Vallen en opstaan

Het is donderdag 8 december 19 uur ‘s avonds en vandaag gaan we nog eens een keer naar de AB in Brussel. Nog eens een keer want het is al een tijdje geleden. Met het ouder worden en vooral voortdurend ziek zijn heb je geen zin meer in die ongezellige drukte van mensen massaal op zoek naar de zin en betekenis van dit bestaan op een concert. Of op een kerstmarkt wat dat betreft. Want op weg naar de Anspachlaan blijkt dat de kerstmarkt al begonnen is. Compleet niet aan gedacht. Vroeger was het een must om met de kinderen minstens één keer naar de kerstmarkt te gaan. Vooral omwille van de mooie vintage-windmolen op de Vismarkt. Ik zie de witrode maanraket van Kuifje in de verte al door het dak gaan en boven de artificiële kerstchalets in de nachtlucht zweven. Hoe dikwijls hebben we hier niet naar dit tafereel staan kijken met Sam of Ella in de raket. En het is net hier dat het lot weer toeslaat. De kerstmarkt staat op houten platen verhoogd met behulp van een metalen stelling. En opnieuw, voor de zoveelste keer de afgelopen jaren, schat ik het hoogteverschil verkeerd in. Ik struikel en val met de volle 100 kilogram en veel lawaai op mijn gezicht. Vergeet daarbij niet mijn linkerscheenbeen eerst recht op de stalen frame te stoten om nadien langs diezelfde frame naar beneden te schuren. Als ik opkijk zie ik Tin in het gangetje tussen de kerststallen voor mij staan met daarachter enkele onbekende kerstmarktgangers die ongerust halt houden en lief vragen of we hulp nodig hebben.

Een gigantische flash-back dringt zich echter ter plekke bij mij op. Naar 28 april 2020. Toen ik de koorden van de slaaptent van Sam en Ella in onze tuin dacht gemist te hebben. De slaaptent opgezet om ‘s nachts vlak bij de pas ontdekte nest kleine konijntjes te blijven, om ze te beschermen tegen marters en dergelijke. Ik dacht toen eerst dat het aan Sam en Ella lag met dat overdreven en idioot gedoe. Toen ik een beetje gekalmeerd was dacht ik zoals zo vaak dat het aan mezelf lag. Domme kloot dat ik was. Ik had maar beter moeten opletten. En nu pas besef ik dat het ook toen al aan dat ene oog lag. Dat ik die touwtjes wel degelijk gezien had. Maar dat ik net zoals die houten vloer hier op de kerstmarkt de hoogte verkeerd ingeschat had. Al die onnozelaars die beweren dat na het verlies van een oog het dieptezicht zich na een tijdje herstelt. Zeveraars. Allemaal. Dat herstelt zich helemaal niet. Ja, dat herstelt zich voor een object dat zich op twintig meter afstand bevindt. En dan nog enkel dankzij de ratio. Die auto daar aan de kant van de weg, die zich naast die boom bevindt, die duidelijk pas na die villa ginds rechts van mij opduikt, bevindt zich minstens dertig meter van mij want zo’n villa is toch drie à vier keer groter dan een gewoon huis en dan moet ik de afstand tot de boom er nog bij op tellen, conclusie: ik kan rustig door rijden. Maar alles wat zich op minder dan een meter van mij bevindt is een ramp. Vandaar de ellendige rampzaligheid van tentenkoordjes, trappen, dorpels, stenen en gaten in de weg en zoals nu blijkt ook verhoogde nepkerstmarktvloeren. Dus die gebroken rechtervoet en gebroken rechterelleboog van april 2020 – en het sindsdien niet langer kunnen joggen of gewoon sporten; zelfs ping pong spelen lukt niet meer met mijn geruïneerd zicht, ik sla voortdurend naast het balletje met mijn palet – kan ik ook al op het conto van die konijnenburcht op Gasthuisberg en vooral die arrogante Hartenkoningin schrijven – specialist ophtalmologie, beschermvrouwe van alles wat oog is nota bene.

Omdat we zo uitkijken naar het concert beslis ik de pijn wat te verbijten en al hinkend door te gaan. Gelukkig. Want het optreden van Eefje de Visser is fantastisch. Er wordt prachtig gespeeld met kleur, licht en choreografie. En alles ademt nuance en stijl uit. De backing vocals voeren bezwerende armbewegingen à la Three Degrees uit waarbij enkel de blote schouders en af en toe een blote bil door de split van de lange jurken eventjes zichtbaar worden. En daar die saus van intimistische en ingetogen muziek over. Echt klasse. Het is eens wat anders dan al dat gerap over bitch en ass en wapengeweld. Als we thuis aankomen, doe ik snel mijn schoen uit en rol mijn kous naar beneden. Ik moet haar hierbij wel een beetje los trekken want ze is ondertussen al met bloed en al vastgekoekt aan de wonde onderaan, daar waar ik recht op de stalen frame botste. Het blijkt zelfs geen snijwonde te zijn, maar eerder een stuk opengescheurd vel over een afstand van 5 centimer. En boven de open wonde bevindt zich een stuk tijgervel van een vijftigtal bloedende schaafwondjes. Tin wordt kwaad. Ze vindt dat ik dat had moeten zeggen in Brussel. Ze dacht dat mijn geslaagde piratenimitatie met een ooglapje en een houten been enkel aan een verstuikte enkel of zo te wijten was. We kappen snel wat isobetadine over de open wonde. Te snel. Op enkele seconden zit ik tegen het plafond van de pijn. Ik dacht dat dat geen pijn deed, isobetadine? Vergeet het maar.

Nochtans was de dag bijzonder goed begonnen. In de ochtend moest ik voor de zoveelste keer naar het UZGent. Ditmaal om te checken of er een nieuwe bout in mijn oogkas kan gestoken worden, ter vervanging van de bout die losgekomen was na de zwembeurt in die hete zomer bij Koenie en Katrina. Ik verwacht echter niet veel van dit bezoek. Na de vlotheid waarmee mijn derde neusgat gecertificeerd en erkend werd met visastempel en al door de specialisten met de boodschap: “Daar kunnen we niet veel aan doen,” verwacht ik iets gelijksaardigs deze keer. Ik bereid me dan ook al voor op weeral slecht nieuws. Voel de depressie al opkomen. Neem me echter voor te zeggen dat ik sowieso nog ga zwemmen, epithese of geen epithese, fistel of geen fistel, gat in mijn kop of geen gat in mijn kop. Misschien niet meer in een zwembad, dat voelde de laatste keren toch niet langer lekker aan, maar zeker in de zomer in die zwaar vervuilde Noordzee. Als ik dat nog haal natuurlijk. Zegt die specialist plots: “Weet je wat we zouden kunnen proberen, mijnheer Hoskens? Dat is aan dat kunstoog, die epithese, een aanhangsel toevoegen dat als een stop in een badkuip in die fistel gestoken zou kunnen worden. Dan zou je gewoon kunnen blijven zwemmen.” Hij moet het nog wel checken met de anaplastoloog en de chirurg die mijn neusoperatie uitgevoerd heeft. Ondertussen blijken er ook al bouten met een draad van 8mm diepte te bestaan ipv die drie milimeters die ik nu heb. Bouten die dus veel steviger in mijn schedel zullen zitten en niet na een zwempartijtje los zullen komen. En volgens de laatste scans beschik ik nog over voldoende bot om zo’n nieuwe bout te plaatsen. Het kon even niet op die ochtend in het UZGent. Enorm opgelucht, zelfs blij als een klein kind, reed ik terug naar huis. Om ‘s avonds opnieuw op mijn gezicht te gaan.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie