23 januari 2019 14 uur – Bloedbanden

Ze weten het zelf niet, maar ze zijn mijn eerste officiële bezoek. Mijn broer en mijn schoonzus samen, naast mekaar, voor mijn neus. Ongelooflijk. We hebben elkaar de afgelopen tien jaar niet gezien, op één keer na. En nu zijn zij, of all people, de eersten om mij te bezoeken. Een mens zou van minder warm van binnen worden. 

Tin, maar dat ben ik en zij is mij, is deze voormiddag al langs gekomen. Ik was pas op mijn kamer aanbeland of ze stond er al, de schat. En vandaag gaat ze dan toch twee keer helemaal op en af moeten rijden van Kortenberg naar Gent. Deze voormiddag hebben de kinderen nog school en Ella heeft in de namiddag nog een algemene repetitie voor een voorstelling van Woord later op de week. Maar als dat ook gedaan is, komen ze allemaal samen terug af.

Ze is gisteren door de hel moeten gaan, heeft Tin gezegd. Pas tegen de avond heeft ze een telefoontje ontvangen van dokter Dhooghe. Tegen dan was ze al in alle staten en vreesde ze het ergste. Maar terwijl zij geschrokken en in tranen reageerde, bleef dokter Dhooghe heel lief en heeft hij haar direct gerust gesteld, en heeft hij haar gezegd dat uiteindelijk alles gelukt was. Maar hij stelde ook wel dat het niet veel zin had om mij gisterenavond nog te bezoeken in de post-op zaal. Dat ze beter wachtte tot vandaag. Dat ze mij toch maar amper ging kunnen zien want op die afdeling is het bezoekuur beperkt van 20 tot 20u30. En dat ikzelf sowieso nog half onder verdoving ging zijn.

En inderdaad, ik ben zelfs nu nog, bijna een dag later, wat gedesoriënteerd, en een beetje mijne kluts kwijt, en ik merk ook dat ik na 10 minuten spreken al pompaf ben, maar dat net mijn broer en mijn schoonzus mij nu al bezoeken, raakt mij zo diep dat het mij allemaal niets kan schelen. Ze mogen blijven zolang als ze zelf willen. Bovendien is het alsof we mekaar gisteren nog gezien hebben. Ze zijn geen haar veranderd. Niet dat ze van mij op dit moment nog hetzelfde kunnen zeggen. Ik ben vanaf nu al minstens één oog veranderd. En dat is wat anders dan een onnozel haar. 

Niet dat ik het zelf besef. Zelf heb ik het gevoel dat ze gewoon een heel dik compres op mijn linkeroog gelegd hebben om het toe te houden. Dat ik, als ik het zou willen, gewoon dat ding eraf zou kunnen halen en mijn oog zo maar zou kunnen openen. Zonder ook maar enig probleem. In mijn beleving is er dus voorlopig niets veranderd buiten dat kwaadaardig gezwel dat nu hopelijk eindelijk weg is. Eindelijk na al die gruwel van dat, het klinkt als een contradictio in terminis maar dat was het jammer genoeg niet in mijn geval, amateuristische Gasthuisberg. Na een gans jaar van hallucinant tijdverlies en verkeerde of ongepaste of onbekwame interventies.

Ondertussen doet het enorm veel deugd om mijn broer en schoonzus terug te zien. Niet alleen zijn ze fysiek nauwelijks veranderd, ook hoe ze onderling spreken en zich verhouden tot elkaar is totaal niet veranderd. Mijn broer is nog steeds de reus van twee meter en meer en minstens 130 kilo die zich op de achtergrond in de hoek tegen het raam zet, een bovenmaatse hond zoals mij maar dan nog met twee hondenogen, die de kat uit de boom kijkt. Mijn schoonzus voert nog steeds, net zoals vroeger, het hoge woord. En af en toe onderbreekt hij haar betoog met leuke weetjes of splijtende opmerkingen. Zo ontdek ik gaandeweg dat mijn broer ook niet gespaard is gebleven van fysieke ongemakken de afgelopen jaren. Ondanks, of misschien net door zijn pensioen. Zo heeft hij een aantal jaar geleden een stent moeten laten plaatsen in een van zijn hartslagaders. Om de bloedtoe- of afvoer van het hart op peil te houden. 

Wat ook uitvoerig ter sprake komt tijdens ons heuglijk weerzien, zijn het aantal kankergevallen in onze naaste omgeving. Ok, er is de factor leeftijd: ik, de Benjamin en het accident van de familie, ben geen twintig en zijn zijn geen dertig meer. Maar we schrikken toch van het aantal gevallen dat we zo kunnen opnoemen. Ook in de naaste omgeving trouwens. De oudste zus van mijn schoonzus bijvoorbeeld. En bij ons in Kortenberg, onze buurvrouw van vlak naast de deur, die al in een vergevorderd stadium zit. En mijn broer blijkt ook regelmatig met de auto een goede vriend van hem naar Gasthuisberg te voeren voor chemobehandelingen. En dat zijn dan nog maar enkele van de gevallen die heel dichtbij zitten.

Wanneer het woord ‘Gasthuisberg’ valt, valt er even een ongemakkelijke stilte. Ze weten beiden wat er met mij daar gebeurd is en delen mijn verontwaardiging over de gang van zaken daar, maar we, en al zeker mijn schoonzus, als ex-verpleegster, beseffen maar al te goed dat daar toch ook wel goede dingen moeten gebeuren. De ongerijmdheid van het ene met het andere valt moeilijk te plaatsen. En dat maakt het onderwerp net zo pijnlijk beseffen ze. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat er zo’n grote fouten kunnen gebeuren in zo’n gereputeerd ziekenhuis? 

En het gaat niet zozeer over dat missen dat zo menselijk is. Het gaat over het gebrek aan controle en streven naar kwaliteit binnen die organisatie net omdat dat missen zo menselijk is. De enige mogelijke rechtvaardiging voor die manier van werken is het geloof in die onbevlekte goddelijkheid van die geneesheer-specialisten, die departementshoofden, een geloof dat regelmatig gedoemd is om te falen als men er eerlijk en transparant over zou zijn. Dat en een je m’en foutisme ingebed in die hypocriete tjsevencultuur stoelend op die onchristelijke wet van de grote getallen. Want als je beaat al zoveel verloren zielen voorthelpt, dan is het toch niet zo erg dat er hier of daar een slachtoffertje rond loopt, of wel soms? Dus hoeveel mensen zouden iets dergelijks als mij mee maken in die veel te grote, volledig ontmenselijkte fabriek van zieke mensen? Hoeveel mensen al voor mij en hoeveel zullen er nog zijn na mij?

Mijn schoonzus vindt het intussen een absolute schande dat er zelfs geen scan is genomen bij het eerste onderzoek door Professor Mombaerts. Haar lijkt dat in een casus als het mijne een absolute minimumvereiste. Wat zit men daar in hemelsnaam in mensen te snijden zonder zeker te weten wat er aan de hand is, zeg? En vooral hemeltergend en dat zeker in zo’n alom geroemd ziekenhuis: aan wat voor een risico’s en mogelijke gevolgen wordt een patiënt niet bloot gesteld als achteraf blijkt dat ze het fout hebben met hun pauselijke handoplegging, zoals in mijn geval? 

De solidariteit die mijn broer en schoonzus hier in deze ziekenhuiskamer mij betuigen doet me al evenveel plezier als het eenvoudige weerzien van die twee oerfiguren uit mijn jeugd. Er is alleen die verdomde vermoeidheid. En dus ben ik verplicht om na een uurtje toch te beginnen te kennen te geven dat ik een beetje uitgeput ben. Dat ik dringend terug een dutje moet doen. Dat ik een lang gesprek echt nog niet aan kan. Vijf minuten later zijn ze weg. Mijn broer en mijn schoonzus. Archetypes uit mijn kindertijd. Zelfs als ik mijn ene, overblijvende rechteroog toe doe, zijn ze er nog. 

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie