Gedurende de rest van de dag bereid ik me verder voor op mijn vertrek. De paniekaanval van in de ochtend ligt ver achter mij. Ik wandel nog wat op en neer in de gang, maar voel me al helemaal niet meer zo verloren als daarstraks. Ik begin al elke deur van de gang te kennen en kan de nummers van de kamers al bijna van buiten opsommen. Zo geraak ik tegen het einde van de dag, al hinkend, aan mijn zelfopgelegd doel van zesduizend stappen, het dubbel van gisteren. Het doet gewoon enorm veel deugd aan mijn zo zwaar beproefd lichaam om nog eens op één dag, en dit voor de eerste keer sinds de operatie, een normaal verloop van fysieke activiteit te kennen.
Ik doe alles op mijn gemak en neem de tijd om afscheid te nemen van deze kamer en dit gebouw die de afgelopen dagen zo veel voor mij hebben betekend. Uiteindelijk doe ik er de ganse dag over. En dat is goed. Want ik heb een ganse dag. De kinderen willen absoluut samen met Tin mij komen ophalen en dus gaan ze pas na schooltijd hier geraken. En het afscheid nemen van mijn kamer alleen al duurt enkele uren. Dat brede venster dat uitkijkt op het K2-gebouw en tussenin de metalen meerverdiepingen monsterparking. Dat televisietoestel dat daar wat klungelig tegen de muur hangt te bengelen en waar ik bij gebrek aan een duidelijk zicht amper gebruik van heb kunnen maken. De badkamer om de hoek waar dat Harry Angel ofwel telkens in verdween ofwel uit tevoorschijn kwam. Ik ben er nog altijd niet uit. En mijn bed. Mijn trouw bed. Op tijdelijke basis wel, maar in een ziekenhuis is het bed de patiënt en omgekeerd. En dit niet alleen voor de boekhouding. Want wat is een mens in een ziekenhuis als hij zelfs geen bed heeft?
Maar het belangrijkste afscheid dat ik moet nemen is dat van het verplegend personeel. De Roze Engel krijg ik niet meer te zien, maar ook wat al die andere verpleegsters allemaal voor mij gedaan hebben de afgelopen dagen, op goede en slechte momenten, laat zich niet zomaar even bepalen. Vooral ook de correctheid en de menselijkheid waarmee ze mij keer op keer benaderd hebben was bewonderenswaardig. En de directheid van spreken telkens weer in dat sappige Oost-Vlaams wist ik enorm te waarderen. Wat een verschil met dat afstandelijke, zogenaamd hyperprofessionele Gasthuisberg van mijn voeten. Als ik kan en mag, ga ik de rest van mijn leven naar deze plek terugkomen want hier weet ik tenminste dat ik geholpen zal worden.
Hoogtepunt van de dag is deze keer de pillenverpleegster. Niet dat dat haar officiële functie is. Maar ze profileert zich wel zo. Zoals dat iedereen in dit biotoop zich mag bepalen in alle vrijheid zolang ze maar de algemene regels respecteren. Ze krijgt bijna een aanval wanneer ze de pillen aan het geven is die ik mee naar huis mag nemen en ik onschuldig voorstel om de diclofenac samen met de bloedverdunnende spuiten te gaan innemen. Ze loopt bijna hysterisch met het plastieken zakje vol pillen de kamer uit om de lijst te laten herzien terwijl ze krijst: “Je mag die geneesmiddelen niet samen nemen! Nooit!” Ze overweegt sommige medicaties zelfs niet langer mee te geven, zo onvergeeflijk vindt ze mijn beginnersfout, maar wanneer ik plechtig beloof het niet te doen, is het toch in orde en zijn we terug allerbeste vrienden. Ze begint me zelfs bijkomende tips te geven over wat ik eventueel nog allemaal kan gebruiken voor mijn oog en vooral ook hoe ik dat alles moet toedienen of gebruiken. Ondertussen wandelt in de loop van de dag de rest van de verpleging mijn kamer binnen en buiten om haar in orde te brengen voor de volgende patiënt. Ze gaan hierbij voortvarend te werk want ze staan zoals altijd onder tijdsdruk. Zo verdwijnt het boeket van Zeynep dat ik pas twee dagen geleden gekregen heb in mijn afwezigheid richting exit. Zelf ben ik bezig mijn zoveelste ronde in de gang af te werken.
Tegen de avond stuur ik een berichtje naar iedereen die ik eerder verwittigd had dat ik minstens twee weken hier in het UZ Gent zou vertoeven om te zeggen dat het avontuur nu al afgelopen is. Ik maak er ook een punt van om nog een dankwoord via mail te richten aan Yvo en Willem. Wat die gasten allemaal voor mij gedaan hebben de afgelopen weken, dat ga ik nooit kunnen terugbetalen. Zelfs niet als ik eeuwig zou leven. Hoe er dan aan beginnen? Ik schrijf: “Ik vind hetgeen jullie allemaal voor mij gedaan hebben – jullie twee, Vermeersch, Dhooghe, Fransen, maar ook die verpleegsters allemaal allemaal ongelooflijk. Ben oprecht onder de indruk van het teamwerk dat jullie hier verzetten en dat allemaal op een innemende en toch superprofessionele manier. Respect. UZ Gent is een superkliniek.” En eindig om toch maar te beginnen met enige vorm van afbetaling: “Zelf voel ik op dit moment oneindig veel dankbaarheid. Als ik ooit iets voor jullie kan doen, hoe onbenullig ook, laat het me weten.” Deze keer is het Willem die reageert: “Laat het zeker weten indien er problemen zijn Patrick! Vlot herstel gewenst en tot binnenkort. Willem” Ongelooflijk. In tegenstelling tot wat ik verwacht had, zijn ze mij nog altijd niet beu. En maar blijven geven. Of hoe dat zelfs wanneer ze reageren op een dankwoord, ze erin slagen om de schuld nog wat verder te doen oplopen, de smeerlappen.
Iets na zes komen Tin en de kinderen aan in het ziekenhuis. Het is al donker, maar ik werp rechtopstaand toch nog een allerlaatste blik naar buiten en neem het beeld voor mij goed in mij op. Met links van mij de verlichte, bovengrondse tunnel die dit gebouw en het grote K2, die betonnen blok ginder, met elkaar verbindt. En rechts voor mij het Aziatisch ogend containerpark met op het nu kletsnatte dak van elke container zijn eigen airconditioning voor in de zomer en dat, vermoed ik, overdag vol zit met administratief personeel. Er branden in ieder geval amper lichtjes ‘s avonds. Tin en de kinderen helpen me om al mijn spullen mee te nemen. Sam en Ella staan d’r op om de zakken met kleren en wasspullen te dragen. Tin verwijdert nog vlug uit de ijskast wat er nog in staat: de resterende soep van Zeynep, wat drankjes en nog enkele overblijvende pralines. Ik draag het familieportret gemaakt door Sam en Ella plechtig terug naar huis.
Het is donker op de weg. En vies winters weer. Sam en Ella zitten vanachter in de auto met hun iphones bezig. De ganse terugweg wordt er niet zoveel gesproken door Tin en mij. Er valt precies ook niet zo veel te zeggen. Het is niet dat er feest te vieren valt na alles dat er gebeurd is. En soms is spreken ook niet nodig tussen mensen en bestaat er een soort van stilzwijgend begrip. Of misschien ligt de oorzaak van het zwijgen elders? Zo merk ik nu voor de eerste keer van mijn leven één van de concrete gevolgen voor de rest van mijn leven van het onvoorstelbare amateuristische geklungel van dat hautaine Gasthuisberg, van de goddelijke handoplegging in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Professor Ilse Mombaerts. Nu dat ik mijn linkeroog kwijt ben, zie ik, zelf zittend in de passagiersstoel van een auto, niets nog van de chauffeur naast mij. Zolang ik, zoals je normaal doet in een auto, naar de weg voor ons kijk natuurlijk. Ik moet me al helemaal omdraaien en mezelf in een heel ongemakkelijke houding zetten om Tin nog te kunnen zien. Ik houd het dan ook niet lang vol en begin voor me uit te staren naar de natte sneeuw die in de donkerte buiten op de voorruit begint te vallen en langzaam naar beneden schuift. Vanaf nu zal ik dus al die zo belangrijke lichaamstaal links van mij moeten missen. In de auto en daarbuiten. Misschien is die lichaamstaal wel veel belangrijker dan we denken voor het tot stand komen van communicatie tussen mensen? Is er zonder lichaamstaal niet dat eerste signaal dat aangeeft dat er iets te zeggen valt? Blijven de mensen nog meer dan anders in hun eigen wereldje vasthangen? En ik was daar al zo’ne krak in. Dat belooft.
Tijdens de rit voel ik ondanks de opkomende sombere gevoelens toch ook een beetje trots opwellen bij mezelf. Ik vind dat ik het allemaal toch niet zo slecht gedaan heb. Ik vind het jammer van die paniekaanval deze ochtend, maar op één week tijd met een kankergezwel én een oog minder, zo maar zelfstandig, zonder de assistentie van een buitenwipper, terug naar buiten wandelen uit een ziekenhuis en in een auto kreuffelen om thuis te geraken, dat moet je toch kunnen, vind ik. Wie gaat mij dat na doen?
