Nu dat het weekend is, en ik eindelijk een keer een beetje fatsoenlijk heb kunnen slapen, wordt mijn kamer na al het geleden leed als bij toverslag omgevormd tot de zoete inval. Vlak voor de middag, ik heb net voor de eerste keer sinds de drain uit mijn been is, eindelijk bevrijd dus van die standaard voor baxters op wieltjes, de gang op en af gewandeld, komen de ouders van Tin op bezoek. Vooral haar vader voelt zich echter niet op zijn gemak in dit groot gebouw vol zieke mensen. Het is aandoenlijk om te zien hoe hij zijn best doet om het bezoek luchtig te houden. En alle mogelijke mopjes over ziekenhuizen en patiënten vertelt die hij zich maar voor de geest kan halen. Ondertussen probeert Tin haar moeder met onzekere hand het schip wat in het midden te houden door het gesprek voortdurend terug naar hier en nu te sturen. Maar erg lang houden ze het beiden niet vol. Na een uurtje schipperen vertrekken ze al terug. Net op tijd voor het middagdeten. Want ik weet niet wat dat is, maar nu dat ik eindelijk een keer redelijk heb kunnen slapen, heb ik echt zin in eten.
Later op de dag is het de beurt aan Stef en Ellen om binnen te vallen. Helemaal vanuit Kortenberg zijn ze naar Gent gekomen. Ook wel omdat Stef zelf afkomstig is uit het vlakbij gelegen Lokeren en ze het combineren met een familiebezoek daar. Goed voor mij want ze hebben keilekkere, zelfgemaakte vanille en chocolade schepijsjes en sorbets van de ouderlijke boerderij van Stef meegebracht. Of van zijn broer ondertussen want waar dat Stef zo’n beetje als de beste osteopaat van Kortenberg en omgeving met een grote praktijk in een prachtig herenhuis door het leven gaat, is het zijn broer die het vele generaties oude familiebedrijf heeft overgenomen. Ik wil eerst enkele van de toetjes bijhouden voor Tin, maar ze zijn te lekker en ik eet ze allemaal alleen op nog voor dat ik besef dat er toch geen diepvriesvak is in die koelkast hier op de kamer.
Ze zijn net op als Zeynep en haar Nederlandse echtgenoot, Gregory, aankomen. Jammer genoeg zonder hun guitig zoontje met de bolle Turkse wangetjes van een jaar oud ongeveer. Blijkbaar is het gisterenavond plezant geweest met Tin. Zo plezant dat Zeynep gisteren wat linzensoep voor mij heeft meegegeven aan Tin. Ik had ze zelf onlangs nog voor haar bij ons thuis gemaakt toen ze nog eens een keer bij ons op bezoek was, en had haar toen het recept meegegeven. Nu dat ik in het ziekenhuis lig, wilt ze mij op haar beurt een beetje verwennen. Ik kan al niet wachten om ze op te eten, maar ik zal wel moeten want ze is bij Tin thuis. Maar wat ze wel meegebracht hebben is mijn eerste echte ruiker bloemen. Zo goed geïntegreerd zijn ze. Hetgeen de Vlamingen zelf niet meer doen, doen zij nog wel. Omdat het zo hoort.
Ondertussen door al het gepraat over lekker eten of is het gewoon de soep die Zeynep in het vooruitzicht heeft gesteld, stelt Ellen voor om de komende dagen ook een keer wat eten klaar te maken voor ons thuis. “Want,” zegt ze, “waarschijnlijk zullen jullie het toch wel al druk genoeg hebben met al deze toestanden.” Ze laat hierbij het magische woord ‘spaghettisaus’ vallen. Mijn eigen maag en de voorliefde voor pasta van mijn kinderen indachtig kan ik het niet laten om op het aanbod in te gaan en antwoord: “Een beetje spaghettisaus zou wel tof zijn. Heel hard bedankt van Tin en mij Ellen, als je dat zou willen doen.”
Om het helemaal gezellig te maken, valt net op dat moment ook Koenraad nog binnen. We zitten nu al met 6 mensen in de kleine kamer. Hij gaat straks, bij afwezigheid van Babs en de overige kinderen, met zijn jongste dochter eten in het Italiaanse restaurant hier in de buurt waar ik de avond voor de operatie nog geweest ben met Tin en Koen en de kinderen. Vandaag is het Koenraad die mij van mijn bed doet vallen, maar dan op een heel zacht kussen van marsmannentrots. Terwijl ik tot nu toe dacht dat hij toen aan de zee, in zijn appartement, mij een dikke onnozelaar vond met zijn semi-verontwaardigde uitroep: “Wat heb jij aan je oog?”, blijkt nu net het tegenovergestelde. Nadat de anderen al lang vertrokken zijn, en we het hebben over wat er allemaal gebeurd is, stelt hij onomwonden: “Ik dacht dat je weer aan het overdrijven was daar aan de zee, Patrick. Daar ben je soms wel goed in, in zo’n beetje overdrijven. Maar als toen bleek dat het echt serieus was, amai. Echt chapeau van jou om daar in Gasthuisberg zo aan de bel te blijven trekken en niet af te geven. En ook dat je Willem in ons appartement om hulp vroeg. Dat heb je allemaal echt goed gedaan.” Als de leader of the pack zo’n lovende commentaar geeft, voel je je ego toch terug wat groeien, moet ik zeggen. Dan voel je je al wat minder een dikke onnozelaar. En dan kun je al wat beter die niet zo fraaie buitenwereld opnieuw aan; Harry Angel, als verpleegster in het wit verklede buitenwippers, Professor Ilse Mombaerts, laat ze maar komen, de lelijkerds. Maar voor alle zekerheid, en laf als ik ben, vraag ik vlak voor het slapen gaan toch maar een slaappilletje. Je weet maar nooit wat voor een gedrochten de onderwereld nu weer op mij afstuurt. En de Roze Engel is ook al lang verdwenen.
Op zondag dan weer is het eerst de beurt aan Tin om mij te verrassen. Sam en Ella zijn er niet bij want die gaan naar de grote klimaatbetoging in Brussel samen met oma en hun kleinste neefje en nichtje. Dus is Tin nog eens alleen gekomen. Ze is blij om mij te zien. En ik haar. Ze heeft de linzensoep van Zeynep meegebracht. Ik zeg tegen haar dat ik me al veel sterker voel. Als een klein kind voeg ik er fier aan toe dat ik in de ochtend zelfs als zo’n 3,000 stappen heb weten te zetten door gewoon de gang op en af te wandelen. Voorzichtig breng ik aan dat ik misschien dan toch morgen op maandag al naar huis kan. Zoals die doctors hier gevraagd hadden. Tot mijn grote opluchting ziet Tin dat zelf ook 100% zitten. Ik krijg zelfs de indruk dat ze er zin in heeft om mij lekker op te vangen thuis. Ze stelt voor om nog te zien hoe het vandaag verder evolueert hier en dan eventueel morgenmiddag , na haar les van de voormiddag, zo rond een uur of één, naar hier te komen om mij op te pikken. Het klinkt allemaal als muziek in mijn oren. Nu nog zien dat ik morgen hier in de auto geraak en thuis boven.
Eventjes later ontvang ik via Whatsapp enkele foto’s van Sam en Ella waarop ze de spandoeken voor de betoging thuis op onze natuurstenen vloer aan het afwerken zijn. Trots als ik ben op mijn kroost die voor het klimaat opkomt, stuur ik deze zelfde foto’s later op de dag naar De Morgen wanneer de krant daartoe oproept. Eventjes later kan mijn trots als pater familias nog wat verder aanzwellen want de krant publiceert de foto’s zowaar in zijn digitale media. Je ziet de kinderen en oma noestig werken aan de doeken en de stokken met potten verf in alle mogelijke kleuren op gekreukeld krantenpapier hier en daar tussen hen in. Uiteindelijk blijkt het de grootste klimaatbetoging tot dan toe te zijn, met meer dan 70,000 betogers, een waar succes. Voor het eerst sinds de operatie kijkt mijn ene resterende oog glunderend in het rond.
Op dat moment komen Elise en Fabrizio binnengewaaid; de Franse ouders van twee dochters van exact dezelfde leeftijd als Sam en Ella, die bovendien allemaal, per toeval, samen in de klas hebben gezeten, met een verschil van twee jaar tussen de oudsten en de jongsten dan wel natuurlijk. Ze wonen in Armendael, de heuvel waarop zoals in de Middeleeuwen de rijken van Kortenberg wonen, maar staan al even open in het leven als wijzelf. Zij zijn wel helemaal vanuit Kortenberg met de auto naar hier gekomen enkel en alleen om mij te bezoeken. Wanneer ik aandring dat ze ervan moeten profiteren om ook Gent te bezoeken, de mooiste en gezelligste nog bruisende stad van Vlaanderen wat mij betreft, en vooral ook om mijn eigen schuldgevoel een beetje te compenseren, blijkt dat ze zo snel als mogelijk terug naar huis moeten want hun dochters gaan ook nog moeten gaan volleyballen later op de dag. Die ouders van tegenwoordig, Frans- of Nederlandstalig doet er niet toe, zijn toch niet meer wat ze geweest zijn.
Net nadat ze allen vetrokken zijn, vallen Koenie en Katrijn binnen. Ook zij enkel om mij te bezoeken, maar dan weer helemaal vanuit Rotselaar. Maar ze blijven niet lang want Katrijn kan het niet goed aan om mij zo te zien met een dik verband op mijn gezicht en daarachter een gapende leegte. Ofwel is het mijn zelfmedelijden dat ze niet kan luchten. Alhoewel, ik denk dat ergens tijdens de afgelopen nachten achtergelaten te hebben. Ik check vlug even of het zich niet bevindt naast mij in bed; links of rechts, maar zie niets. Het excuus dat ze gebruikt om te vertrekken is dat ze nog vanalles moeten doen, maar als ik nadien van Koen hoor dat ze in de auto op weg naar huis gezegd heeft dat als dit ooit met haar gebeurt, dat hij er dan een einde mag aan maken, en ze bedoelde niet aan hun relatie, spreekt dat boekdelen natuurlijk. Hier en nu zie ik Koen verbaasd kijken en hoor hem vragen: “Hoe? Moeten we nu al terug vertrekken?” Maar het is onmiddellijk duidelijk dat er hier sprake is van een geval van overmacht en dat er geen tijd is voor verder overleg. Ze vluchten samen terug weg door de gang, de twee schatten.
Net wanneer ik denk dat het gedaan is met al die bezoeken en ik al bezig ben met alles een beetje op te rommelen met het zicht op een mogelijk vertrek naar huis morgen, wordt er weer geklopt op mijn deur. Deze keer is het Thomas, de meest empathische van de bergfreunde, of de man die zo empathisch is dat hij moet oppassen of hij verdwijnt zelf volledig en niet gewoon in de achtergrond. Als hij ooit die persoonlijkheidstest van Insights gedaan heeft, moet hij zo groen als een kikker gescoord hebben. Zelf ben ik geel-groen in deze op kleuren gebaseerde typologie, wat simpel gesteld wil zeggen dat ik vooral bezig ben met waar we collectief naartoe moeten en daarbij af en toe overvallen wordt door bezorgdheid om mijn medemens. Ook nu weer haalt bij Thomas zijn groene empathie direct weer de bovenhand en vraagt hij indringend, met een onontwijkbare dwingende toon, hoe het met me gaat. Het is de eerste keer dat ik hem terug zie sinds het weekend aan de zee en dus vertel ik in geuren en kleuren wat er allemaal sindsdien gebeurd is. Na een tijdje, ik schat zo’n half uur, ongetwijfeld in de hand gewerkt door zijn volle aandacht, vraag ik lichtjes gegeneerd: “En hoe gaat het met jou Thomas? Ik zit hier maar heel de tijd te vertellen over mij…” Hij grinnikt: “Gij zijt wel diegene die hier in het ziekenhuis ligt, niet Patrick?” “Dat is ook waar,” antwoord ik, waarop er een lange, pijnlijke stilte volgt. Een stilte die des te pijnlijker is omdat we, in tegenstelling tot gisteren, toen het hier precies een café was, volledig alleen zijn. Eigenlijk moeten we gewoon stilletjes toegeven dat groen en groen niet zo goed samen gaan. Dat is de grote zwakte van die groenen. Alles valt stil als ze enkel onder mekaar zijn. Als het opbod, om als eerste de vraag te stellen hoe het met de andere gaat, afgehandeld is. Zij hebben klootzakjes nodig om kwaad op te zijn of om te wijzen op een fundamenteel gebrek aan respect voor anderen. Anders kunnen ze zelf gewoon niet functioneren. Ik hoop wel dat die groene jongens Calvo en Almaci deze blog niet aan het lezen zijn. Of ze gaan subiet nog bellen om te vragen wat ik nu juist bedoel met al deze zever.
