Afspraak is dat, na al het heen en weer gerij van gisteren plus de eerste voorstelling Woord van Ella deze avond, Tin vandaag niet komt. En als ik heel eerlijk ben, afgaande op mijn buitensporige reactie op de drukte gisteren, kan ikzelf ook wel een rustpauze gebruiken. Eerst een beetje aansterken vooraleer ik opnieuw geconfronteerd word met die ongebreidelde energie van die twee monsters, luidt de conclusie. Maar het is ineens wel heel rustig geworden hier in mijn kamer. In het begin kon het mij niet zoveel schelen. Er was genoeg beweging en dingen te doen met die witte brigade die binnen en buiten vloog. Maar naarmate de dag vordert, voel ik me eenzamer en eenzamer worden. En tegen dat het avond wordt, voel ik me gewoon alleen op de wereld.
Zelf had ik gedacht dat mijn zuster, nog eerder dan mijn broer, als één van de eersten hier zou staan, maar voorlopig valt ze nergens te bespeuren. Misschien had ik haar dan toch een mailtje moeten sturen met gedetailleeerde richtingaanwijzingen over hoe je hier kunt geraken, met de auto of met het openbaar vervoer, zoals ze zelf eigenlijk gevraagd had onlangs aan de telefoon. Ik had die bizarre vraag niet serieus genomen want wat was het probleem eigenlijk? Van Dessel naar Gent gaan? Is dat niet hetzelfde als van Dessel naar Turnhout gaan? Alleen een beetje verder? Maar terwijl dat ik, als ex-universitair, en product managerke van mijn voeten, met mijn leasingwagen overal naartoe rijd alsof het niets is, is voor haar, ex-leerlinge snit en naad van het Heilig Graf en ondertussen ook al gepensioneerd, een trip naar het UZ Gent misschien al bijna even ver als voor mij een city trip naar Toulouse of een familieuitstap naar het Zwarte Woud. Of is dit allemaal onzin en willen ze zich gewoon de ellende besparen van die eerste dagen, zijn ze van plan pas dit weekend of volgende week af te komen?
Om het nog erger te maken, blijft de complexiteit van een verplaatsing naar het UZ Gent zelfs niet beperkt tot de fysieke kant van de zaak. Voor ons, afstammelingen van Kempische katholieke boerenzonen en -dochters, is Gasthuisberg het hoogst haalbare wat betreft gezondheidszorg in dit Belgenland. En het is niet omdat die illusie bij mij volledig in scherven op de grond ligt, aan diggelen geslagen door een schabouwelijk beheerd departement, universitair ziekenhuis of geen universitair ziekenhuis, dat dat bij mijn zuster ook het geval zou zijn. Dat UZ Gent, of al dat vrijzinnig gedoe in het Gentse, staat aan de andere kant van het spectrum en is de grote vijand van de familiezuil waarin we allen opgegroeid zijn. Kortom het is voor ons ongekend terrein en behoort tot een andere wereld. Zelf kan ik me vanaf nu alleen maar beklagen grootgebracht geweest te zijn met zo’n grote oogkleppen op, maar ik ben er zeker van dat mijn zuster nog nooit in het UZ Gent geweest is. Net zo min als dat ik ooit gedacht had hier te moeten zijn om professionele hulp te krijgen. Tot een goede maand geleden.
Net wanneer de eenzaamheid dreigt de overhand te nemen, en ik op het punt sta te besluiten dat niemand mij met één oog nog graag heeft, wordt er tot mijn grote blijdschap geklopt op mijn deur. Het is Tim die mij helemaal uit Brussel komt bezoeken. Of beter gezegd: hij moet voor zijn werk ergens in de buurt zijn en probeert de twee activiteiten te combineren; vandaar ook dat Isolde er niet bij is. ‘Voor zijn werk’ is echter wel heel relatief deze keer: hij moet naar een etentje aangeboden door een leverancier van zijn werk. In een chique restaurant. En vooral ook een restaurant dat bekend staat voor zijn goede wijnen. Als wijnliefhebber pur sang en levensgenieter in het algemeen net zoals mij is dat eigenlijk de max: lekker eten vergezeld van de juiste wijnen. Geef die rijstepap met gouden lepels maar aan anderen.
Maar alhoewel ik dus keiblij ben dat hij er is en dankbaar dat er toch iemand mij vandaag nog komt bezoeken, voel ik dat het bezoek mij niet goed afgaat. Daarvoor voel ik me gewoon te slecht. Of ben ik gewoon nog altijd te moe na die zware operatie en twee slapeloze nachten. Ik zie dat hij ook een beetje verschiet van hoe slecht ik er wel aan toe ben. En niet alleen fysiek, zo met één oog minder, maar ook moreel. Want het is niet omdat dat gezwel nu eindelijk uit mijn hoofd weg is, dat het allemaal vanaf nu terug in orde is. Daarvoor heb ik veel te veel kostbare tijd verloren in Gasthuisberg. En ik kan het niet laten om dat tegen Tim te blijven herhalen en herhalen tot in het oneindige.
Hijzelf zit met zijn rug tegen de muur schuin voor mij. En is zoals altijd in piekfijn kostuum. Terwijl hij daar zit en mijn geklaag aanhoort, zie ik hem stijlvol zijn nagels verzorgen en besef ik plots het immense verschil tussen ons beiden ook vanaf nu. Hij, de nog steeds bijzonder succesvolle manager van een bedrijf in die dynamische telecomsector, ondertussen al verantwoordelijk voor een honderdtal mensen. Ik, de product marketing manager die de afgelopen jaren heeft zitten wroeten in die allesbehalve dynamische banksector, in een zelf volledig vastgeroest bedrijf, om toch maar nieuwe, innovatieve diensten van de grond te krijgen. Met als enige afwisseling af en toe knokken met een sociopathische Sales Manager, voor wie mensen vernederen een hobby is. En nu, net op het moment dat er eindelijk, na vier jaar vechten, extern en intern, er klanten gingen zijn die op de nieuwe offers zouden gaan intekenen, val ik uit en mis ik volledig mijn moment de gloire. Daar komt nog eens bij dat als ik ooit uit deze put geraak, als ik al ooit terug aan het werk geraak, dat het al minstens met één oog minder zal zijn en een verminkt gezicht. En wie wilt er nu delicate gesprekken voeren met iemand met een geschilderd kunstoog; wimpers, oogvocht en al inbegrepen? Je kunt zo iemand zelfs niet in de ogen kijken. Mijn ontslag bij Mobistar, waar ik het al zo moeilijk mee heb gehad, was klein bier vergeleken met dit alles. Van deze klap ga ik nooit meer kunnen herstellen, hoezeer ik ook mijn best doe. Ik ga dan ook een groot kruis kunnen maken over mijn verdere loopbaan.
Ondertussen is Tim zijn nagels al aan het afbijten. Na een uurtje staat hij opgelucht recht. Hij mag de afspraak natuurlijk niet missen, zegt hij. “Natuurlijk niet,” antwoord ik. “Doe dat goed,” zeg ik nog, “en geniet ervan. Wat zou ik graag mee gaan. Die ziekenhuiskost hier is toch niet zo’ne vette, hoor. Misschien dat je mij een flesje wijn kunt nasturen?” Hij moet lachen, belooft me zijn best te doen en wenst me nog een goed herstel. Even later hoor ik Tristan met zijn trotse, zelfverzekerde voetstappen langzaam verdwijnen in de gang. Terwijl ik, Kurnewal, dodelijk getroffen achterblijf. “Het kan verkeren,” zei Bredero al aan het begin van die Gouden Eeuw. En voor één keer had een Hollander gelijk.
