Het is de eerste keer dat ik Dokter Dhooghe terug zie sinds mijn vertrek uit het ziekenhuis, vandaag exact een week geleden. En deze keer is Tin erbij. Het weerzien verloopt bijna hartelijk. Zo kan ik me niet van de indruk ontdoen dat ook hij opgelucht is dat de operatie zo goed gelukt is. Tin profiteert dan weer van het weerzien om hem uitvoerig te bedanken voor het telefoontje dat hij nog gedaan heeft de dag van de operatie, laat op de avond; om haar gerust te stellen en te vertellen dat alles goed verlopen was. “Tegen dan was ik al behoorlijk aan het flippen,” bekent ze plots. “Ik dacht dat Patrick al dood was of dat er toch minstens grote problemen waren. Toen u mij uiteindelijk belde, vreesde ik echt het allerergste.” “Geen probleem, mevrouw. Ik heb dat met plezier gedaan. Het was inderdaad ook wat later dan gepland. Ik weet niet of uw man het verteld heeft, maar het lukte niet onmiddellijk om de aders van de flap te verbinden aan die komende van de hals. We hebben het een aantal keer moeten herproberen. Maar uiteindelijk is het dan toch gelukt.” De intensiteit van het intermenselijk contact dat zich onverwacht voor mij ontplooit, maakt dat ik me buiten gesloten voel. Ik ben getuige van iets waarvan de aanleiding wel mijn eigen operatie was, maar waaraan ikzelf niet deelachtig was. En aan de tranen van Tin, die ondertussen vlot over haar wangen lopen, zie ik dat het diep moet gezeten hebben bij haar, veel dieper dan ik wist. Ze heeft het duidelijk nodig om de opgedane emoties even de vrije loop te laten. Ik houd me dan ook stilletjes op de achtergrond en laat de vloer over aan Tin en Dokter Dhooghe want er zijn van die zeldzame momenten waarop mensen elkaar echt vinden die heilig zijn en die een buitenstaander onder geen enkel beding mag verstoren.
Na afloop van het ongeplande catharsismoment vraagt Dokter Dhooghe of hij een keer de flap mag bekijken. We bevinden ons nu in een andere ruimte dan voordien, met veel frissere kleuren al en een heuse tandartszetel voor het raam. Het is daar dat ik plaats moet op nemen en zet ondertussen mijn bril met het flapje af. Dokter Dhooghe bestudeert even het oog en verklaart dan snel: “Dat ziet er al heel goed uit, mijnheer Hoskens. De hechtingen zijn al mooi geheeld. Ik zie ook dat u al geen verband meer draagt. Dat is perfect. Het is niet langer nodig. Het is zelfs beter zo. Een beetje blootstelling aan de open lucht gaat het genezingsproces bevorderen.” Dan vraagt hij of hij enkele foto’s mag nemen van het oog. Voor het medisch dossier. En ook om nadien te tonen aan Professor Vermeersch, die er vandaag jammer genoeg niet bij kon zijn. Ik moet gaan staan voor een blauw stuk muur vlak achter de deur en wordt, als bij een echte mug shot, uit verschillende hoeken op de korrel genomen.
Maar de hemel zij dank dat Yvo me al op voorhand verwittigd heeft, want dan begint ook Dhooghe aan de slechte mare. Het is alsof ze beiden dezelfde cursus communicatie gekregen hebben want ook Dhooghe begint eerst met het goede nieuws. Hij zegt dat “het microscopisch onderzoek heeft aangetoond dat het gezwel er zuiver is uitgehaald. Dat het om een geslaagde ‘R0-extraction’ gaat.” “Maar,” voegt hij er snel aan toe, “om te voorkomen dat de kanker terugkomt, stellen we voor om een chemokuur te volgen. ‘Adjuvante chemo’, zo noemen we dat,” eindigt hij. De idee van chemo te krijgen, doet me nog steeds duizelen, maar ik besef ondertussen dat er geen andere keuze is als ik mijn kansen op herstel wens te maximaliseren. En dus antwoord ik: “Ok, dokter, als jullie allen zeggen dat dat het beste is, dan is dat OK voor mij.” “Als je wilt, mijnheer Hoskens, kan je morgen al terug komen voor een afspraak met oncologie,” stelt dokter Dhooghe nu voor. De vele files vanuit Kortenberg richting Gent indachtig vraag ik eerst nog voorzichtig: “Om welk uur ongeveer hadden jullie gedacht?” “Zo ongeveer op hetzelfde moment als vandaag, mijnheer Hoskens. Zou om half vier eventueel voor u al gaan?” Ik kijk even naar Tin om te checken of dat voor haar lukt, maar ze is al lang ja aan het knikken. Ik antwoord in naam van ons beiden: “Ja, dat gaat voor ons.” Hij geeft me nog de naam van de oncologe door die ik zal ontmoeten en zegt dat voor de rest alles hetzelfde is als bij een bezoek aan de Plastische. De ingang is in beide gevallen de hoofdingang van K-12 en de inschrijvingsautomaten daar zullen me zeggen waar, op welke verdieping en aan welke kant van het gebouw ik juist moet zijn.
Is het soms nog omwille van de paniekaanval een week geleden? Of gaat het nog verder terug en is het nog een gevolg van mijn oprecht verbaasde vraag of de operatie echt niet sneller kon? Maar bij het afscheid nemen, staat Dokter Dhooghe er blijkbaar op even een punt te maken naar mij toe. “Ik hoop dat alles verder goed evolueert voor u, mijnheer Hoskens. Maar het is ook belangrijk dat u daar zelf in gelooft. Want u reageert soms nogal paniekerig.” Het venijn in die staart stoort mij enorm. Alsof hij, in mijn omstandigheden, anders zou reageren. Alsof hij als hij zo’n tumor naast zijn oog zou hebben, die hij letterlijk ongehinderd zou hebben voelen groeien in zijn gelaat gedurende maanden, of als hij nieuwe verdikkingen zou voelen aan zijn kaak vlak na een operatie die net tot doel had dat monster van een gezwel weg te nemen, alsof hij dan en ten allen tijde rustig zou blijven. Ik overweeg nog even te repliceren dat een opfrissing van die cursus communicatie, en dan vooral die ene module ‘Verplaats je in de ander’, misschien geen slecht idee zou zijn, maar laat het vallen want zoals een wijs man ooit gezegd heeft, je kan niet altijd en op alle fronten vechten.
Ondertussen is het al later geworden dan verwacht. En Tin moet straks nog les gaan geven. Dus stuur ik een SMS naar Yvo om te zeggen dat het toch niet meer zal lukken vandaag om nog even langs te komen. Maar als we thuis arriveren, stuur ik wel nog snel een mail naar Yvo en Willem om toch al wat feedback te geven. Ik zeg dat ik net bij Nicolas Dhooghe ben geweest, dat hij het verhaal van Yvo bevestigd heeft en dat ik al direct de dag daarop mag terugkomen voor een afspraak bij oncologie. “Om half vier,” voeg ik eraan toe om volledig te zijn. Op het moment echter dat ik de naam wil zeggen van de oncoloog bij wie ik moet zijn, laat mijn geheugen me in de steek. En het papier dat Dhooghe meegaf op het einde van de consultatie vind ik al niet meer terug. Dus schrijf ik: ‘Een zekere Sophie Lillibrin? (een gok deze naam, van Sophie ben ik bijna zeker, Lillibrin is wat phonetisch is blijven hangen).’ Maar zowel Yvo als Willem zegt de naam Sophie Lillibrin helemaal niets. Ze kennen zelfs geen enkele oncologe met de voornaam Sophie. Ik hervat mijn zoektocht naar het document maar pak het nu wat grondiger aan. Als ik het eindelijk terug vind, zie ik dat de echte naam helemaal anders is dan gedacht: ‘S. Rottey’ staat er op het document. Ik corrigeer mijn fout vlug naar Yvo en Willem. ‘Heb het document teruggevonden. Het is blijkbaar Sophie Rottey (mijn fonetisch geheugen is blijkbaar ook niet meer je dat). Zegt dat jullie iets?’ Willem antwoordt snel: ‘Sylvie Rottey ken ik goed, is een medisch oncologe, die zich vnl met fase I studies bezighoudt…’ ‘Ah, het was Sylvie. Zeg, ik weet dat dit onnozel klinkt, maar fase 1 klinkt wel goed…’
