24 januari 2019 ’s nachts – In dit leven moet je het heft, en soms ook andere dingen, in handen nemen

Ik lig met mijn ogen toe met mijn hoofd op mijn hoofdkussen. Ik lig op mijn rug want het is mijn linkeroog dat ze weggehaald hebben, dus ik kan niet liggen op mijn linkerkant. Nu dat ik eraan denk, ik kan dat oog dus eigenlijk ook niet meer toe doen. En in mijn rechterbeen steekt er een drain in de grote snijwonde die ze daar gemaakt hebben voor die flap in mijn linkeroogkas, dus ik kan ook niet op mijn rechterkant liggen. Blijft over: plat op mijn rug. Niet eenvoudig om in slaap te vallen in zo een opgelegde houding en geen mogelijkheid tot woelen of zelfs maar omdraaien. Maar na afgelopen afschuwelijke nacht met de geest van Harry Angel die totaal onverwachts op bezoek kwam, hoop ik eindelijk nog eens goed te kunnen slapen. 

Het lukt echter weer niet. En deze keer is het niet meer mijn hart dat op hol slaat. Deze keer is het gewoon pijn. Vreemde pijn wel, zenuwpijn. Pijn die ik de laatste weken voor de operatie heb ik leren kennen. Toen was het het kankergezwel dat drukte op zenuwbanen in mijn oogholte en sinus of voorhoofd, zo werd er mij gezegd. Nu is het… wat? Want het gezwel is weg. Of toch niet? Het begint met een zeurderig gevoel ter hoogte van mijn neus. Dan worden het elektrische storingen die zich onderhuids voortplanten. En langzaam beginnen de elektrische schokjes zich te verspreiden. Tegen dat het 3 uur ‘s nachts is, is het alsof mijn linkeroogkas of alles wat daarin zit of daarrond hangt voortdurend kortsluitingen genereert. 

Van slapen komt dus weer niet veel in huis. En zelfs niet zozeer door de pijn want zo pijnlijk is het nu ook weer niet. Maar vooral door de vragen die de pijn oproept: is het gezwel wel echt weg? Heb ik soms nog steeds kanker? Ondanks de opoffering van mijn oog en de operatie? Misschien was het dan toch allemaal een maat voor niets en waren we de facto te laat. Heeft Hartenkoningin na haar ridicule handoplegging mijn doodvonnis getekend en afgekondigd met passend klaroengeschal; nu al een maand of acht geleden op 1 juni 2018; vanachter haar bureautje, vanop haar troon, boven op Gasthuisberg. Mijn kinderen zien studeren, laat staan afstuderen, gaat niet meer lukken. Mijn kleinkinderen ga ik ook nooit leren kennen. Het zijn deze misselijkmakende gedachten die door mijn hoofd spoken en mij het slapen onmogelijk maken.

Misschien wordt de pijn veroorzaakt door de baxter die ze vandaag weggehaald hebben en moet ik dringend nieuwe pijnstillers krijgen? Ik beslis dan ook te wachten op de nachtverpleging die elk moment terug langs moet komen om dat vleselijk ooglapje te checken. En misschien is het wel terug de engel met het roze debardeurke, stel je voor. Tot overmaat van ramp, tegen half vier, alsof mijn bioritme daarop ingesteld is, krijg ik opnieuw een enorme buikkramp. De ganse dag heb ik er geen last van gehad. Terwijl ik nochtans de ganse dag geduldig aan het wachten was. Die cirkulaire beweging van die verpleegster had haar doel niet gemist. Aangevuld met de statement: “Als dat ook nog terug in gang schiet, is alles terug in orde,” was de boodschap duidelijk overgekomen. En nu, midden in de nacht, terwijl ik al wakker lig van de pijn en vooral al die gedachten die door mijn hoofd spoken en dus weer niet kan slapen terwijl ik fysiek volledig op ben, beslist die spijsvertering ter hoogte van de darmen zijn eindspurt in te zetten terwijl voor zover ik weet die kont nog steeds een doodlopend steegje is.

Ondertussen sijpelen er continue geluiden van op de gang binnen. Vooral het piepende karretje hoor ik voortdurend op en af rijden. Eerst moet ik terugdenken aan Johnny Favorite, op zoek naar een hart om aan de duivel te ontstappen. Maar na een tijdje heb ik door dat de nachtverpleegster gewoon beide vleugels van deze verdieping zit op en af te rijden. Eén nachtverpleegster voor vijftig bedden? Nog een voorbeeld van Excelbesparingen door onze politieke bewindvoerders? Uiteindelijk heeft zo een verpleger of verpleegster, wat het ook mag zijn, toch al die patiënten van 10 uur ’s avonds tot 6 uur ’s morgens helemaal voor haar alleen. Dat is 8 uur. Gedeeld door 50 bedden. Dat geeft 9,6 minuten per bed. Is dat niet genoeg soms? Bovendien slapen die patiënten toch wel allemaal of toch de meesten onder hen? Dat kunnen toch niet allemaal van die sukkelaars zijn zoals ik? Met stront in de buik én in de kop? Als zelfs maar de helft goed slaapt, wat ons toch een heel conservatieve inschatting lijkt met al die drugs hier, dan hebben we al 19.2 minuten per bed. Dat is al wat beter. Excelmanagement: het summum van professioneel management aan het begin van de 21ste eeuw. Rechtstreeks overgewaaid uit de privé-sector van die chique managers naar de openbare voor de professionalisering van de dienstverlening. Bijkomend voordeel, ook zowel in de privé als in de openbare sector: ge moet geen keuzes maken. Ge bespaart gewoon op alles en ondertussen kunt ge stoer op uw borst kloppen. Want gij durft dingen te doen die anderen niet durven te doen. Gij zijt gewoon keigoed bezig. En als iemand u tegenspreekt, haalt ge gewoon uw Excelfile boven.

Tegen een uur of vier kan ik het niet langer aan en druk ik op de bel. Met veel lawaai dendert de roze engel even later binnen. Onze kortstondige ontmoeting van afgelopen nacht heeft haar zelfvertrouwen blijkbaar serieus deugd gedaan. Ze is amper binnen of ze roept al uit: “Hoe gaat het met u, mijnheer Hoskens?” Alsof ze door luid te spreken, mij tracht te bezweren. Ik leg haar uit dat ik opnieuw een kramp heb, en ondanks mijn geduldig wachten tijdens de dag nog altijd niet in staat ben geweest om naar het toilet te gaan. Op het einde vraag ik haar om mij, net zoals afgelopen nacht, te helpen er te geraken. Enkele minuten later schuifel ik weer als een oud, versleten manneke richting toilet. In mijn linkerhand heb ik als een wandelstok op wieltjes de standaard vast, deze keer al zonder baxter maar nog wel met redon, terwijl zij mij aan mijn rechterarm ondersteunt. De bemoedigende woordjes laat ze deze keer gelukkig wel achterwege want ik voel de rebellie in mij over mijn miserabele toestand agressief toenemen. 

Als ik eindelijk op het toilet geraak, komt er weer net als afgelopen nacht enkel lucht uit. Marlene Dietrich heeft me ook weer net als afgelopen nacht even alleen gelaten. Ik beslis terplekke om alles zelf in handen te nemen. Ik buig me naar voor terwijl ik op het toilet blijf zitten en me met mijn rechterhand voorzichtig aan de metalen stang op wieltjes vast houd, zodat ik niet van het toilet af kan glijden, en ga op medisch onderzoek uit. Ik tast voorzichtig met mijn linkerhand naar mijn gat. Wanneer ik de locatie van de kringspier nauwkeurig heb vastgelegd, ga ik met de vingers van mijn linkerhand in mijn aars en probeer vast te stellen waar dat het juist blokkeert. Ik hoef niet diep te gaan om te voelen dat er een keiharde bol zit met een doorsnede van enkele centimeters. “Er zit gewoon een steen in mijn kont. Geen wonder dat er niets uitgeraakt,” hoor ik mezelf met een galmende echo luidop zeggen in de badkamer. Ik probeer met mijn vingers rond de steen te geraken om hem vast te pakken. Eenmaal wanneer dit lukt, begin ik eraan te wrikken. Zo ontdek ik dat hij enkel vanonder, aan de onderkant, de kant richting doorgang, de kwalificatie ‘steen’ verdient. Daarboven is hij al iets toegeeflijker, maar nog altijd stevig genoeg om vast te grijpen. Met veel moeite en geduld slaag ik erin om hem na een minuut of vijf uit mijn kont te wrikken. Ik hoor hem met veel lawaai in de pot vallen. Het klinkt bijna als een steen die in een diepe put valt en terloops nog wat afketst van de stenen wand. De opluchting die ik voel is gigantisch. En er volgt nog een echt klein kakje eventjes later. “Kijk mama, zonder handen,” flitst door mijn hoofd.

Als de roze engel terugkomt, moet ik me inhouden om niet met trots op mijn stoelgang in de toiletpot te wijzen. Maar een minuut later ben ik al niet langer een peuter die leert om zindelijk te zijn, maar terug een oude vent van 90 jaar die nog maar moeilijk te been is. En terwijl ze mij terug richting bed helpt, stoot ik per ongeluk met mijn rechterelleboog tegen één van haar ver in het witte uniform verborgen borsten. Ter hoogte van de tepel zo lijkt het. Ik voel in ieder geval iets hards tegen mijn elleboog schuren. De vieze oude vent in mij slaagt erin om zelfs dit, op zo’n diepmenselijk moment van totale afhankelijkheid, erotisch te vinden. Die fabel van de scorpioen en de kikker is dan toch niet zo slecht gevonden. Ik laat me dan ook gewillig naar mijn bed voeren en vraag haar daar gedegouteerd van mezelf – genoeg is genoeg – of ze niets tegen de pijn heeft, stilletjes hopend dat ze met zo’n morphinespuit afkomt zoals in de post-operatieruimte zodat ik zo snel als mogelijk weg geraak van deze plaats. Ze antwoordt: “Ja, ik heb hier nog wel wat liggen. Maar hoeveel pijn hebt u juist, mijnheer Hoskens?” Ik heb schrik dat ze weer met zo’n leugendetectorachtige pijnschaal afkomt en reageer snel: “Toch wel redelijk veel. Ik vraag me af of het misschien is doordat de baxter verwijderd is geworden vandaag in de namiddag, kan dat?” “Ja, dat kan,” antwoordt ze, “hebt u al wat pilletjes gekregen?” “Neen, tot nu toe niet.” “Dan zullen we u eens een goei straf pilletje geven,” reageert ze moederlijk. “Is dat OK voor u, mijnheer Hoskens?” “Ja, goed straf, dat klinkt heel goed. Is dat dan geen spuitje?,” probeer ik nog eens. “Neen, een spuitje is het niet. Maar het is wel een straf pilletje. Wacht ik zal er eens eentje gaan halen.” Een tijdje later komt ze terug en geeft me een pilletje ‘Diclofenac’. Nooit van gehoord van die chemische drug. Ik voel het vooral in mijn maag nogal stevig aankomen; een vlammende pijn die enkele seconden aanhoudt. Aan die zenuwpijn in mijn gezicht doet het precies niet veel. Maar tegen een uur of vijf val ik opnieuw en toch pas in slaap.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie