13, 14 en 15 februari 2023 – Dagen dat het zonlicht niet meer schijnt

Vandaag is het de verjaardag van Ella. Zeventien wordt ze al, onze jongste. En effectief, wat een verschil met verleden jaar. Geen meisje meer maar al een beetje vrouw. “Ze groeien als kool mijnheer.” Nog zo’n cliché dat gewoon waar is. Om haar verjaardag te vieren zijn we gisterenavond met ons gevieren naar een Italiaans restaurant gegaan in Leuven. Voor de geïnteresseerden: La Stanza in de Mechelse straat. Heel lekker eten. En vooral echt Italiaans. Zij het natuurlijk nog altijd een beetje overdadiger dan in La Dolce Italia, en ook wel een beetje vettiger, zoals het hoort in dit van oudsher bourgondisch Belgenland. Maar toch keilekker. Waar ik vooral ook van genoten heb na enkele weken min of meer gelukte onthouding was een fles rode wijn 100% Sangiovese uit Umbrië. Ik heb ineens terug gereserveerd voor mijn verjaardag eind volgende maand. Zo goed vond ik het.

Maar deze keer was het dus de verjaardag van ons Ella. Ella omwille van ‘Ella, elle l’a!’ en die stijlvolle Fitzgerald, the Queen of Jazz. Och, een naam zoals een ander zullen de fantasielozen zeggen. Maar niets is minder waar. Want geen enkele naam is zoals een andere. Waar dat de bijbel begon met het woord begint ons eigen bestaan met onze naam. De naam die we vaak krijgen nog voor we geboren worden. Het is letterlijk vanaf dan dat we een plaats toegekend krijgen op deze wereld. Nog in of al uit de buik. Dat doet er niet toe. En voor zij die dit alles willen minimaliseren, rationaliseren, onder het mom van een naam is maar een naam: waarom heet de ene Dirk en de andere Patrick? Waarom heet de ene Els en de andere Jacqueline? Van wie krijgen we die naam? Antwoord: van de anderen. Meestal de ouders, de mensen die jou als kind op de wereld zetten. Soms met de hulp van een al overleden grootouder. Of een nog wel rondhuppelende goede vriend of vriendin. Soms is de keuze een lijdensweg voor de ouders. Soms een vanzelf lopend proces van spelen met namen gedurende enkele maanden of zelfs maar weken om dan plots en meestal onverwachts met een aha-erlebnis hun ei te leggen. Een soort van magische crystallisering rond enkele lettertekens die zich in een bepaalde volgorde bevinden. Dat wordt het dan. En na lang twijfelen en almaar nieuwe voorstellen en ideeën valt er plots niet meer aan te tornen. Want het bekt goed. Het voelt goed aan. En dat wezentje daar in die buik is niet langer iets anoniem, ondefinieerbaar, maar heeft plots een naam. Hem gegeven door de anderen.

Die voornaam dragen we ons ganse leven mee. Soms zijn we er trots op. Soms beschaamd. Bedenken, indien nodig, wat kleinere afgeleiden omdat dat ze ons wat oubollig lijken: Frederik wordt Fred, Martha wordt Marte. Betekent dit dat we allemaal op volwassen leeftijd op zoek moeten gaan naar een voornaam die ons wel bevalt? Zoals een transgender die van Stefanie naar Stefan wilt gaan? Zelf wens ik niemand het moeizame en zware proces toe dat die mensen moeten doorgaan. En dan heb ik het dus niet alleen over hun fysieke aanpassingen. Neen dus, we zijn allen wie we zijn dankzij of, als je wilt, door de anderen. Of nog explicieter: de impact van anderen op ons leven is gigantisch. Laat ons daarvan gewoon bewust zijn. Laat ons daarvan doordrongen zijn. Wij zijn geen losstaande of op zichzelf bestaande entiteiten, we zijn wie we zijn door de anderen en de anderen zelf zijn ook wie ze zijn door de anderen en zo maar voort. Over de levenden en de doden heen. En het stopt niet bij die namen. Zelfs hoe we denken wordt bepaald door die anderen. Hoe we omgaan met problemen. Jammer genoeg ook de problemen zelf, of de types van problemen, waarmee we op latere leeftijd geconfronteerd worden. Tot en met zelfs wat we voelen wanneer. Het is allemaal in een grote mate bepaald door al die anderen. Want zij hebben ons jaren aan een stuk, toen we ze zo superontvankelijk en afhankelijk waren, getoond hoe het moet.

Gedaan dus met die onzin van de totale onafhankelijkheid en absolute vrijheid van ons aller individueel bestaan. Met die hypergeïndividualiseerde maatschappij waarin gesteld wordt dat we alles op ons eigen moeten aankunnen en als het niet meer lukt gewoon in therapie moeten gaan. De mythe dat we meester zijn van ons bestaan. Waar dat vroeger religie de opium voor het volk was is het nu deze mythe die alles bepaalt. Ze komt tot uiting in de constante zoektocht naar nieuw en ander vertier: festivals met hopen in de zomer, elke stad heeft er ondertussen eentje; een skireisje hier, een citytripke daar; de sportieven onder ons zijn aan het trainen om voor hun veertigste nog een marathon te lopen en de echten zijn al bezig met triathlon; en dan zijn er nog de avontuurlijken die ineens in het regenwoud gedropt willen worden, liefst met cameraploeg, of de echte extremisten die ineens helemaal op hun eentje naar de Noordpool trekken in putje winter. Allemaal om toch maar een zinvol leven te lijden. Ondertussen hebben we bucket lists en zijn we voortdurend angstvallig bezig met een oneindige lijst aan dingen die we blijkbaar niet of wel willen missen zoals de FOMO’s, de JOMO’s, en de FOBO’s. Vooral die laatsten zijn in deze tijden zo zwaar om te dragen, de Fears of Better Options. Want wat als ik dit toen had gedaan? Wat als ik dat gestudeerd had? Hoe had mijn leven er dan uitgezien? Een ondraaglijk overzicht van alternatieve levenslopen. Voor jongeren om vertwijfeld uit te kiezen. Voor ouderen om de gemiste kansen te betreuren. En dit alles ingebed in een harde maatschappij die niets liever doet dan je verantwoordelijk stellen voor elke keuze die je maakt. Vol met succesvolle strebertjes en BV’s die als afgoden verheerlijkt worden. Voor falen, begrip of medeleven is er geen plaats meer. “Dan had je maar iets anders moeten doen,” is het verdict van de moderne mens overtuigd als hij is zelf alles onder controle te hebben en zegevierend door het leven te trekken. We zijn allemaal winnaars.

Voor mij is het bestaan alvast weer bijzonder eenvoudig geworden. Zo is vandaag ook de eerste dag van mijn tweede sessiereeks chemo. En ondanks het relatief goede verloop de laatste keer zie ik er weer enorm tegen op. Bovendien blijkt er vanalles misgelopen. De eerste vraag die de verwarde verpleegster aan de receptie me stelt op maandagochtend is of ik wil dat er nog een bloedtest afgenomen wordt. Waarop ik stomverbaasd stamel dat dat volgens mij geen kwestie van willen is maar een standaard vereist bij de aanvang van nieuwe chemosessies. Kwestie van checken of mijn lichaam de chemo goed verdraagt. In de systemen staat ook niet langer aangegeven dat ik recht heb op een individuele kamer. En terwijl dat wij verondersteld worden aanwezig te zijn om kwart voor negen ‘s morgens duurt het tot 1 uur ‘s middags eer de chemo zelf arriveert. Terwijl in principe elke sessie een opname van een halve dag veronderstelt, zal het uiteindelijk 4 uur zijn vooraleer alles achter de rug is.

Bovendien, en dit voor de tweede keer nu al, stel ik vast dat op maandag de vriendelijkheid van het verplegend personeel een beetje minder is dan anders. Aanvankelijk dacht ik nog dat het aan de drukte lag. Want dat ze het druk hebben dat verplegend personeel is wel duidelijk hier. Ze zijn allen ingedeeld over de ganse verdieping, een lange gang van meer dan honderd meter, verdeeld over al de beschikbare kamers en lopen zonder oponthoud van de ene naar de andere. Enkele dagen later vindt trouwens de al lang aangekondigde nationale betoging van de zorgsector plaats. Bijna 20,000 mensen protesteren in Brussel samen tegen de veel te hoge werkdruk. Maar dan ontdek ik dat ik me vergist heb. Ik dacht dat in 2019 ik ook chemo had op de eerste drie dagen van de week, maar nu blijkt dat het toen de laatste drie dagen waren; woensdag, donderdag en vrijdag. Plots valt me in dat het het goede oude maandaggevoel is dat op die dag zo zwaar doorweegt. De ellende en de sleur van al dat werken dat vooral op maandag pijn doet. Zeker in een daghospitaal dat tijdens het weekend stil ligt. Het is de dag, de dag, de dag die Garfield zo hartsgrondig haat.

Dinsdag is de sfeer op de gang al wat beter. Tin heeft vandaag geen les te geven en heeft me in de vroege ochtend naar het daghospitaal gebracht. Ze ligt als een kat opgerold op het bed te slapen. En op woensdag komt Rita terug langs. Deze keer blijft ze nog langer babbelen. We wisselen alvast onze privémailadressen uit voor als ze op pensioen is. Het goede nieuws is ook dat ik deze keer alles kan doen, de volle drie dagen, met één infuus. Als het beperkt blijft tot één gewelddadige indringing van mijn dermatologische buitenwand zie ik het nog wel zitten, die driedaagse hospitaltrips. Wel voel ik dat de impact al zwaarder is dan vorige keer. Er zijn dagen waarop ik meer slaap dan wakker ben. Terwijl buiten de zon volop schijnt. En er verschijnt ook een knaller van een koortsblaas op mijn bovenlip. Binnenkort ga ik zo’n Venetiaans karnavalmasker moeten dragen dat de linkerhelft van mijn gelaat verbergt voor nieuwsgierige blikken: lege oogkas met een derde neusgat in, neus met twee neusgaten maar zonder reukzin én een gat in het tussenschot en nu ook nog een gigakoortsblaas. Mijn lip voelt helemaal opgezwollen aan. Met Zovirax probeert Tin het onder controle te houden.

Onbekend's avatar

Auteur: phoskens

Patrick Hoskens (°28/03/1966), Product Marketing Manager met een onderbroken loopbaan, op zoek naar een brug naar de toekomst en een zo lang mogelijk leven

Plaats een reactie