Vandaag wordt mijn sanctuarium geopereerd. Mijn neus. Dat ding in het midden van mijn gezicht. Al sinds mijn vader overleden is in 2001, toen ik hem daar met die typische geelachtige wasschijn van een lijk opgebaard in de koelkelder van het ziekenhuis zag liggen, besef ik hoezeer het orgaan ons geslacht kenmerkt. Ook Vaderhoskens had zo’n machtig exemplaar. Ondanks dat hij ergens in de loop van zijn leven zijn neusbeentje was kwijt geraakt. Wat ik als klein kind bijzonder fascinerend vond. Toen hij bij ons thuis inwoonde vroeg ik hem regelmatig om een keer zijn neus plat te drukken tegen zijn gezicht. En telkens wanneer hij het deed, met zijn duim tegen zijn wang, moest hij lachen omdat ik met open mond zat toe te kijken. Tegenover Tin had ik het steevast over mijn prachtige Romeinse neus. En de afgelopen jaren is mijn interesse in dit kleinood alleen maar groter geworden. Vooral na mijn ontslag bij Mobistar, toen ik in stukken uiteen geslagen depressief in bed lag en gedurende meerdere weken zelf niet langer bestond, heb ik ontdekt dat als cement voor de hoekstenen van ons leven geur een veel wezenlijker grondstof is dan smaak. Waar dat Proust een madeleinekoekje nodig had om teruggeworpen te worden in de tijd, ontdekte ik dat de reukzin een veel beter kompas is om je weg terug te vinden als je je zelf verloren bent. Voor diegenen die dit alles een beetje overtrokken vinden, sta mij toe even uit te wijden.
Specifieke geuren, zowel van als uit de omgeving rond ons lichaam, maken integraal deel uit van wie we zijn. Zo zijn er externe geuren die de meesten van ons kennen, zeker mensen zoals ik, afkomstig van ‘den boerenbuiten’; de geur van natte aarde na een fikse regenbui of de geur van stro in de zomerse lucht. Daarnaast zijn er de geuren van je lichaam zelf waar vaak een taboe rondhangt. Vaak want het geldt niet voor hen allemaal. Zo is er bijvoorbeeld de lichaamsgeur van jezelf en je partner die iedereen kent. Maar vaak gaat het om andere geuren die veel intiemer zijn en waar men dus niet zo vlot over spreekt. Waar deze geuren zich juist bevinden verschilt van mens tot mens. Ik kan dus niet voor anderen spreken maar in mijn geval zijn de volgende dingen bron van ontieglijk olfactorisch genot: de vuiligheid tussen mijn tenen, de geur van mijn piemel, de prut in mijn navel, enz. ‘s Avonds in bed heb ik dan ook geen ‘Yoga-Ohm’ nodig om één te worden met het universum. Een lekker geurtje van een bron die ik en ik alleen ken en ik ben vertrokken.
Voor diegenen die nu gechoqueerd zijn, dat is voor niets nodig: deze geuren zijn gewoon de eerste referentiepunten die je als kind in de wieg meegekregen hebt. Want wat bevindt zich in je wieg buiten je lichaam? Misschien nog een fopspeen of een knuffel waar je trouwens ook graag aan ruikt. En dat zal het zo’n beetje zijn. En met dat lichaam, met al die indringende geuren, daar groei je mee op. Bij alles dat we doen en meemaken, als baby, als kind, als volwassene, zeulen we dat lichaam met die kenmerkende geuren mee. Terwijl we ons zelfs niet eens echt bewust zijn van onze afhankelijkheid van deze massa aan gewicht en data. Ruikt het dan allemaal anders bij mij dan bij de anderen? Ik zou het niet weten. Ik heb het nooit geroken bij een ander en zou het ook niet willen ruiken. Maar van mezelf herken ik deze geuren uit duizenden. Elk vleugje van deze geuren brengt mij terug naar vervlogen tijden, tijden waarin ikzelf ontstaan ben, mijn eerste kennismaking met de wereld. Daarom is geur dan ook wat mij betreft fundamenteler dan smaak. Het gaat verder terug in de tijd; tot op het ontstaan van de wereld.
Aangezien echter de biopsie aangetoond heeft dat ook het bolletje in mijn neus kwaadaardig is, is er dus nog een tweede operatie vereist. Om ook dit gezwel volledig te verwijderen. Twee operaties op één maand tijd. Door telkens andere specialisten. Niet dat ik niet wil dat het gebeurt. Integendeel. Ik prijs me gelukkig dat er nog een operatie mogelijk is. En dat ze zo snel mogelijk plaats vindt. Want sindsdien, sinds de laatste onderzoeken, heb ik het gevoel dat de zone rond mijn rechteroog begint te reageren op de tumor in mijn neus. Misschien is het enkel de toenemende druk op mijn neusvleugel of het ondertussen volledig verstopte neusgat, maar die vreemde sensatie onder mijn oog dat het overigens steeds moeilijker krijgt om te focussen doet me bibberen. De gedachte dat ook mijn enige overblijvende oog geïmpacteerd zou worden door dit nieuwe gezwel is gewoon huiveringwekkend.
Ik prijs me dan ook weer gelukkig in UZGent in behandeling te zijn. De idee dat de operatie uitgesteld zou worden omdat er terug te veel coronabesmettingen zijn, zou, gegeven de omstandigheden, al even gruwelijk zijn. En dat UZGent, als enigste ziekenhuis, de richtlijn van de overheid om 25% van de intensive care bedden te reserveren voor coronapatiënten naast zich neerlegt, kan op veel applaus van mij rekenen. Dit terwijl dat Gasthuisberg, die bullebak van een ziekenhuis van die Katholieke Universiteit van Leuven, als eerste, klakkeloos en als een brave jongensscout, de richtlijn volgde; en zelfs een patiënt met een hersentumor die al een keer met uitstel geconfronteerd werd tijdens de tweede coronagolf nu in de vierde – koudhartiger kan het niet – van de tafel haalde in de operatiekamer.
Het gemak waarmee men een grote hoeveelheid aan anonieme, individuele mensen wegzet ten voordele van een andere grote groep mensen met een maatschappelijk en dus politiek heel zichtbare ziekte, waarvoor men zich godbetert ondertussen al lang had kunnen laten vaccineren, vind ik hallucinant. En dat allemaal gewoon omdat de beleidsvoerders nog altijd niet het lef hebben om vaccinatie verplicht te maken. Want er zijn stemgerechtigde paranoïde antivaxers die op de stoep luidop staan te brullen dat hun vrijheid bedreigd wordt. Ochottekes toch. God zij dank bestaat er nog iets als het UZGent dat de mensen op hun eigen verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden wijst. Van onze laffe politici moeten we het niet verwachten.
In afwachting hoop ikzelf vooral dat het deze keer wat minder pijn gaat doen. De vorige keer, bij mijn bijnier, hebben ze nadien een morphinepomp moeten plaatsen. Zo ondraaglijk was de pijn. De operatie zelf is blijkbaar wel goed verlopen. Het gezwel zat nog goed ingekapseld in de bijnier. Alleen verschoot de chirurge dat het zozeer – van 3 naar bijna 4 centimer – gegroeid was op een maand tijd – de tijd verlopen tussen de laatste scan en de operatie.
Het vreemde is wel dat het gezwel in mijn neus zich in het rechterneusgat bevindt. De specialisten zijn ervan overtuigd dat het van de linkerkant van mijn gezicht komt, daar waar het oorspronkelijke bolletje zich bevond naast mijn linkeroog. Op een of andere manier, is het waarschijnlijk door het tussenschot van de neus heen naar de overkant gekropen, zeggen ze. Of dit zo is, zal blijken tijdens de operatie. De grote vraag is of de neus zelf intact zal kunnen blijven. Voorlopig hoopt men of denkt men van wel. En wordt het een soort van extra grote snutbeurt waarbij sinussen en slijmvliezen, en op zijn minst een stuk van het tussenschot, samen met het gezwel verwijderd worden. Als echter de neusbrug zelf geïmpacteerd zou blijken te zijn dan wordt het een heel ander verhaal. Dan zou ook die aangepast moeten worden en zou er nog een ingreep in mijn gezicht zelf moeten plaats vinden. Dan zou er naast het het gat in mijn hoofd waar vroeger mijn oog zat een geretoucheerde neus te zien zijn.
Ik hoop vooral dat mijn bril nog op mijn neus gaat kunnen blijven staan want zonder ben ik helemaal verloren. En niet alleen omdat ik dan zo goed als blind door het leven ga moeten gaan maar vooral omdat mijn grote piratenverdwijntruc met het ooglapje voor het brilglas en de lange baard van Kapitein Grijsbaard niet langer zal werken. Net zoals Cyrano de Bergerac ga ik dan enkel nog in het donker, verborgen voor iedereen, mijn liefde voor het leven kunnen bezingen. Langs de andere kant, de goegemeente en al zeker die onzin-uitbrakende vrijheidsstrijders gaan zeggen dat ik blij en dankbaar moet zijn dat ik nog kan zingen.
