25 januari 2019 voormiddag – Ik val van mijn bed

We zijn ondertussen al vrijdag. Drie dagen geleden is mijn linkeroog samen met een motherfucking kankergezwel verwijderd uit mijn hoofd. Dat het al drie dagen geleden is, blijkt onder andere uit de toegenomen pijn of gevoeligheden in en aan mijn hoofd. Gevoeligheden is misschien een beter woord want enerzijds zijn er de pijnscheutjes, die doorgesneden zenuwtakjes waarvan sinds gisteren sprake, die zich doen gevoelen; op dit moment vooral, heel raar, onder mijn neus en, God weet waarom, aan de rechterkant, de andere kant, van mijn bovenlip. Anderzijds zijn er gevoeligheden die zich nog het best als ‘ongevoeligheid’ laten vertalen. Zo is er een hele vreemde sensatie aan de linkerkant van mijn hoofd, vanaf vlak boven mijn linkeroogkas, recht omhoog, tot aan de achterkant van mijn schedel links, waar ik totaal geen gevoel meer heb. Als ik daar met mijn linkerhand aankom, voel ik wel nog de tast van mijn hand, maar niet meer mijn hoofdhuid die te kennen geeft tot hier en niet verder. Wat mijn hoofd betreft, is het een ronde bal die ik aanraak. Als ik wil, draai ik gewoon mijn hoofd los en kan ik beginnen basketballen. 

In de loop van de voormiddag valt Dokter Dhooghe binnen. Hij is duidelijk ingelicht, ofwel door zijn assistent, ofwel door Yvo of Willem, want hij valt direct met de deur in huis. Die zenuwpijnen zijn volledig normaal zegt hij. “Maar jammer genoeg, bestaat er geen specifieke medicatie voor,” vult hij aan, net zoals Willem al had aangegeven. “Als het echt te veel wordt voor u, mijnheer Hoskens, kunnen we u wel een anti-depressivum voorschrijven. Dat is op zich niet ontwikkeld als een pijnbestrijder van zenuwpijn. Zoals de naam het zelf zegt, gaat het om geneesmiddelen die erop gericht zijn een depressie te milderen, uit te vlakken. Maar men heeft over de jaren heen ontdekt dat het ook helpt tegen neurasthenische pijnen, zoals in uw geval. Jammer genoeg hebben die echter ook wel wat negatieve bijwerkingen, zoals slapeloosheid, gewichtstoename, mogelijks ook libidoverlies, en stemmingsstoornissen.” Slapeloosheid doet me na de afgelopen nachten al wat rillen, maar vooral het woordje ‘libidoverlies’ doet bij een macho zoals mij alarmbelletjes afgaan. Maar dokter Dhooghe gaat nog wat door: “Bovendien begint het pas te werken na een aantal weken. Het kan zijn dat u het zes weken moet innemen alvorens u ook maar enig resultaat merkt. Dus mogelijks gaat het pas beginnen werken tegen dat het al niet meer nodig is. Daarom hopen we dat u de pijn zo verder kunt verdragen en dat het na een tijdje vanzelf weg gaat gaan. Dat zou het beste zijn.” Ik begin te begrijpen waarom Willem al hoopvol stelde dat ‘het wel zal beteren met de tijd.’ En libidoverlies is het laatste dat ik ook nog wil mee maken, dus ik beslis sowieso te gaan voor de optie met de knalrode Sportiva’s.

Ondertussen zet Dokter Dhooghe zijn betoog voort: “Verder, mijnheer Hoskens, moet ik zeggen dat u er super uitziet. Uw herstel verloopt voorspoedig. De flap houdt goed stand en we zien geen enkele vorm van infectie opduiken. En de redon kan wat mij betreft ook deze namiddag al verwijderd worden. Er is geen echte toename van pus meer te zien. Dit alles samen, mijnheer Hoskens, betekent dat u wat ons betreft morgen of overmorgen naar huis kunt gaan.”

Als je van een bed zou kunnen vallen zoals je van een stoel kan vallen, dan zou ik nu gevallen zijn. Ik kan mijn oren niet geloven. “Maar u hebt gezegd dat ik zo’n twee weken hier ging moeten blijven?,” reageer ik ongelovig. “Ja, maar alles evolueert zo goed, mijnheer Hoskens.” “Dat kan misschien wel zijn, maar ik voel me helemaal niet zo goed. Als ik deze ochtend niet op rituele wijze gewassen geweest was door die ene verpleegster, zou u mij hier meer dood dan levend aangetroffen hebben.” Dokter Dhooghe moet lachen bij het horen van de woorden ‘op rituele wijze’. Of is het die dramatische ‘meer dood dan levend’ die op zijn lachspieren werkt? “Dat betwijfel ik, mijnheer Hoskens. U ziet er patent uit.” “Sorry, maar ik ben een wrak, Dokter Dhooghe. Sinds de operatie heb ik nog geen enkele keer fatsoenlijk kunnen slapen. Bovendien had u mij ook verteld dat men minstens 5 dagen systematisch die flap in mijn oog ging moeten checken met een Doppler? Met zo’n klein toestelletje checken of mijn hartslag wel goed doordringt tot in het vleeslapje? Dat de doorbloeding dus in orde is en blijft? Als we er vanuit gaan dat ze pas tegen een uur of vijf gedaan was, heeft de operatie nog geen 3 dagen geleden plaats gevonden. Dus tot minstens al overmorgen ’s avonds moet die regelmatige Dopplercheck nog gebeuren als ik goed kan tellen. En nu zegt u dat ik misschien morgen al naar huis kan? Dat is toch allemaal niet consequent?” Dokter Dhooghe voelt zich echter helemaal niet aangesproken en gaat onverstoorbaar verder op de ingeslagen weg: “Ook voor het slapen zou het beter zijn dat u thuis zou verblijven, mijnheer Hoskens. U bent daar in uw vertrouwde thuisomgeving. U gaat daar veel beter slapen. En zoals gezegd, de flap ziet er bijzonder goed uit. Ik zou me dus niet al te veel zorgen meer maken over mogelijke infecties of afstotingsverschijnselen.” Ik wil antwoorden dat ‘niet al te veel meer’ een eufemisme is dat mijn huidige binaire gemoedstoestand niet kan assimileren, maar ik ben te verbijsterd om verder te protesteren. Ik voel alleen hoe mijn lichaam virtueel terug op het bed kruipt en zich ingraaft in de loopgrachten. ‘Wat denken die eigenlijk, zeg? Dat ik zomaar bij het vuilnis kan neergezet worden? Dat ze maar eens proberen mij hier buiten te krijgen!’, zijn de rooksignalen die het geeft.

Pas wanneer Dokter Dhooghe terug vertrokken is, dringt het tot me door dat ik op eigen kracht zelfs nog niet uit dit bed ben geraakt. Hoe gaan ze mij dan in hemelsnaam in een auto krijgen, vraag ik me af? Misschien met de rolstoel tot aan de auto rijden en dan erin steken met de hulp van een body builder vermomd als verpleger? Of zouden er hier in de gangen soms nog meer van die bizarre figuren met een gemiste roeping rondlopen? Zoals die wasnon? Zou er hier ook nog een in het wit geklede, mislukte buitenwipper in de gangen rond dolen? Hoe dan ook, dat ik al voldoende hersteld zou zijn om morgen of overmorgen al naar huis te gaan, lijkt mij volledig van de pot gerukt. Misschien moet ik daar dan ook de reden voor mijn mogelijks vroegtijdig vertrek niet zoeken. Misschien is dit wel eerder gewoon het beruchte tekort aan ziekenhuisbedden waar in de media zoveel over gesproken wordt zonder dat er, zoals zo vaak tegenwoordig, iets aan gedaan wordt? Is het misschien zo dat men tegenwoordig standaard mensen al buiten zet of terug naar huis stuurt nog voordat ze goed en wel te been zijn? Nog voordat ze goed en wel terug mens zijn? Is dit soms weer één van die concrete gevolgen van dat kortzichtige Management by Excel? Rechtstreeks gecopieerd van die gehypete privéfirma’s door onze enkel op bezuinigingen ingestelde politieke bewindvoerders? Zo’n beetje als dat homeworking dat de afgelopen jaren zo populair is geworden in al die privé-bedrijven? De idee zijnde: als alle werknemers minstens één dag in de week thuis werken, hebben we 20% minder bureaus nodig in ons bedrijf, hetgeen in een ideale wereld, een lineaire kostenbesparing qua infrastructuur van 20% oplevert. Vertaald naar een ziekenhuis, wordt dit fantastisch verhaal zelfs nog beter, want daar gaat het niet zozeer om een kostenbesparing maar zelfs om een groei qua productiviteit van 20% procent; want ja, die bedden in een ziekenhuis brengen natuurlijk wel direct geld op aangezien de klanten van het ziekenhuis de bedbewoners zelf zijn. Van zo’n productiviteitsgroei van 20% kunnen ze zelfs in die privé-sector alleen maar dromen.

Het probleem is alleen zoals steeds dat we niet in een ideale wereld leven, en dat geldt zelfs voor die economische modellen, laat staan voor die ziekenhuizen die hun bestaansreden zelf halen uit het niet-perfect zijn van deze wereld. Ziek-zijn en perfectie gaan nu eenmaal niet goed samen. Vraag het maar aan die sociale media. De enige zieke mensen die daar getoond worden, zijn de vechters, de moedigen, zij die zelfs de gruwelijkste dingen aankunnen; met foto’s zonder benen, maar wel met blinkende witte tanden liefst. Een zieke die het niet meer ziet zitten, zul je daar niet tegen komen. Die moet beroep doen op empathie en laat net dat een zeldzaam goed geworden zijn in deze tijden van allemaal Zonnekoningen of ‘zie mij schijnen’. En dan hebben we het nog niet gehad over dat andere favoriete thema van de gestrengen onder ons, zij die graag hun wijsvingertje opsteken in deze ver van perfecte wereld: de beperkte financiële middelen. Als we daarover beginnen, mogen die patiënten al blij zijn dat ze geopereerd worden. Voor hetzelfde geld zouden we gewoon per casus een korte kosten-baten-analyse kunnen uitvoeren en des te ouder, of des te afgeleefder, des te waarschijnlijker dat we de kosten er niet meer uithalen, of wel soms, mijn beste medeburgers? En in derdewereldlanden, waar ze zelfs niet over zulke uitgebreide voorzieningen beschikken, kun je het al helemaal schudden. Dus moeten ze niet te veel zagen over vroegtijdig naar huis gestuurd te worden, de gelukkigen.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie