Le Rouge et le Noir anno 2020: onmetelijke haat en waanzinnigmakende agressie

Ik moet een bekentenis doen aan jullie allemaal. Als ik de afgelopen dertig jaar met de auto ‘s nachts op de autostrade vanuit het Kempenland Vlaams-Brabant binnen reed ter hoogte van Diest, de vroegere grensstad van het Hertogdom Brabant met garnizoen en al, tot in de jaren ‘90 nog een kazerne voor de beruchte para’s van Diest, of vanuit het Gentse ter hoogte van Aalst, de nog altijd bijzonder bedrijvige carnavalsstad die jammer genoeg van kromme neuzen een handelsmerk gemaakt heeft, dan keek ik altijd uit naar de borden ‘De provincie Vlaams-Brabant heet u welkom!’ met de Brabantse leeuw op (zo wat roder en zwarter dan die Vlaamse). Omdat, omdat…, ik vanaf dan, in mijn hoofd, mezelf in de actieradius van Gasthuisberg bevond, en dat dus, vanaf dan, als ik bijvoorbeeld een ongeluk zou hebben, ik tenminste in… goede handen zou zijn. Echt waar. Ik ben hier niet aan het zwansen. Zelfs niet aan het overdrijven. Ongelooflijk, niet, beste lezers? Dat net bij mij, dertig jaar lang, telkens als die borden opdoken, die onnozele gedachte door het hoofd spookte. En nu, nu, ga ik net dood gaan door datzelfde zo geroemde Gasthuisberg. Hoe belachelijk kan een mens niet zijn.

Maar dit is niet de eigenlijke bekentenis die ik wilde maken. De eigenlijke bekentenis is deze: zelfs toen ik ze deed, jarenlang, in mijn auto, vond ik het toen al en nu besef ik het tot mijn grote spijt al helemaal, ontzettend arrogant. Alsof al die andere ziekenhuizen niet goed zouden zijn. Of gewoon zelfs minder goed. Het is de arrogantie van Gasthuisberg zelf, van dus de grootste en de beste te zijn, die zich dus ook in mij bevond. Die zich op één of andere manier in mij genesteld had. Misschien door mijn jarenlange studies, misschien was het de arrogantie van de KUL die doorwerkte tot in mij via die studies tot aan dat machtige Gasthuisberg. Misschien. Maar, en dit is de eigenlijke bekentenis, die arrogantie van Gasthuisberg zat dus ook in mij. En dan is het misschien ook wel mijn verdiende loon dat ik dood ga gaan door deze arrogantie. Als straf voor de mijne. Dat heeft toch iets rechtvaardigs, niet?

Enigste probleem is dat die plotse enorme ontgoocheling en teleurstelling in dat onbeschaamd en onbevlekt Gasthuisberg zich als een zwarte inktvlek verspreidt naar de ganse provincie Vlaams-Brabant, net zoals in die auto, het de borden van Vlaams-Brabant waren die mij’ s nachts welkom heetten in Gasthuisberg. Dezelfde provincie Vlaams-Brabant waar ik nu al meer dan dertig jaar woon. Mijn ganse leven van de afgelopen dertig jaar wordt door dit alles plots in vraag gesteld. Als zo’n dingen hier, in dit welvarend zogenaamd kenniscentrum van Vlaanderen, kunnen gebeuren, alsof het iets vanzelfsprekends is, was ik dan niet beter in het armere maar misschien wel simpelere en daardoor eerlijkere Turnhout gebleven? Dit Vlaams-Brabant, waar ik zo trots op was dat mijn kinderen er konden in opgroeien, waardoor ze zelfs woorden op een rare manier begonnen uit te spreken en meer en meer zelfs naarmate ze ouder werden? Dit hartland van het vroegere Hertogdom Brabant dat mij zo veel gegeven heeft: mijn eerste lief, mijn enige vrouw, mijn schatten van kinderen, om nog maar te zwijgen over al de vrienden en kennissen die ik er door de jaren heen heb leren kennen.

Dus ben ik afgelopen week met Tin gaan wandelen in de Doode Bemde in Sint-Joris-Weert, in de hoop mijn liefde voor dit land, via het mooie Vlaams-Brabantse landschap rondom ons, terug te vinden. Voor diegenen die het niet kennen: het is een klein, maar prachtig natuurgebied dat de loop van de Dijle volgt tussen Overijse en Leuven in. Het leent zich uitstekend tot zo’n nieuwe verzoeningspoging want ik heb het zelf ook pas onlangs leren kennen dankzij de Jules, één van de warmste mensen die hier op aarde rond lopen, een supersympathieke rasechte ket die bij ons in de straat woont, een rondlopend vat van liefde en genegenheid, een geboren en getogen Kortenbergenaar. Eigenlijk, om juist te zijn, moet ik Everbergenaar zeggen. De overkant van de straat is namelijk nipt Everberg en toch betekent dat hier om donkere en al lang vervlogen redenen, ongekend voor allochtonen zoals wij, een wereld van verschil. Niet dat Jules daar zo veel last van heeft. Integendeel, het is één van de meest open mensen die hier rond lopen. Sommige van zijn beste vrienden zijn homosexueel, hetgeen me niet verwondert aangezien zelfs ik in zijn nabijheid begin te twijfelen aan mijn eigen geaardheid; zo’ne schat van een vent is het. En hij houdt zelfs van Brussel, hetgeen, raar maar waar, hier in de Vlaamse rand vaak zelfs bij jonge mensen niet het geval is. Zo stevig en onbekrompen staat hij in het leven. Het park zelf zit vol met bevers. Zo werd ons gezegd. Via knuppelpaden geraak je aan de Dijle. Maar bevers krijgen we niet te zien.

Misschien daarom dat het niet lukt. De haat en de agressie die ik voel ten opzichte van dat verwaand gedrocht een beetje verder daar in de hoger gelegen Elysese velden is ook wel veel te groot. Dat gigantisch monster dat met een enorme bouwwoede nu al minstens 20 jaar de ene nieuwe betonnen blok na de andere weet neer te poten met de steun van alle mogelijke overheden. Dat zonder ook maar enig probleem, zonder ook maar enig kritisch toekijkend oog van om het even wie, noch van het eigen dikbetaalde management, noch van een derde partij, zelfs niet van de derde macht, onze eigen justitie die toch de beginselen van onze democratische rechtsstaat zou moeten waarborgen en ons, als het even kan, op die manier toch minstens een veiligheidsgevoel zou moeten bezorgen, mensen zoals ik met huid en haar opeet en de beenderen terug uitspuwt. Waar dat mensen zoals ik, burgers van dit land zoals ik, enkel nog nummers zijn, verwaarloosbare nummers, vergeten en dode nummers nog vooraleer ze effectief dood zijn. Waar dat slachtoffers, niet enkel van hun falen, maar zelfs van hun onkunde, zoals ik, met een verpletterende en onheilspellende kracht corporatistisch dood gezwegen worden. Die betonnen blokken staan op een kerkhof van toegedekte mis- en wandaden en geen haan die d’r naar kraait. Jezus had ten minste nog een haan die drie keer kraaide. Deze pechvogels van dit land, deze losers eerste klas, hebben zelfs dat niet gekregen. Ze worden geslachtofferd voor het amechtig in stand houden van de maatschappelijke illusie dat alles in dit land goed gaat, dat die specialisten-geneesheren geniale halfgoden zijn en dat die rechtsstaat zijn werk doet. Nochtans, als die mooie witte betonnen muren konden spreken, zoals in zo’n ouderwetse goede horrorfilm à la Carrie, het bloed zou ervan afstromen en geen enkele Leuvenaar, Vlaming, Belg, Europeaan zelfs, zou zich nog veilig voelen. Zelfs afschuw of afkeer zijn te zwakke woorden voor wat ik voel. Haat die een mens doet ontploffen. Dat komt al wat meer in de buurt.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie