29 januari 2019 – Oost west, thuis best

Na drie nachten achter elkaar een slaappilletje genomen te hebben, beslis ik, na ellenlang getwijfel, de eerste nacht dat ik thuis slaap er geen meer te nemen en te profiteren van de overgang naar huis om ineens cold turkey te gaan. En het mirakel geschiedt: ik slaap als een roos. De ganse nacht lang. Nooit zo goed geslapen als die eerste nacht thuis, in mijn eigen zalig bed, naast Tin, na een week verblijf in het ziekenhuis. Wanneer ik wakker word, is het eerste berichtje dat ik zie van Jurgen, mijn jeugdvriend die nu in Parijs woont. “Vredig Kortenbergs ontwaken?,” klinkt het kort. Ik antwoord onmiddellijk in mijn eigen buitensporige, mateloze stijl: “Awel, het is niet te geloven, maar ik heb 10 uur in bed gelegen. Ok, mijn Garmin geeft aan dat ik van die 10 uur wel 3 uur heb wakker gelegen (daar kan ik me wel totaal niets van herinneren), maar er zit ook nog eens 3 uur ‘diepe slaap’ bij. Dat heb ik nog nooit meegemaakt – dus dat was duidelijk nodig. Dus ja, echt vredig Kortenbergs ontwaken.”

Misschien dat dokter Dhooghe dan toch gelijk had toen hij stelde dat ik thuis veel beter en sneller zou recupereren. Deze ene, eerste nachtrust doet in ieder geval al zoveel deugd dat ik me als herboren voel en ineens het gevoel heb de wereld terug aan te kunnen. Het enigste wat nog ontbreekt om echt een stap in de wijde wereld te zetten, is een ander masker voor mijn gelaat vinden; dat wit verband, weggemoffeld achter mijn zware, zwarte bril, ziet er nogal ziekelijk uit. Dus beslissen Tin en ik om een ooglapje te gaan zoeken, zo’n ooglapje dat stoere piraten ook dragen, liefst met een doodshoofd en wat sabels op. Maar aangezien de markt van de piraten bij gebrek aan vraag sinds de 18de eeuw volledig is ingestort, is het de vraag waar dat je vandaag de dag nog zo’n ooglapje kunt vinden. En helemaal naar Ethiopië of Somalië trekken om daar in de Perzische Golf enkele lotgenoten te zoeken, is er dan ook weer over. 

God zij dank is er tegenwoordig Google en het World Wide Web. Daar blijken er vooral, hoe kan het ook anders, Chinese merchants te zijn die, naast tal van andere prullaria, verschillende soorten van ooglapjes aanbieden. Nieuw probleem echter: de tijd die het duurt om ze toegestuurd te krijgen. Op de sites zelf wordt er gesproken over een duur van minstens twee tot drie weken. Wat dan weer wel vreemd is, is dat de aankoopprijs meestal bijzonder laag is, bvb. 10 euro voor 3 exemplaren, maar de verzending zelf volledig gratis blijft. Hoe doen ze het, die Chinezen, hoe doen ze het? Die moeten toch met andere kostmodellen dan de rest van de wereld werken? Of misschien gewoon in een andere wereld leven? En wij maar klagen dat de Belgische handelaars niet actief genoeg zijn op het vlak van e-commerce. Alleen al de verzending met de post zou bij ons meer kosten dan de aankoopprijs.

Ik wil echter niet nog eens twee, drie weken wachten en dus ga ik toch niet in op het velleidelijke, vliendelijke aanbod. In de plaats daarvan begin ik te checken of er nergens in de buurt toch niet een ouderwetse, fysieke winkel is waar ooglapjes desnoods zelfs onder de toonbank verkocht worden. Via het internet en een begeleidend telefoontje kom ik terecht bij de ‘Goed Thuiszorg’ – winkel van de Christelijke Mutualiteiten in de Leopold I – straat te Leuven. Ik verifieer vlug nog even, maar mijn eigen ziekenfonds, de ‘Onafhankelijke’, houdt zich blijkbaar niet bezig met zo’n ooglapjes. ‘Goed Thuiszorg’ doet wel pijn aan mijn oren. Zelfs van spelling hebben die katholieken blijkbaar geen kaas gegeten. Of toch niet in de taal van Conscience. Misschien dat ze nog altijd veel beter zijn in Latijn. Vermoedelijk is het een amechtige poging à la Bond Zonder Naam om toch maar een kunstmatig warmtegevoel te creëren door de nadruk te leggen op het ‘gezellig thuis komen’ in hun winkel.

Rond de middag vertrekken Tin en ik samen richting Ladeuzeplein, om daar de auto te parkeren in de ondergrondse parking. Wanneer we aankomen aan de winkel, blijkt dat hij op de middag gesloten is. Nochtans hebben ze daar helemaal niets van gezegd aan de telefoon. Maar we hadden er zelf maar moeten aan denken. Ze pakken in Leuven de uitdagingen van de toekomst fantastisch aan met indrukwekkende infrastructuurwerken, zoals aan het station, maar het is en blijft voorlopig toch een provinciestad.

Dus gaan Tin en ik eerst nog iets eten en drinken in Café Commerce op de hoek van het Hooverplein. Als we een half uurtje later de winkel binnen stappen, maken we kennis met die katholieke warmte waar we zonder het te weten zo lang naar verlangd hebben. We worden ontvangen door een norse vrouwelijke bediende; weer zo’n mislukte moeder abdis – ik kan het niet anders zeggen, maar ja bij gebrek aan roepingen moet dat type van mensen toch ergens terecht kunnen? – deze keer met een grote uilenbril en een snorretje. De lelijke, jaren ’80 architectuur van het gebouw met veel nepnatuursteen, glas en donkergroene, plastieken raamkozijnen helpt ook al niet.

God zij dank laat de abdis zich al snel vervangen door een iets jongere, meer aangename verschijning. Met een wegwuivend  gebaar maakt ze duidelijk dat we bij haar moeten zijn voor ooglapjes. Terwijl de andere winkelbediende ons bedient, merk ik dat mijn eigen nieuwe, opvallende verschijning haar ook niet onverschillig laat: ze spreekt voortdurend Tin aan en kijkt ondertussen zoveel als ze kan weg van mij. Dat lijkt mij dan toch al meegenomen na alles wat er gebeurd is. Zelfs de meer aantrekkelijke vrouwen gaan niet langer naast me kunnen kijken. Daarvoor is de mysterieuze gruwel die zich in mijn linkeroogkas bevindt te groot geworden. 

Afgezonderd in een hoek van de winkel pas ik vlug samen met Tin het ooglapje dat ze verkopen. We stellen vast dat het, zolang het niet te veel beweegt, volledig de flap en de snijranden dekt. Het ziet er zelfs echt wat stoer uit, pekzwart van buiten en groen, het groen en zelfs de stof van een biljarttafel, aan de binnenkant. Zowel Tin als ik zijn dan ook bijzonder opgetogen met de nieuwe aankoop en wandelen enkele minuten later arm in arm, als Kapitein Grijsbaard en zijn geliefde Esmeralda, terug naar hun piratenschip onder de grond.  

Als we thuis aankomen van Leuven, ontdekken we in een plastieken zak twee plastieken dozen op de drempel van ons huis. Het is de spaghettisaus die Ellen nog beloofd had te maken voor ons. Dat is een serieuze meevaller, want shoppen is vemoeiend zelfs als het geen fun-shopping is. Het enigste wat we zelf nog moeten doen is de spaghetti klaar maken. Een drietal uur later, tegen dat de kinderen thuis zijn, zitten we er met de ganse familie lekker van te smullen. Ook Sam en Ella vinden de saus bijzonder geslaagd. Het oordeel van de jury is dan ook unaniem: Ellen mag dat nog een keer doen! Na het eten kijken we samen gezellig wat naar de TV; een uitgestelde aflevering van ‘Bloed, zweet & luxeproblemen’ over volwassen kinderen van Bekende Vlamingen die verschieten hoeveel ellende er wel niet is in de wereld, ideaal gevolgd door de Ideale Wereld, een parodie op die onnozele praatprogramma’s met diezelfde BV’s, op eenzame hoogte het beste programma op de Vlaamse TV en dit al sinds meerdere jaren. Het voelt echt lekker aan om terug thuis te zijn. En hier voelt het tenminste allemaal niet zo fake aan. Maar er is hier dan ook geen taalverkrachtende spellingsfout die voor hoofdpijn zorgt #GoedThuisZijn

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie