Een week of twee geleden verschiet ik me een ongeluk bij het openen van Facebook. Net wanneer ik me even in de schijnwereld van dit digitaal medium wil onderdompelen, dringt plots de realiteit keihard binnen. Er verschijnt een doodsbrief met foto op mijn scherm: ‘Madame Anick Lauwereins, née à Roulers le 7 août 1968 et décédée à Jauche le 9 décembre 2022.’ “Anick verdomme,” vloek ik luidop terwijl ik rechtop schiet. Het is een ex-collega uit de tijd van mijn eerste echte werkervaring, zo’n 30 jaar geleden. Een ex-collega die ik bijzonder graag had. Hoofd van het Desktop Publishing Team. Mooie vrouw. Maar niet op de babe-manier. Met veel stijl en gevoel voor humor. En vooral warm. Warm van hart. Warme lach. Warm ook in moeilijke tijden, als de boel weer eens ontplofte op het werk. 54 jaar is ze geworden.
Op de begrafenis ontdek ik wat er gebeurd is. Ze leed aan de ziekte van Charcot, een neurologische aandoening waarvan de oorzaak onbekend is. Zenuwen die aangetast worden, geleidelijk aan verlies van spieren en uiteindelijk functionaliteiten. Vijf jaar heeft de lijdensweg geduurd. Wat een ellende moet dat wel niet geweest zijn. Op de begrafenis ontdek ik verder met lichte verbazing dat ze nog een heel leven gehad heeft sinds ik haar laatst zag, nu dus bijna 30 jaar geleden. Alsof voor mij ook de afgelopen 30 jaar niets gebeurd is. Zo is ze gescheiden geraakt van haar Parijse Jazz-saxofonist en heeft ze nog een lange reis gemaakt in de USA voordat de aftakeling echt inzette. Vreemd want ik herinner me haar alleen met haar guitige ogen en jeugdige glimlach. Alsof we samen zijn blijven hangen in de tijd. Alsof ik haar elk moment zou kunnen aanspreken zoals ik haar aansprak mid jaren ‘90, altijd aan haar bureau met een sigaret in de hand. Klinkt onnozel niet? Maar toch, zo lang niet gezien en toch nog zo helder aanwezig. Net zoals bij beste vrienden: er is geen onduidelijkheid over wie de andere is zelfs als je mekaar lang niet gezien hebt. Alleen is de andere nu lijfelijk helemaal afwezig. Dat is al. Niet dat wij mensen belangeloze, altruïstische wezens zijn die alleen maar van liefde leven. Egoïst tot in de kist, dat zijn we. Het verschieten met het bericht op Facebook lag hem naast het bericht zelf vooral in de confrontatie met mijn eigen dood. Want binnenkort is het mijn beurt om daar te liggen in die kist. Dan ga ik niets meer kunnen zeggen of zelfs maar een beetje wuiven.
Niet dat de dood voor mij een onbekende is. Als accidentje, nakomer en benjamin van de familie werd ik van jongs af aan geconfronteerd met de dood. Zo was er allereerst mijn grootvader, Vaderhoskens, vader van mijn vader, in mijn kinderogen stamvader van alle Hoskensen op de wereld. Ik zie hem nog op het bed in de vroegere kamer van mijn zuster liggen, naast hem een oude kast met een halfafgescheurde sticker van Elvis Presley op de ingebouwde spiegel. Met een purperen sjaal gebonden rond zijn kaak en hoofd zodat zijn mond niet open viel en iemand zijn paardetanden kon zien, even knalbruin en volledig afgesleten tot op het tandvlees door een leven lang sjikken in de plaats van gras te kauwen. Zijn blauwe emaille spuwemmer stond beneden steevast klaar naast zijn zelfgemaakte lederen zetel. Een rare gewoonte gezien vanuit de huidige tijd maar de oude man heeft wel dankzij het sjikken nooit tandpijn gekend, of zo beweerde hij toch. Ik was 10 jaar oud – hij 87 – hij had trouwens hetzelfde geboortejaar als Hitler. Toen was er moemoe, de moeder van mijn moeder, de liefste grootmoeder die iemand ooit gehad heeft, zelfs die van Roodkapje kon er niet aan tippen. Ik zie me nog boven op de brug over het kanaal Dessel-Schoten in de Meirgoren staan, te voet op weg in de gietende regen naar het huis van mijn broer in de Drieskensstraat te Turnhout, te wenen, te roepen en te schelden tegen God dat ik in de hemel op zijn bakkes ging komen slaan omdat hij zo’n lief en goed mens had laten dood gaan (red.: binnenkort krijg ik misschien de kans om mijn belofte eindelijk uit te voeren). Ik was toen student psychologie in Leuven en zij was ondertussen ook al 74 jaar.
En ik moet ook niet klagen dat ik zo jong nog ben. Ik heb vrienden gekend, van mijn leeftijd, die al lang deze wereld verlaten hebben. Toen ik 8 jaar was een klasgenootje dat altijd een gestreepte coltrui droeg, want dat was toen mode of zo herinner ik mij hem toch op de klasfoto, die met de fiets op weg naar school aan Brug 1, de ophaalbrug richting Baarle-Hertog, werd dood gereden door een bus. Of Peter Peeters, waarschijnlijk in slaap gevallen achter het stuur van zijn auto ‘s nachts op de snelweg richting Aarschot waar zijn ouderlijk huis stond. Hij was net als ik student Eerste Kan. Hij had geen kot, pendelde altijd op en af en was dus meer af- dan aanwezig in Leuven. We vonden mekaar in onze gedeelde eenzaamheid in de voor ons nog vreemde universiteitsstad. En eventjes later was er Bart Proost, ook klasgenoot maar dan in het hoger humanoria, en al heel zijn jonge leven aan het vechten tegen kanker. En toch nog goedlachs. Met een fantastische grinnik. God, wat mis ik die grinnik. Ik zie hem de laatste keer dat we elkaar zagen nog zitten aan het hoofdeinde van onze eettafel thuis. Hij stierf in Pellenberg in 1986 na een ordinaire infectie die zijn immuunsysteem niet langer aan kon wegens ernstig verzwakt door zware chemosessies.
Sindsdien mijn beide ouders, bijna al mijn nonkels en tantes, wel geen enkele neef of nicht terwijl ik toch één van de jongsten ben, buiten Gerda, de lichtjes zwakzinnige dochter van mijn peter, nonkel Albert, en Pierre, de oudste zoon van Jang, de tweede man van Tante Annie, dus geen echte neef, eerder een aangetrouwde, maar wel een echte binnenvaartschipper die op jonge leeftijd verpletterd werd toen hij na een val in het water tussen de kade en zijn schip terecht kwam.
Een vijftal jaar geleden was er Luc Herman, een van mijn jeugdvrienden, na een leven van alcoholisme, gebroken op de lessenaars van het Sint-Victorinstituut, onze middelbare school. Omdat hij een rebel was en niet uitzonderlijk geniaal in de schoolse betekenis van het woord maar creatief en mondig was hij zeker. Hij moest blijven zitten in het zesde middelbaar, terwijl hij niet alleen de school maar ook Turnhout, die koude grensstad in de Stille Kempen, kotsbeu was. Zijn grote droom was binnen geraken in de theaterschool Herman Teirlinck in Antwerpen. In de plaats daarvan bleef hij achter in Turnhout terwijl zijn maten hun vleugels uitsloegen en de stad van hun kindertijd zo vlug als ze konden achter zich lieten. Hij had niet de veerkracht om nadien opnieuw zijn droom na te streven. Voeg daar nog aan toe de dood van de liefde van zijn leven rond zijn dertigste toen hij in de haven van Antwerpen aan de slag was als arbeider en je hebt een leven van gefnuikte dromen. Het perfecte recept voor alcoholisme. Oh ja, zijn vader had ook problemen met autoriteit en alcohol. Dus er zal zeker een erfelijke factor een rol gespeeld hebben. Des te meer reden dat ze hem op school niet met repressie hadden moeten aanpakken. Maar ze deden het toch die Broeders van Liefde. Om hem een lesje te leren hielden ze hem als 18-jarige nog een jaar extra op die zo gehate schoolbanken. Het was voor Luc het begin van het einde. Het zou alleen nog zo’n 30 jaar duren tot dat hij dood op zijn keukenvloer neer viel. Ik weet het, in deze tijd van supermensen die geen medeleven meer kennen want ze vertoeven enkel nog in hun eigen kleine bubbel waar ze lekker super kunnen zijn, is het ongepast om de schuld van een misgelopen mensenleven bij een ander dan de persoon zelf te leggen. Maar toch is het zo. In weerwil van die hedendaagse waan van absolute en totale zelfredzaamheid is niet alles wat een individu overkomt zijn of haar schuld. Integendeel.
En zo heeft iedereen zijn eigen persoonlijk referentiekader als het over de dood gaat. Leven is langzaam dood gaan. Het gaat alleen sneller voor sommigen. Wie ben ik dan om te zeggen dat wat mij overkomt allemaal zo schandalig en onrechtvaardig is? Wie ben ik dan om langer te willen leven dan anderen? Moet ik dan niet tevreden zijn met het leven dat ik gehad heb? Dankbaar zijn? In de plaats van maar te blijven zagen en klagen? Ik heb toch kinderen gehad en ze zien opgroeien? Wat is er dan zo onrechtvaardig aan jouw lot? Het antwoord luidt: niets, ik heb geen enkel recht op een langer leven dan anderen. Het feit dat ik ga sterven is dus niet onrechtvaardig. Dat is het lot van ons allemaal.
Maar wat onrechtvaardig is is dat ik vroeg ga sterven door de schuld van anderen. Of toch veel vroeger dan ik had kunnen leven. Want ik heb zelf geen seconde tijd verloren. Ik heb steeds onmiddellijk hulp gezocht daar waar ik om hulp kon en diende te vragen. Heb zelfs aangeklopt bij Gasthuisberg, het meest gereputeerde universitair ziekenhuis van het land, sedes sapientiae, of zo wordt toch gezegd. Bij een diensthoofd nota bene, primus inter pares. Van een keigroot ziekenhuis, een monster van een ziekenhuis, scans in overvloed. Bij mensen die dus niet alleen beter hadden moeten doen, maar ook beter hadden kunnen doen. Maar het niet gedaan hebben. Nagelaten hebben om een ernstig onderzoek uit te voeren, maar op basis van wat fingerspitzengefühl enkele maanden later zonder enig voorbehoud een gevaarlijke operatie op een risicovolle locatie achteloos uit te voeren, nadien mij opnieuw weken aan een stuk aan mijn lot overlieten en daardoor mijn vroegtijdige stapsgewijze dood nu veroorzaakt hebben. Dat dit alles bovendien niet erkend wordt. Erger nog, dat al wat er gebeurd is onder een heel dik tapijt van medische weetjes en ondertussen het stof der tijd wordt weggemoffeld. En dit zelfs met de hulp van zogenaamde medische experten. Die flagrante leugens verkondigen of kritiekloos overnemen zonder scrupules of enig ethisch besef. Dat ik als burger van dit land in dit ganse proces als een stuk vuilnis behandeld wordt. Alsof ik zelfs nooit bestaan heb. Of net zo goed nooit bestaan had. Dat ik voor hen, Hartenkoningin, Gasthuisberg, medische experten, verzekeringsmaatschappijen, hen allen, niet snel genoeg dood kan gaan. En dat ik, het slachtoffer, dit alles machteloos moet ondergaan, bovenop al het andere dat mij al aangedaan is. Dat is onrechtvaardig. En dat is ronduit schandalig. Een modern westers land onwaardig. Een democratische rechtsstaat onwaardig.
