5 februari 2019 15u30 – Een tocht door het donker (didididididididie)

Het is de eerste keer dat we hier komen. Het is een plek waar niemand ook ooit hoopt te komen want ‘hier’ is de dienst Oncologie van het UZ Gent. En opnieuw ben ik op de één of de andere manier in een teletijdmachine terechtgekomen. Waar dat de dienst Plastische met haar felle grasgroene kleuren in de jaren ‘80 is blijven steken, gaan we hier nog verder terug in de tijd, naar de jaren ‘70.

Het begint al met het onthaal dat zich om de hoek van de ingang weggemoffeld achter glas bevindt. Je krijgt het gevoel een psychiatriche afdeling à la ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’ binnengewandeld te zijn eerder dan een druk bezochte afdeling van een ziekenhuis. En dan is er dat alom aanwezige donkerbruin van Mannix en Starsky&Hutch. Het is hier niet zozeer de overheersende kleur, het lijkt bijna de enige kleur in het kleurenpalet. Alleen de vloer is grijs. In dit monochroom, zwaar ogend kader zorgen de blauwe stoeltjes in de wachtruimte samen met de televisieschermen die aan het plafond hangen voor een absurd Doctor Who-effect: het is alsof je vanuit een bovenmaatse telefooncel die vol hangt met TL-lampen terugkijkt in de tijd. 

Tin en ik nemen gespannen plaats op de blauwe stoelen. Wij had ooit gedacht dat wij, of vooral ik dan toch, hier zouden eindigen. Je hoort tegenwoordig voortdurend wel iets over kanker, op de radio of op de TV of bij de bakker. Ofwel is het een oproep om, eerder verschrikkelijk wraakroepend dan licht ironisch voor mij, op tijd medische hulp te zoeken, ofwel is het een vraag om steun voor één of andere antikankercampagne, ofwel is het iemand uit de buurt die plots kanker blijkt te hebben. Maar ondanks deze constante flow aan informatie rond ditzelfde doodenge thema rondom je heen, denk je zoals altijd dat het eerder iemand anders zal overkomen. Zoals altijd want dat geloof in de eigen onsterfelijkheid of op zijn minst een lang leven is onontbeerlijk om de dingen te doen die je denkt dat je moet doen. Of het nu een loopbaan uitbouwen is, huisvader of -moeder spelen of de vijanden aan de overkant van het niemandsland bestormen met een bajonet op het geweer.

Terwijl we wachten op de oncologe kijken we een beetje meewarig rondom ons. Één ding is alvast onmiddellijk duidelijk: absoluut niet geoorloofd in zo’n wachtruimte oncologie is kijken in de ogen van andere wachtende patiënten. Iedereen kijkt weg bij de minste poging tot contact. Vervloekten zoeken geen deelgenoten. Die zijn te druk bezig met telefoontjes te plegen naar boven toe, naar God als ze gelovig zijn, naar al overleden familieleden die nog wat hulp kunnen bieden vanuit het hiernamaals of waar ze zich ook bevinden als ze ongelovig zijn; meestal naar beiden, gelovig of niet gelovig, het doet er allemaal niet meer toe. Ik betrap me zelf ook op het lelijke en onsolidaire ontwijkingsgedrag. Het is alsof een rechtstreekse blik van een andere patiënt een risico op extra besmetting met zich meebrengt die de kansen op genezing nog kleiner maakt dan ze al lijken op deze benauwde blauwe klapstoeltjes. 

Nochtans heb ik deze ochtend weer een aansterkende steunbetuiging mogen ontvangen, deze keer via een SMS van Victor vanuit zijn rolstoel. Een bericht van mijn Supervriend uit Bertem met dat verschil dat Superman niet bestaat, maar hij wel. Al sinds zijn prille jeugd vecht hij op zijn eentje tegen een afschuwelijke spierziekte en dan nog vindt hij de kracht om anderen te steunen. “Alweer een zware dag vandaag. Sterkte!,” luidt het vol goede moed. Ik hoop dat ik met al mijn meelijwekkend geweeklaag en ook dit onwezenlijk geschrijf zijn grenzeloos Spartaans vertrouwen in mij en door mij het ganse universum niet beschaam.

Na een tijdje worden we opgehaald en begeleid naar één van de zware, houten deuren die de lange, donkere gang links en rechts bemannen als een Oude Garde die op wacht staat. Wanneer een van de donkere deuren open draait en we een klein lokaal binnen stappen, dringt het besef acuut door waar ik me bevind en in welke hoedanigheid: ‘Hier is het dus dat het allemaal gebeurt. Hier is het dus dat mensen te horen krijgen dat de ziekte al in een ver gevorderd stadium zit en dat ze nog maar enkele maanden te leven hebben.’ Vlak voor een smal raam recht tegenover de deur bevindt zich een metalen bureau uit de tijd van De Collega’s tegen de rechtermuur aangeplakt. Aan de overkant staat een zwarte, lederen consultatiebank links tegen de muur leeg te wachten op gebruik.

Tot mijn verrassing is de oncoloog die zich aan ons presenteert geen vrouw, maar een man. Hij stelt zich voor als Stijn De Keukeleire. Hij ziet er ook nog eens bijzonder jong uit. Al is de vrouw die zich ook nog in de consultatieruimte bevindt, duidelijk nog een paar jaar jonger. Ze wordt aan ons voorgesteld als een oncoloog in opleiding. Zij blijft recht staan voor het raam, terwijl De Keukeleire plaats neemt aan de op een zwart PC-scherm en een bijhorend klavierbord na volledig naakte metalen bureau er vlak voor. “Professor Rottey,” zo wordt ons gezegd, “zal ons eventjes later vervoegen.” Tin en ik nemen beiden plaats aan de overkant. Ze zit rechts van mij, tegen de muur aan. Tijdens het ganse gesprek houd ik haar hand vast.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie