24 januari 2019 overdag – De vliegende witte brigade

Het is de tweede dag na mijn operatie en het is alsof de verpleging en het overige medisch personeel dit zien als het signaal om terug in actie te schieten. De bedrijvigheid van op de gang verplaatst zich in tegenstelling tot gisteren integraal naar mijn kamer. Vanaf in de vroege ochtend komen om beurten de verpleegsters binnen met ontbijt, gevolgd door allerlei meetapparatuur en uiteindelijk medicatie. Ze komen in alle kleuren en maten. Er zijn er blonde bij, bruine en zwartharige. Er zijn er kleine, middelgrote en grote. En er zijn er dikke bij en dunne. Tot mijn grote spijt is de gemiddelde leeftijd van de dagploegen wel iets hoger dan die van de witte engel met het roos debardeurke van afgelopen nacht. Ik schat ongeveer 45 jaar gemiddeld; een mooie belcurve dus met enkele jonge dertigers en een aantal wat ruimer uitgevallen vijftigers zoals mij. En ook het divagehalte valt wat tegen, ondanks het feit dat het allemaal verpleegsters zijn die dat ik te zien krijg, nu dat die ene homoseksuele verpleger die mij in het begin zo warm en vooral luidruchtig ontving net nu wat recuperatiedagen lijkt te hebben.

Maar wat ze allen gemeenschappelijk hebben, is hun professionele attitude. Er wordt geluisterd naar mijn vele verzuchtingen en er worden gerichte vragen gesteld. Voor zever is er hier duidelijk geen plaats. Na een tijdje besef ik dat er vooral ook geen tijd voor is want dan pas begrijp ik hoe breed uitgesponnen het verplegend personeel niet is, ruimtelijk en functioneel: ze moeten met een team van vijf, zes man deze ganse vleugel van het gebouw bedienen en ze moeten zo goed als alles doen. Alleen het eten wordt door apart personeel aangedragen, zo wordt geleidelijk aan duidelijk.

“Of ik goed geslapen heb?,” wordt er gevraagd. “Barslecht,” antwoord ik, “of amper toch. Pas tegen een uur of vijf ben ik in slaap gevallen.” En ik vertel over afgelopen nacht, mijn plotse aanval van slapeloosheid, over de geweldige buikkramp en over de knullige poging om tot wat stoelgang te komen. Johnny Favorite en Harry Angel laat ik bewust achterwege. Als je de film niet kent, heb je er toch niets aan. En de jaren ‘80 zijn al net zo lang als puntschoenen geleden. “Dat is normaal, weet u?,” reageert de verpleegster. “Normaal?” “Na een operatie. En zeker na een operatie die zo lang geduurd heeft als bij u.” “In welke zin dan?,” vraag ik benieuwd. “Dat moet allemaal terug in gang schieten, begrijpt u?,” en ze maakt enkele cirkelbewegingen met een slap handje voor haar eigen buik. “Dat u al hebt kunnen pissen, is al een goed teken. Als u nu vandaag of morgen ook nog eens op het groot toilet kunt gaan, weten we dat alles terug heropgestart is.” “Ach zo, dat wist ik niet. Ik bedoel, ik wist niet dat die ganse spijsvertering ook stil lag onder algemene verdoving.” “Toch is het zo,” reageert ze nu met enige zelfbewuste authoriteit, “u zult trouwens merken dat uw eerste stoelgang veel harder zal zijn dan normaal. Het is daarom ook dat het wat meer moeite kost.” “Nogmaals, dat wist ik allemaal niet. Bedankt voor de informatie alvast. Zo weet ik tenminste wat er aan de hand is.”

Soms stellen ze ook bijzonder vreemde vragen. Zo vragen ze mij opnieuw en opnieuw wat mijn naam en geboortedatum is. Alsof ze om de vijf voet willen checken of ik nog wel helder bij hoofd ben. Aangezien ze het systematisch doen, vermoed ik dat het de standaardprocedure is om te checken of alles nog in orde is met de patiënt? Om te voorkomen dat er ergere dingen gebeuren, zoals een onopgemerkte hersenbloeding na een operatie of voorkomen dat de patiënt helemaal begint te raaskallen net wanneer er bezoek is? Of misschien hebben ze op één of andere manier toch gehoord van afgelopen nacht, van Johnny Favorite en de zijnen? En willen ze checken of ik niet nog steeds aan het hallucineren ben? Ik beslis om het snel te testen en antwoord de volgende keer dat ik de kans krijg: “Harry Angel, 25 December 1966,” om te zien hoe ze reageert. Het is duidelijk dat ze er niets van weet. Maar ze kan er ook niet mee lachen en kijkt me streng aan: “Dat is hier wel niet om te lachen hein, mijnheer Hoskens.” “Ja, maar als je mijn naam al weet, waarom vraag je het dan?,” reageer ik op mijn teen getrapt. “Wij moeten dat doen, mijnheer Hoskens. Dat zijn de regels.” “Het is alsof jullie constant zitten te checken of ik nog wel weet wie ik ben.” “Dat is niet de bedoeling, mijnheer Hoskens. Het is net andersom. Het is om te checken of wij wel bij de juiste patiënt zijn.” Mij klinkt op dat moment dat antwoord al even belachelijk in de oren. “Alsof er zoveel patiënten zouden zijn,” flitst er misnoegd door mijn hoofd. Pas nadien, als ik zie aan wat voor een tempo ze mekaar opvolgen en vervangen wanneer nodig, heb ik door dat het misschien toch niet zo onverstandig is, die systematische identiteitscontrole door de vliegende witte brigade.

Wat ze ook op elk scharniermoment van de dag vragen, is mijn pijnscore op een schaal van 1 tot 10. Ik antwoord: “Pijn? Op dit moment? Zo goed als geen. 1 misschien. Of 2 maximum. Die pijnstillers doen hun werk bijzonder goed blijkbaar.” “Ja, in die baxter zitten voorlopig nog wat pijnbestrijdende middelen. Dat werkt goed. Maar straks gaan we de baxter al wel verwijderen. We zullen zien hoe de pijn dan zal evolueren,” krijg ik als reactie. Het woord pijnstillers doet me echter ook denken aan mijn eigen pilletjes en mijn op hol geslagen hart van afgelopen nacht en ik vraag vlug of ik die nog niet moet beginnen nemen. Dat ik die normaliter elke dag neem. Ze antwoorden van wel. Dat ik die gisteren, de dag na de operatie, gemist heb, is niet zo erg zeggen ze, omdat mijn lichaam toch nog wat moest herstellen van de operatie. Maar vanaf de tweede dag wordt het wel tijd om ze terug te beginnen innemen. Dus neem ik vlug terug mijn bloeddruk- en anti-cholesterolpilletjes. 

Iets na de verpleging in de ochtend is het de beurt aan de assistenten van Dokter Dhooghe om langs te komen. Hun bezoeken zijn veel korter en to-the-point. Meestal komen ze per twee. Ze maken blijkbaar wel gebruik van de bovengrondse tube die tussen het hoofdgebouw en dit gebouw loopt. Want ondanks de winterse taferelen buiten, voor het eerst sinds lang ligt er nog eens een dun laagje sneeuw over ons zeeklimaatland, komen ze af in hun open witte doktersoverall gedragen over hun vrijetijdskleren heen. Het vleeslapje wordt telkens gechecked en ook of ik pijn heb, komt steeds aan bod. Daarna volgt het vragenminuutje en mag ik om het even welke medische vraag stellen. Zolang ze maar relevant is. Maar ze luisteren wel met veel empathie en ze antwoorden telkens naar eer en geweten zodat ik echt wel het gevoel krijg hier in goede handen te zijn.

In de loop van de voormiddag, net wanneer ik op vraag van de verpleging op mijn zij lig met mijn rug naar de deur toe terwijl zij de kussens van het bed een beetje aan het opkloppen zijn, valt Professor Vermeersch binnen samen met wat achteraf de oncocoach van het UZ Gent blijkt te zijn. Ik verschiet van de plotse aanwezigheid van de professor, draai me snel om in mijn bed en roep een beetje overdreven uit: “Professor Vermeersch, wat tof om u te zien! Ik wil u ongelooflijk hard bedanken voor alles wat u gedaan hebt! U hebt mijn leven gered!” Hij reageert zichtbaar gegeneerd en kijkt vanonder zijn mooie haarbos verlegen naar de oncocoach terwijl hij met zijn stijlvol, lijzig Morsetimbre zegt: “Ja, ik denk dat de operatie goed verlopen is, maar we gaan nu moeten zien hoe alles verder evolueert, hein mijnheer Hoskens.” Zijn voorzichtigheid doet hem weer alle eer aan. Zelf word ik weer overvallen door die onweerstaanbare drang om hem te knuffelen. Bescheidenheid tot op het einde. Waar vind je dat nog? Held.

Als ik even later alleen met de oncocoach in de kamer achterblijf want ze wilt zich nog even persoonlijk voorstellen, blijkt dat ze het niet zo graag heeft om oncocoach genoemd te worden. Wanneer ik, vertrekkende van mijn recente ervaringen in het AZ Maria Middelares, het woord in alle onschuld laat vallen, zie ik haar bedenkelijk wegkijken om mij daarna snel te corrigeren door te zeggen: “Ja, ik begeleid mensen als u, dat klopt. Maar wij noemen dat niet oncocoach hier, hoor.” “Hoe dan wel?,” vraag ik nog. Maar ze houdt het blijkbaar liever vaag en vindt de titel ‘oncocoach’ iets te simplistisch. Het is inderdaad dan ook niet zo’n eenvoudig om zo’n job onder één noemer te vatten, denk ik. Maar ook zij weet op deze manier al direct mijn aandacht te winnen want mensen die oog hebben voor de complexiteit en de impact van woorden en daarom, hoe moeilijk ook, op zoek gaan naar de juiste woorden, moeten gekoesterd worden in dit tijdperk van verbale diarree.

Wat me vooral weer opvalt in de loop van de dag is de mate waarin verplegend personeel en dokters elkaar en onderling als volledig gelijken behandelen. Hier weer geen stricte hiërarchie zoals in dat arrogante Gasthuisberg waar het organigram gebaseerd is op het katholieke splijtende principe van God versus klein Pierke en dat doorgetrokken tot in de hemel. Zodat iedereen ineens zijn plaats kent op deze wereldlijke aarde met chirurgen die zelfs aartsbisschoppen de loef afsteken als het gaat over de pikorde aan de rechterhand van de Almachtige. Neen, zo plat als een vijg is deze organisatie. Hier is de input van een verpleger even veel waard als die van een dokter. En, gewoon op basis van de enkele interacties waar ik getuige van ben, heb ik de indruk dat als er hier een verpleger neen zegt, het zelfs neen blijft. Of dat er in ieder geval veel meer overtuigingskracht vereist is dan ‘ik ben de baas’ om hun standpunt te doen veranderen. Ik zie het de zo-vol-van-zichzelf-zijnde Hartenkoningin nog niet doen. Ze zou ze nog eerder laten executeren al die vervelende, insubordinerende kaarten. Jammer genoeg geldt die platte organisatie ook wel voor mij. Nadat ik op mijn beurt een kritische vraag stel aan één van de witte professionals die in de loop van de dag binnen vallen, antwoordt ze mij dat ik precies een moeilijke ben. “Ik mag dat toch zeggen?,” vraagt ze onmiddellijk daarna uitdagend met de kin naar voor. Ik grijns en reageer terug: “Gij, gij moogt van mij zeggen wat gij wilt, gij.” Maar zo weet ik ineens wel dat ik braaf moet luisteren en ook wat meer mijn mond moet leren houden.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie