Van 22 op 23 januari 2019 – Nachtelijke omzwervingen in een postoperatief ziekenbed

Ik word wakker in een grote, open ruimte. Ik had verwacht te liggen in een bed, maar het is alsof ik schuin omhoog hang met mijn armen wijd van me af. Na een tijdje slaag ik erin om rond mij heen te kijken. Dan heb ik het door: ik bevind me in de cargoruimte van een ruimteschip samen met tal van andere astronauten en wacht op ingevroren transport naar verafgelegen planeten. Of, een beetje later en afgaande op het gekreun rondom mij een tweede mogelijkheid, we wachten allen op onze manier in dit ruimteschip op aliens die nog uit onze borstkast moeten springen. En opdat we niets missen van wat er te gebeuren staat, staan we in een grote ovale cirkel in de gigantische ruimte zodat we mekaar goed kunnen zien.

Af en toe passeert er een verzorger. Telkens in een groene overall van borst- en heupzakjes voorzien. Ze drukken dan op wat knoppen van een toestel naast het bed en lopen ijverig door naar de volgende ruimtevaarder. In het begin schat ik dat we er met een dertigtal mensen hangen. Tegen dat de nacht begint, schieten we nog over met een vijftal max, verspreid over de gigantische ruimte. Het zal bij ons wat langer duren om die alien d’ruit te krijgen, denk ik dan.

Dat het ondertussen al nacht is, leid ik af van het schemerdonker dat mij toch nog op een of andere manier bereikt ondanks de totale afwezigheid van ook maar één raam in de ganse ruimte. Bijkomende indicaties: de gelere weerschijn van de lampen die niet langer doorbroken wordt door bewegende figuren of schuivende gordijnen en de absolute stilte na een tijdje rondom mij. Ook de passerende Marsmannetjes spreken meer en meer op een fluistertoon. Vooral op de momenten van overdracht, bij de overgang van de shifts, valt dat op. Dan hoor ik hen stilletjes naast mijn bed tegen mekaar zeggen wat er allemaal wel met mij niet gebeurd is en vooral wat voor een medicatie ik ondertussen al allemaal achter de kiezen heb. Want als ik na een tijdje nog wakkerder ben en die afschuwelijke pijn begint door te dringen, ontdek ik het echte nut van die groene mannetjes: het zijn de drugsdealers van dienst. 

En ze zijn goed. Ik hoef mijn hand maar op te steken of er wordt al een nieuwe spuit van het straffere spul gezet. Vooral de eerste, bijzonder meelevende verpleegster heeft een opleiding gevolgd bij dat katholieke Caritas of zoiets. Zij weet duidelijk wat lijden is. Haar opvolger, de nachtverpleger, als ik juist gegokt heb met mijn onzekere tijdsbeleving, is een ander paar mouwen. Die is al veel strenger en komt over als een (sorry, maar ik kan er ook niet aan doen) homesexuele wraakengel die vindt dat er niet genoeg lijden kan zijn. Bij hem moet ik al twee keer vanuit mijn hangstoel vragen voor extra verdoving vooraleer ik ze krijg. En, op vraag, duidelijk gearticuleerd. Wat niet zo eenvoudig is met een half verlamd gezicht en dito lippen.

Wat wel fantastisch is, is dat ik in de loop van die nacht, terwijl ik daar zo hang te wachten op mijn volgende verlossing, een volledig nieuw boek bedenk waarbij ikzelf, o ironie, terug op de wereld gezet wordt met dit ruimteschip, of door de goden van de Olympus zelf, als een cycloop, zo’n grieks mythisch monster met één oog, dat bij gebrek aan schapen met plezier mensen verorbert. In de Ilias, is het het alter ego van mijn eerste boek, Odysseus, die als een echte oerheld zijn zwaard in het ene, overblijvende oog van de cycloop stak om wat overbleef van zijn mannen te redden. Daarom noemt dat fantastisch boek van mij ook ‘Odysseus, de ploertendoder’, want dat is toch wel een ploert, zo’n mannenverslindende reus met slechts één oog, of niet soms? Bijna net zo’n grote ploert als het management van een telecombedrijf dat met leugens en bedrog, in opdracht van het Franse moederbedrijf, een nog veel grotere corporatistische ploert, haar eigen onderneming hier in België cashcowgewijs leegzuigt en de werknemers ondertussen gebruikt als zondebok voor al haar eigen misdaden. Eigenlijk net zoals in 1302 de Franse koning al trachtte te doen met zijn rijk leengoed in het noordelijk grensgebied. Alleen werd er hier toen wel veel ruchtbaarheid aan gegeven, de ruchtbaarheid van een volksopstand en een veldslag in de modder. Heden ten dage, 700 jaar later, met al dat geld dat hier en nu in de omloop is, al die rijkdom van ons Avondland, gebeurt dat allemaal ‘en stoemelings’. Geen kat die d’r wakker van ligt, geen krant die daarover bericht, en al die werknemers die ontslagen worden, die zullen wel elders werk vinden, want die werkloosheid is er alleen voor de losers, en dat zijn nu eenmaal de perfecte mechanismes van die vrije markt. Waarom daar dan nog moeilijk over doen? 

De ironie is dat ik vanaf nu, voor de rest van mijn leven, net als zo’n monster van een cycloop door het leven zal moeten gaan. Dat ik verword tot datgene dat ik mijn ex-management verweten heb te zijn: een lelijk eenogig monster dat scrupuleus mensen gebruikt en verbruikt. Want misschien zal ik vanaf nu ook moeten leren mensen te verorberen. Net zoals dat vroegere management van mij. Gedaan met al die grootmoedigheid en al dat bon-vivant-gedoe. Gewoon om als mens overeind te kunnen blijven. Want als je in deze mate ongestraft gekloot kunt worden door anderen, als anderen zonder enig probleem met je leven kunnen spelen omdat er hen in dit systeem van potjes toedekken niets gemaakt kan worden, in het allerbeste geval ‘slechts’ gruwelijk verminkt kunt worden door hen zonder dat er ook maar een haan naar kraait, wat blijft jou dan nog over te doen? In een hoekje weg kruipen en sterven? Beter dan wat anderen opeten, zou ik zeggen. 

Of toch niet? Misschien is het na al mijn eigen zonden alleen maar fair dat ik zelf nu als een monster terug op de wereld gezet wordt. Want al die grootmoedigheid wordt toch ook wel gekenmerkt door een zekere hoogmoedigheid, de hoogmoedigheid van de simpelen van geest bovendien, die van ‘mij zal dat niet overkomen’, die van ‘met alle Chinezen maar niet met den dezen’, die van te denken het zelf allemaal door te hebben en al die anderen niet. Of zoals Tin graag zegt: “Hubris komt voor de val.” Tegen de ochtend ben ik, misschien door al de spuiten, het ganse plot van mijn nieuwe boek al lang vergeten, maar de kiem voor een tweede boek, dit boek dus, wordt daar toch gelegd.

Nog voor het eerste ochtendgloren verschijnen dokter Dhooghe en dokter Fransen aan mijn bed. Ze vertellen me dat de operatie veel langer geduurd heeft dan verwacht. Dat er problemen waren met het vasthechten van de bloedvaten van de flap afkomstig van mijn been aan een ader komende van mijn keel. Een bijzonder kritische vasthechting want zonder zou de ‘flap’, dat nieuw stuk vlees in mijn linkeroogkas, in een mum van tijd afsterven. Dat het, god zij dank, uiteindelijk wel gelukt was, maar dat ik daardoor pas laat hier in de ontwaakzaal ben terechtgekomen en vandaar ook hier de ganse nacht heb doorgebracht. Ze zeggen dat ik nu snel naar mijn kamer in de andere vleugel van het ziekenhuis gebracht zal worden. Vooraleer ze doorgaan, bekijken ze samen nog eens mijn linkeroog, of eigenlijk de flap want mijn oog is dus weg als ik het goed heb, dat stuk vlees in mijn linkeroogkas dus, en laten mij dan verder doezelen.

Vooraleer ik echter terug door de luchttunnel naar het andere gebouw ga, duikt ook Yvo nog eventjes op aan mijn bed. Hij vraagt hoe het gaat en bevestigt het verhaal van Dhooghe en Fransen maar bekent dat hij het ook alleen maar van horen zeggen heeft. Mensen die hij goed kent, ziet hij niet zo graag op een operatietafel liggen, zegt hij. “Echt leuk om te zien, is dat niet,” stelt hij. Ik kan het me alleen maar voorstellen. “Ik zou mezelf ook niet graag zien liggen op een operatietafel,” antwoord ik slaperig. Hij grinnikt een beetje en laat me dan ook alleen met de nieuwe shift. Uiteindelijk beland ik meer dan 24 later terug op mijn kamer. Deze keer is het het familieportret van de kinderen op het schap tegenover me dat me welkom heet.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie