De meeste mensen zien nooit kanker. Het zit in hun longen, in hun prostaat, in hun borsten. In het beste geval zien ze, naast een opgeheven stilo van een witte geschelpte, een rare vlek op een CT-scan. Ze worden eraan geopereerd. Maar ook dan krijgen ze het gezwel niet te zien. Het verdwijnt heimelijk in de hellekrochten, de onderbuik van het ziekenhuis. Het wordt meegenomen naar de labo’s onder de grond voor biosecties, uitgevoerd door pathologen, die niets anders doen dan dat na als student begonnen te zijn met die kikkerbillen. Maar de patiënten zelf krijgen het zelfs dan nooit te zien.
Maar ik heb het gezien. Ik heb gezien hoe het explodeerde in mijn oogkas na die totale blunder van een operatie van een van die diensthoofden ophtalmologie van Gasthuisberg, met name Ilse Mombaerts. Hoe het zich nadien een weg zocht in die engte. Hoe de aders erop kwamen te liggen omdat die kankercellen naast suiker ook bloed zuipen. Alles eigenlijk wat energie brengt aan een menselijk lichaam, opvreten. Wat ineens verklaart waarom die kankerpatiënten in latere fases met zo veel gewichtsverlies te maken krijgen. Zelf zit ik ondertussen aan min 10 kilo of mijn derde nieuwe gaatje in mijn broeksriem. Alleen is het nu nog niet duidelijk of dat op dit moment ligt aan de kanker of het verlies aan eet- en levenslust gecombineerd met het stoppen met drinken van alcohol. Niet dat ik voorheen een alcoholicus was. Maar die 1 à 2 flessen rode wijn per week, aangevuld met af en toe een sterk biertje, valt toch niet te verwaarlozen als bron van calorieën. En neen, niet dat ik nu geen goesting meer heb, integendeel, maar het bevalt me gewoon niet meer zo.
Ik heb letterlijk aan den lijve ervaren hoe agressief dat gezwel wel niet was. Hoe dat het zich door niets liet tegen houden. Niet door een oog, niet door wat kliertjes die zich toevallig in de buurt bevonden, zelfs niet door een oogkas annex schedel. En hoe het in deze ‘situ’ exponentieel groeide, sinds Corona en twee besmettingsgolven verder een vertrouwd begrip voor ons allen. Het begint piepklein, om daarna langzaam groter te worden, om dan, na de prutsoperatie van Mombaerts, te groeien aan een tempo dat enkel als angstaanjagend kan bestempeld worden.
Ik weet dan ook beter dan wie ook dat ik gedoemd ben. Dat het gewoon een kwestie van tijd is tot dat de boel ontploft. En deze keer gaat er niet veel meer aan te doen zijn. Bij die MRI van verleden jaar augustus was de assistente radiotherapie bezig over 6 ‘incidenties’ in mijn hersenen; 5 kleinere en 1 ‘iets grotere’. 6 verschillende plaatsen dus in mijn hersenen waar er zich toen al tumoren aan het vormen waren. De bestralingen gaan hen in het beste geval wat afremmen, of zelfs afblokken, maar meer zit er niet in. Zelfs als de radiotherapie succesvol is, is het dus gewoon wachten op de volgende plaats waar zich een tumor zal ontwikkelen. Kortom, ik ben een vogel voor de kat. En afgaande op de agressiviteit van dit type tumor zal het allemaal niet heel lang duren.
En dit alles ondanks het feit dat ik onmiddellijk medische hulp gezocht heb. Onmiddellijk. Vanaf dag 1. Ik wist alleen niet dat het kanker was. Dus ging ik naar een oogarts. Deze fout zal mij nu mijn leven kosten. En het heeft mij nu al bijna twee jaar mijn linkeroog gekost. Met dank aan een oogarts. Maar als je een probleem hebt aan je oog, dan ga je toch naar een oogarts? Als er ook maar een vermoeden van kanker was geweest, het kleinst mogelijke vermoeden, had ik onmiddellijk mijn twee engelbewaarders van het UZ Gent gecontacteerd, had ik hen gevraagd wat te doen. Maar dat was er niet, zo’n vermoeden, zelfs geen flauw idee. Dus ging ik naar de oogarts. En eigenlijk was dat nog een goede oogarts want al na twee consultaties vermoedde die kanker. Alleen zegde ze het niet tegen mij. Durfde ze het niet te zeggen tegen mij. In de plaats daarvan stuurde ze mij met een doorverwijzingsbrief naar een professor van Gasthuisberg met een vraag naar ‘meer beeldvorming’. En daar is alles, maar dan ook alles, van begin tot het eind, volledig verkeerd gelopen.
Ongelooflijk. Wie had ooit gedacht dat zoiets kon gebeuren in zo’n universitair ziekenhuis, een ziekenhuis met zo’n reputatie? Iemand die zo’n ereloon vraagt en krijgt, die moet toch weten wat ie doet? En ik kan me nu al voorstellen wat voor een excuses ze gaan verzinnen om toch maar te zeggen dat het allemaal eenmalig was, een jammerlijk ongeval dat nooit meer zal gebeuren. Dingen zoals: “Ja, maar sindsdien hebben we checks ingebouwd om er zeker van te zijn dat dergelijke verwijzingsbrieven correct opgevolgd worden,” of “Ja, maar we hebben de organisatie van oogheelkunde helemaal aangepast en werken daar nu in teams zodat één persoon niet langer op zijn eentje zo’n foute beslissingen kan nemen,” blah, blah, blah, blah,…
Het enigste probleem is dat, wat er met mij gebeurd is, in tegenstelling tot wat zij met al hun verpletterende almacht zullen beweren, GEEN ongeval was. Dat wat met mij gebeurd is, geen ‘pech hebben’ was. Maar het gevolg van een structureel falen. Dat het hier dus niet gaat over een menselijke fout begaan door één prof, per toeval ook en dan toch een mens. Dat hier alles zo zeer is fout gelopen in elk stadium van mijn ‘case’ dat men enkel van mismanagement kan spreken, mismanagement getolereerd door en zelfs met de goedkeuring van dat dikbetaalde supermanagement van Gasthuisberg.
Misschien omdat die dienst ophtalmologie lekker veel geld opbracht met al die gepensioneerden die aan het staar moeten geopereerd worden. Als er zoveel geld mee gemoeid is, mag er toch af en toe wel een ongelukje gebeuren, misschien? Die ziekenhuizen zijn zo non-transparant dat ik er maar het raden naar heb. Maar wat ik wel met zekerheid kan stellen, is dat wat zeker meegespeeld heeft, is dat hetgeen dat mij helemaal gedood heeft, dat het mes het diepst geduwd heeft, niets anders was dan die mateloze arrogantie die dat vervloekte Gasthuisberg zo kenmerkt. Die arrogantie die maakt dat zij als halfgoden hun staf en patiënten behandelen. Denken dat ze kunnen beslissen over leven en dood zonder zich ook maar enige zorgen te moeten maken over eventuele repercussies. Zij zijn heer en meester, de grootsten en de besten en iedereen moet zijn mond houden als zij spreken en braaf luisteren. Wij mogen al blij zijn als ze willen spreken. Zo erg is het gesteld met die witte jassen van Gasthuisberg.
Met mij willen ze alvast duidelijk niet meer spreken. Het is trouwens, zoals ik al tot in den treure aangeklaagd heb, ook niet aan hen om met mij te spreken. Wat denk ik wel zeg. Zagevent. En wat valt er trouwens ook nog te zeggen tegen iemand die gaat sterven door jouw schuld? “Het spijt ons,” zou een mooie start zijn, maar redt het natuurlijk niet. Dus maken ze gewoon gebruik van hun absolute machtspositie in ons Vlaams zorglandschap en plegen overholen machtsmisbruik door mij dood te zwijgen. Iemand die dood gaat, dat heeft toch ook geen zin om daar nog iets mee te bespreken. Dat is gewoon tijdverlies. Die moet gewoon dood gaan en een beetje consequent blijven.
Maar met de rest van België willen ze eventueel nog wel ooit een keer overleggen. Van hun heilige berg afdalen om vanuit de goedheid van hun hart aan ons moeilijke dingen uit te leggen. Op één of andere geheime vergadering in een achterkamer want de gewone mensen kunnen zo’n dingen niet aan, zijn te lomp om te begrijpen hoe alles in mekaar zit. Of misschien ondertussen toch al iets publieker, op de televisie of één of ander internetplatform of zo. Om uit te leggen hoe moeilijk hun werk wel niet is. Hoe vlug er wel geen fouten kunnen gebeuren. Dat zij ook maar mensen zijn. En dat zij dus ook alleen maar hun best kunnen doen. Meer kun je toch niet verwachten? Verwachten jullie dan echt meer?
Wel, euh, nu je het dan toch vraagt, om te beginnen, wat denk je van medische slachtoffers op een menselijke en correcte manier behandelen? En medisch geklungel dat de dood tot gevolg heeft in alle transparantie onderzoeken en conform publiek afstraffen? Net zo publiekelijk als dat ik publiekelijk ga sterven door datzelfde geklungel? Lijkt dat jullie wat? Hallo? Hallo?! Zijn jullie daar nog?!!
