Nu dat ik later op de dag naar huis ga, beslis ik in de ochtend, na het ontbijt, een douche te nemen. Het is de eerste keer sinds de operatie, nu bijna een week geleden. Het enigste wat ik voorlopig nog moet zien te mijden, zo werd mij gezegd, is mijn linkeraangezicht. Er mag voorlopig nog geen water komen op mijn linkeroogkas, de flap erin, het verband erop en errond. Ook mijn kin, waar een kleine snijwonde is gemaakt geweest om die ader los te maken die de flap moest bevloeien, laat ik beter nog even met rust. Dat is allemaal iets wat pas vanaf volgende week ergens mogelijk zal worden. Een beetje rillerig stap ik de douche in, maar eenmaal wanneer het warme water op mijn lichaam valt, voelt het heerlijk aan om het water langs mijn lichaam naar beneden te voelen lopen. Het is alsof het niet alleen alle stof en vuil en stank van de afgelopen dagen wegspoelt, maar ook alle zorgen.
Het kost me ook niet zoveel moeite om te vermijden dat er water op mijn gezicht terecht komt. Bij het wassen van mijn ondertussen vettig haar hang ik mijn hoofd helemaal naar achter en zorg ervoor dat de shampoo goed ingewreven wordt vooraleer ik alles opnieuw achterwaarts, op zijn Herman Brusselmans’, begin te spoelen. En daar waar de drain zich bevond in mijn rechterdij, dep ik voorzichtig het litteken en het nieuwe huidweefsel met het washandje af. Het genieten van het lopende water is zo groot dat ik er minstens 10 minuten over doe om mijn lichaam overal zo’n beetje te wassen. Wanneer ik gedaan heb, maar nog steeds onder de douche sta te bekomen, beslis ik vlug even te checken hoe het met mijn linkeraangezicht gesteld is. Ik haal het washandje weg, zet het water af, en ga met mijn linkerhand naar boven. In de stilte van mijn badkamer, achter de gesloten deur, voel ik voorzichtig tastend aan mijn wang. Op dat ene, specifieke moment barst de bom los.
Eerst was er het voelen. Voor woorden was het nog veel te vroeg. Onder de huid op mijn wang voel ik totaal onverwachts wormachtige verdikkingen. Verdikkingen die er nog nooit geweest zijn, of die er voordien toch zeker niet waren. Verdikkingen die zich ver van mijn linkeroogkas en ver van de kleine wonde onder mijn kin, maar wel in mijn linkerwang, bevinden. Verdikkingen die, en deze vaststelling ontploft in alle hevigheid in mijn hoofd, aanvoelen als nieuwe tumoren, als nieuwe kankergezwellen: als ik erop duw, doen ze geen pijn, en toch springen ze niet echt weg onder de druk van mijn vingers. Ik voel mijn adem versnellen. In paniek verlaat ik de douche, droog me half af, trek terug mijn kleren aan en loop de gang op, op zoek naar hulp. Want de paniek die ik voel is zo groot dat in de kamer blijven gewoon geen optie is. Ik zie echter niet onmiddellijk iemand. Het enigste wat me blijkbaar nog resteert, is de gang op en af te wandelen met mijn hand aan mijn wang. Ik besef dat ik voor het eerst in mijn leven een paniekaanval heb.
Na een aantal minuten op en neer gewandel bots ik op iemand van het verplegend personeel die net een andere kamer uit komt. Ze ziet de angst in mijn rechteroog staan en vraagt bezorgd wat er aan de hand is. Ik krijg mijn ademhaling niet naar beneden. Met horsten en stoten antwoord ik: “Ik denk dat ik terug kanker heb. Ik denk dat alles voor niets geweest is. Er zitten hier knobbels in mijn wang.” De verpleegster kijkt me opnieuw bezorgd aan en vraagt lief: “Heeft u dit al besproken met een dokter?” Ik kijk wanhopig naar boven, naar het plafond van de gang, terwijl ik de lucht in mijn keel naar beneden tracht te forceren: “Neen, ik heb het zelf pas ontdekt in de douche,” weerklinkt in gebroken Nederlands, “ik voelde even aan mijn wang en voelde opeens die knobbels onder mijn huid.” “Ik denk dat het belangrijk is dat je dit eerst een keer door iemand van de medische staf laat checken, mijnheer Hoskens.” Ik reageer lichtjes gepikeerd: “Ja graag, maar kunt u dan even vragen aan iemand van de dokters om zo snel als mogelijk langs te komen? Ik word zot gewoon.” “Ja, ik zal dat dadelijk doen. Maar misschien is het wel beter dat u in uw kamer wacht in plaats van op de gang, mijnheer Hoskens.”
Na een tijdje verschijnt een nieuwe assistente van dokter Dhooghe vergezeld van een al wat oudere dokteres die ik ook al nooit gezien heb. De jonge assistente is een ravissante blonde verschijning. Zo één uit de boekskes. Een beetje bourgeois wel. Je ziet haar zo met foulard en zonnebril op in een Aston Martin langs de Côte d’Azur razen. Alleen de in stretchjeans geperste spillebenen zijn een enorme afknapper. De al wat oudere dokteres wordt mij dan weer kort voorgesteld als een bezoeker uit een ver en afgelegen land, Nederland als ik me goed herinner. Ze volgt een soort van training in residence van enkele dagen hier in het UZ Gent. De blondine vervangt de no nonsense assistent van dokter Dhooghe die mij de relativiteit van afstand voor zenuw versus slak had uitgelegd. Blijkbaar hebben zij een soort van wekelijkse beurtrol hier op de ziekenhuisvloer.
Wanneer ik aan de twee toeristen uitleg wat er gebeurd is, blijven ze allebei een beetje besluiteloos naast mijn bed staan. Zelf leun ik tegen de rand van het bed. Liggen of zelfs zitten lukt mij op dit moment niet meer. Zo overstuur ben ik. Ze vragen me om even mijn wang los te laten zodat ze zelf kunnen checken wat er juist aan de hand is. Met moeite krijg ik mijn volledig gecrispeerde hand weg van mijn gezicht. Om beurten tasten ze aan mijn wang. “Mijnheer Hoskens, ik vermoed dat dit nog een gevolg is van de operatie,” zegt de assistente na een tijdje. “Ik denk dus niet dat het kanker is. Bij de operatie is er een baan gemaakt van uw hals naar de huid in uw oog om bloed aan te voeren en het is deze baan, of dit kanaal als u wilt, die wat dik staat, denk ik.” Ik heb haar echter nog nooit gezien. Bovendien waait er een zwaar geparfumeerde foulard voor mijn gezicht. Dus volledig geruststellend vind ik haar woorden niet. Mijn lichaam dat nog steeds in overdrive is, en dus ook niet langer naar mij luistert, laat dat ook merken. “Mijnheer Hoskens,” komt de oudere dokteres nu met een beetje meer authoriteit tussen, “anders moet u wachten op dokter Dhooghe straks. Die gaat zeker bij u langs komen in de loop van de dag. Hij kan u dan ook een keer zeggen wat hij denkt dat het is.” “Goed?,” eindigt ze met enige Nederlandse aandrang. “Ja, ja, goed voor mij. Het is gewoon dat ik het zelf even niet meer weet, begrijpt u?” “Ja, dat begrijp ik, maar wacht u nu maar rustig op dokter Dhooghe. Hij kan u vertellen wat er juist gebeurd is tijdens de operatie. Hij heeft ze ook uitgevoerd, niet?” “Ja.” “Goed, tot de volgende keer dan?,” neemt ze luid en toch nasaal afscheid. “Ja, dank u.”
Wachten op dokter Dhooghe is goed voor mij, maar in afwachting van hem, raadpleeg ik terug mijn zo betrouwbare noodlijn en stuur naar Yvo en Willem een nieuwe mail om te zeggen wat er gebeurd is. Om volledig te zijn vermeld ik ook de assistente en haar theorie over het kanaal tussen de kaak en de flap. Eerlijk gezegd, ik weet weer niet wat ik zonder die noodlijn gedaan zou hebben, maar deze keer heb ik vooral ook schrik dat ze via via gaan vernemen dat ik toch echt wel een patiënt van mijn kloten ben, een ondankbare klootzak die niet weet wanneer hij zijn mond moet leren houden. ‘Eerst zo moeilijk doen over het snel naar huis gaan en nu ook nog eens insinueren dat alles wat ze gedaan hebben, allemaal voor niets geweest is, wat voor een kwast me dat zeg!’ Zoiets dus. Deze keer is het Yvo die onmiddellijk reageert. En al even duidelijk als Willem altijd doet. De boodschap is heel simpel: kanker kan het niet zijn, want geen enkele kanker groeit zo snel. “Het kan wel iets anders zijn, want zo’n operatie gebeurt niet zo vaak”, zegt Yvo, “maar dat pakken we dan wel aan wanneer het zich voordoet.” Op zijn Jean-Luc Dehaenes voegt hij er nog aan toe met zijn typische deugnieten kwinkslag.
Wanneer dokter Dhooghe afkomt, is het al laat in de namiddag. Niet dat dat zo erg is. Vooral de mail van Yvo heeft al terug wat rust gebracht. Mijn basisattitude in het leven is op enkele weken tijd blijkbaar verworden tot: alles is goed voor mij, zolang het maar geen kanker is. Zoals gevreesd is Dokter Dhooghe wel een beetje op zijn tenen getrapt. Zijn eerste reactie wanneer hij toekomt, zegt genoeg: “Ik had jou dat toch gezegd, mijnheer Hoskens? Dat er zich daar tijdelijk zo’n verdikkingen konden voordoen?” Ik herinner me er niets meer van en zeg dit ook. Hij kijkt me een beetje geïrriteerd aan, maar bevestigt dan volledig het verhaal van zijn assistente. Hij verduidelijkt verder dat het ganse wangstuk tussen kaak en het gebied van het oog volledig los gemaakt is geweest tijdens de operatie. En dat het dus volledig normaal is dat er zich nu dergelijke ‘knobbels’ onder de huid van de wang bevinden. En dat deze met de tijd zouden moeten weg gaan. Ik kan hem weer niet genoeg bedanken. En voel me schuldig omdat ik vandaag voor niets zo’n scène heb gemaakt. In een poging om het goed te maken, zeg ik dat ik vandaag toch nog naar huis zal gaan zoals hij en zijn assistent gevraagd hadden. Dat Tin mij straks komt ophalen. Rond een uur of zes wel pas omdat Sam en Ella absoluut mij mee wilden komen oppikken. Dus moet ze wachten tot de school gedaan is. En met die files tijdens de piekuren op de ring van Brussel en de E40 richting Gent zal het ook al niet zo vlug gaan.
