevend voor wat er komen gaat, roepend om hulp en huilend als een klein kind. Die klotekatholieken gaan weer over deemoed en die schijnheilige goegemeente over ‘Boontje die komt om zijn loontje’ beginnen, maar zelfs tijdens mijn val toon ik ze allen mijn stevige middenvinger. Om de simpele reden dat we, cfr. Nietzsche, allemaal constant aan het vallen zijn. Vanaf dat we geboren worden. Deemoed zal je niet redden en dat loontje nog veel minder. Maar ik zal nu maar stoppen met lullen over Nietzsche, die oude Duitse God.
