23 januari 2019 ‘s nachts – Angel Heart in het platte land van Brel

Ik kan niet slapen. Niet dat ik klaar wakker lig. Dat veronderstelt dat je helder van hoofd bent. En dat kan ik moeilijk zeggen. Ik weet zelfs niet meer waar ik ben. Ik weet nog wel in wat ik ben: in een ziekenhuis. En ik weet maar al te goed dat ik geopereerd ben. Hoe zou ik het ook kunnen vergeten? Dat ding dat op mijn gezicht drukt, die dikke compres boven op mijn linkeroog, herinnert mij er constant aan. Maar dat ik in het UZ Gent in België ben en dat ik dus omringd wordt door professionele dienstverleners die het beste met mij voor hebben en die mij zouden helpen als ik het zou willen, dat, dat allemaal, ben ik helemaal vergeten. 

Neen, het ziekenhuis waarin ik lig, is eerder een macaber ziekenhuis. Het is een ziekenhuis waar dat pijn hebben als iets van het leven beschouwd wordt, net zoals eten en drinken dat is. En nu mag dat de facto ook wel zo zijn, maar de illusie dat het niet zo is, moet wel in stand gehouden worden, anders kunnen we allemaal net zo goed nu ineens collectief zelfmoord plegen. En dat is nog maar het ziekenhuis waarin ik verblijf in het begin van de nacht. Tegen een uur of drie wordt het nog erger: dan wordt het een ziekenhuis dat zijn patiënten graag pijn doet. Ik probeer me wanhopig voor te stellen hoe dit gebouw er nu weer van buiten uitziet en waar het juist gelocaliseerd is, waar in dit vlakke Vlaamse land dat ook van mij is, om toch maar iets van normaliteit terug te vinden. Maar het beeld dat me keer op keer, tot mijn eigen gruwel, voor ogen schiet, terwijl de wind en de regen buiten tegen het raam botst, is dat van het hotel met vele verdiepingen in de cultfilm uit de jaren ‘80 ‘Angel Heart’ waar Johnny Favorite druk in de weer is met het hart van een jonge soldaat op weg naar de oorlog uit zijn lichaam te snijden. Om daarna het nog kloppende hart op te eten en op deze manier, met behulp van zwarte magie, de identiteit van die jonge soldaat, Harry Angel, over te nemen en zo aan de duivel te ontsnappen aan wie hij zijn ziel verkocht heeft. Maar deze keer is de helrood verlichte hotelkamer in New York waar dit alles gebeurt, mijn kamer hier.

En ofwel was het al langer daarmee bezig en heeft het zo uit de coulissen van het verleden Johnny Favorite en Harry Angel terug tot leven gewekt, ofwel begint op ongeveer hetzelfde moment mijn eigen hart op hol te slaan. Of regelmatig een slag over te slaan, een van de twee. Ik voel het met zijn asynchroon ritme harder en harder bonzen in mijn borst, tot in mijn oren slaan zelfs. En het begint door mijn hoofd te malen dat ik sinds eergisterenochtend geen bloeddrukpilletje meer genomen heb. Iets wat ik, in navolging van ons moeder zaliger, al een jaar of twintig doe. Misschien dat, gecombineerd met die zware operatie, al twee dagen geen pilletje tegen de bloeddruk nemen, mijn hart gaat doen ontploffen nog voor ze het eruit kunnen halen? Ondertussen hoor ik Harry Angel verder krijsen en gillen door de muren heen.

De verpleging komt, net zoals dokter Dhooghe voorspeld had, om de twee a drie uur checken of alles goed gaat met dat stukje vlees in mijn linkeroogkas. Maar de laatste keer dat ze nu zijn langs gekomen was ergens rond 12 uur. En we zijn nu al bijna 4 uur. Af en toe bereiken er mij geluiden uit de gang, maar ik ben sinds de operatie nog altijd niet uit dit bed geweest. Omdat ik me nog niet sterk genoeg voelde, maar vooral ook omdat er in mijn rechterbeen nog zo’n redondrain steekt langs waar vuil bloed en andere vieze dingen afgevoerd worden uit de grote snede die ze daar hebben moeten aanbrengen toen ze een stuk huid voor mijn linkeroog zochten. Een drain die eindigt op een flesje dat onder aan het bed vasthangt om daar al de smurrie die traag naar beneden sijpelt op te vangen. En om daarmee rond te gaan wandelen zonder te weten hoe dat dat juist in mekaar steekt, neen, dank u. 

Ik ben ook wel niet zeker of ik al kan steunen op datzelfde rechterbeen. Misschien springt die wonde wel terug open bij de minste druk op het been. En om het helemaal compleet te maken is er sinds een half uur een bijkomend, veel concreter probleem: ik moet, ook voor de eerste keer sinds bijna twee dagen, dringend naar het toilet. Pissen is me al gelukt. In zo’n stalen bed urinoir. Maar deze keer voel ik een gigantische kramp in mijn darmen opkomen om ook een keer mijn groot gevoeg te doen. Net wanneer ik het niet meer zie zitten, wanneer ik overweeg om dat stalen bed urinoir onder mijn gat te proppen of gewoon te kakken in mijn bed, hoor ik de deur open gaan. De deuropening zelf kan ik niet zien door de hoek die gevormd wordt door de badkamer links van mij, maar eerst zie ik een karretje om diezelfde hoek verschijnen en daarachter aan, tot mijn grote opluchting, een jonge verpleegster en niet Johnny Favorite. Pas afgestudeerd lijkt ze en een beetje timide. Ik zie, vermoedelijk tegen de koude, een roos debardeurke boven het kolletje van haar wit uniform uitsteken. Ze spreekt ook nog eens in dat zacht Hents, maar ondanks dit alles is ze de daadkracht zelve. Als ik te kennen geef dat ik dringend naar het toilet moet, vraagt ze of ik denk dat ik zelfstandig kan gaan of dat ze een rolstoel moet halen. Wanneer ik antwoord dat ik denk wel zelf te kunnen wandelen, alleen schrik heb dat de redon ergens blijft achter haken en op die manier mijn been terug doet openscheuren, staat ze direct naast mijn bed en begint ze vanalles rond en aan mijn bed los te maken en te verzamelen. Na een tijdje helpt ze me recht. Even later schuifel ik als een oude, gebroken man richting toilet met, als steun, in mijn linkerhand de standaard op wieltjes waar een baxter en ondertussen ook de redon aan hangt te bengelen. Terwijl zij mijn rechterarm geklemd vast houdt en als een zorgzame ouder tegen een klein kind bemoedigende woordjes uitspreekt. Eenmaal op het toilet laat ze mij achter en zegt dat ik op mijn gemak op het toilet kan zitten en gewoon moet bellen als ik klaar ben. Ik zoek haastig en vind inderdaad vlak naast mijn hoofd in de muur van het toilet een rode belknop.

Tot mijn grote verbazing komt er enkel wat lucht uit mijn kont. Maar die vreselijke kramp is daarmee wel weg. Ik blijf nog een tiental minuten op het toilet zitten om te bekomen, maar ook omdat ik er zeker van wil zijn dat er toch niets substantiëler meer uit komt voordat ik terug naar dat bed sukkel. Maar er komt niets uit buiten nog wat extra lucht. Als ik klaar ben, druk ik op de bel. Wanneer de jonge verpleegster terugkomt, verlicht ze de ganse kamer zodat het niet alleen het nachtlampje meer is die de ruimte verlicht. Zo ontdek ik dat ze nog knap is ook nog. Maar het knapst aan haar is die overweldigende “Yes, we can!”-attitude die ze tentoon spreidt. Plichtsbewust helpt ze me weer recht en schuifelen we opnieuw samen richting bed. Ze checkt nog vlug mijn linkeroog. Brengt nog wat ontsmettingsmiddel aan op de draadjes en het omringende vlees en zegt dat alles er goed uit ziet. En terwijl ze dit alles doet, groeit ze meer en meer in haar rol en wordt zo’n pittige, zelfstandige, knappe oostvlaamse die je zo ziet mee doen aan de Gentse Feesten of Oljst Karnaval. Of misschien is zij wel echt een engel? Wanneer ze weg gaat, check ik in ieder geval vlug of er vanachter geen vleugeltjes aan hangen. Ze heeft mij letterlijk, en nog veel meer figuurlijk, recht gehouden die eerste, afschuwelijke nacht in de hotelkamer van Harry Angel. Tegen een uur of vijf val ik eindelijk in slaap.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie