Van 22 op 23 januari 2019 – Nachtelijke omzwervingen in een postoperatief ziekenbed

Ik word wakker in een grote, open ruimte. Ik had verwacht te liggen in een bed, maar het is alsof ik schuin omhoog hang met mijn armen wijd van me af. Na een tijdje slaag ik erin om rond mij heen te kijken. Dan heb ik het door: ik bevind me in de cargoruimte van een ruimteschip samen met tal van andere astronauten en wacht op ingevroren transport naar verafgelegen planeten. Of, een beetje later en afgaande op het gekreun rondom mij een tweede mogelijkheid, we wachten allen op onze manier in dit ruimteschip op aliens die nog uit onze borstkast moeten springen. En opdat we niets missen van wat er te gebeuren staat, staan we in een grote ovale cirkel in de gigantische ruimte zodat we mekaar goed kunnen zien.

Af en toe passeert er een verzorger. Telkens in een groene overall van borst- en heupzakjes voorzien. Ze drukken dan op wat knoppen van een toestel naast het bed en lopen ijverig door naar de volgende ruimtevaarder. In het begin schat ik dat we er met een dertigtal mensen hangen. Tegen dat de nacht begint, schieten we nog over met een vijftal max, verspreid over de gigantische ruimte. Het zal bij ons wat langer duren om die alien d’ruit te krijgen, denk ik dan.

Dat het ondertussen al nacht is, leid ik af van het schemerdonker dat mij toch nog op een of andere manier bereikt ondanks de totale afwezigheid van ook maar één raam in de ganse ruimte. Bijkomende indicaties: de gelere weerschijn van de lampen die niet langer doorbroken wordt door bewegende figuren of schuivende gordijnen en de absolute stilte na een tijdje rondom mij. Ook de passerende Marsmannetjes spreken meer en meer op een fluistertoon. Vooral op de momenten van overdracht, bij de overgang van de shifts, valt dat op. Dan hoor ik hen stilletjes naast mijn bed tegen mekaar zeggen wat er allemaal wel met mij niet gebeurd is en vooral wat voor een medicatie ik ondertussen al allemaal achter de kiezen heb. Want als ik na een tijdje nog wakkerder ben en die afschuwelijke pijn begint door te dringen, ontdek ik het echte nut van die groene mannetjes: het zijn de drugsdealers van dienst. 

En ze zijn goed. Ik hoef mijn hand maar op te steken of er wordt al een nieuwe spuit van het straffere spul gezet. Vooral de eerste, bijzonder meelevende verpleegster heeft een opleiding gevolgd bij dat katholieke Caritas of zoiets. Zij weet duidelijk wat lijden is. Haar opvolger, de nachtverpleger, als ik juist gegokt heb met mijn onzekere tijdsbeleving, is een ander paar mouwen. Die is al veel strenger en komt over als een (sorry, maar ik kan er ook niet aan doen) homesexuele wraakengel die vindt dat er niet genoeg lijden kan zijn. Bij hem moet ik al twee keer vanuit mijn hangstoel vragen voor extra verdoving vooraleer ik ze krijg. En, op vraag, duidelijk gearticuleerd. Wat niet zo eenvoudig is met een half verlamd gezicht en dito lippen.

Wat wel fantastisch is, is dat ik in de loop van die nacht, terwijl ik daar zo hang te wachten op mijn volgende verlossing, een volledig nieuw boek bedenk waarbij ikzelf, o ironie, terug op de wereld gezet wordt met dit ruimteschip, of door de goden van de Olympus zelf, als een cycloop, zo’n grieks mythisch monster met één oog, dat bij gebrek aan schapen met plezier mensen verorbert. In de Ilias, is het het alter ego van mijn eerste boek, Odysseus, die als een echte oerheld zijn zwaard in het ene, overblijvende oog van de cycloop stak om wat overbleef van zijn mannen te redden. Daarom noemt dat fantastisch boek van mij ook ‘Odysseus, de ploertendoder’, want dat is toch wel een ploert, zo’n mannenverslindende reus met slechts één oog, of niet soms? Bijna net zo’n grote ploert als het management van een telecombedrijf dat met leugens en bedrog, in opdracht van het Franse moederbedrijf, een nog veel grotere corporatistische ploert, haar eigen onderneming hier in België cashcowgewijs leegzuigt en de werknemers ondertussen gebruikt als zondebok voor al haar eigen misdaden. Eigenlijk net zoals in 1302 de Franse koning al trachtte te doen met zijn rijk leengoed in het noordelijk grensgebied. Alleen werd er hier toen wel veel ruchtbaarheid aan gegeven, de ruchtbaarheid van een volksopstand en een veldslag in de modder. Heden ten dage, 700 jaar later, met al dat geld dat hier en nu in de omloop is, al die rijkdom van ons Avondland, gebeurt dat allemaal ‘en stoemelings’. Geen kat die d’r wakker van ligt, geen krant die daarover bericht, en al die werknemers die ontslagen worden, die zullen wel elders werk vinden, want die werkloosheid is er alleen voor de losers, en dat zijn nu eenmaal de perfecte mechanismes van die vrije markt. Waarom daar dan nog moeilijk over doen? 

De ironie is dat ik vanaf nu, voor de rest van mijn leven, net als zo’n monster van een cycloop door het leven zal moeten gaan. Dat ik verword tot datgene dat ik mijn ex-management verweten heb te zijn: een lelijk eenogig monster dat scrupuleus mensen gebruikt en verbruikt. Want misschien zal ik vanaf nu ook moeten leren mensen te verorberen. Net zoals dat vroegere management van mij. Gedaan met al die grootmoedigheid en al dat bon-vivant-gedoe. Gewoon om als mens overeind te kunnen blijven. Want als je in deze mate ongestraft gekloot kunt worden door anderen, als anderen zonder enig probleem met je leven kunnen spelen omdat er hen in dit systeem van potjes toedekken niets gemaakt kan worden, in het allerbeste geval ‘slechts’ gruwelijk verminkt kunt worden door hen zonder dat er ook maar een haan naar kraait, wat blijft jou dan nog over te doen? In een hoekje weg kruipen en sterven? Beter dan wat anderen opeten, zou ik zeggen. 

Of toch niet? Misschien is het na al mijn eigen zonden alleen maar fair dat ik zelf nu als een monster terug op de wereld gezet wordt. Want al die grootmoedigheid wordt toch ook wel gekenmerkt door een zekere hoogmoedigheid, de hoogmoedigheid van de simpelen van geest bovendien, die van ‘mij zal dat niet overkomen’, die van ‘met alle Chinezen maar niet met den dezen’, die van te denken het zelf allemaal door te hebben en al die anderen niet. Of zoals Tin graag zegt: “Hubris komt voor de val.” Tegen de ochtend ben ik, misschien door al de spuiten, het ganse plot van mijn nieuwe boek al lang vergeten, maar de kiem voor een tweede boek, dit boek dus, wordt daar toch gelegd.

Nog voor het eerste ochtendgloren verschijnen dokter Dhooghe en dokter Fransen aan mijn bed. Ze vertellen me dat de operatie veel langer geduurd heeft dan verwacht. Dat er problemen waren met het vasthechten van de bloedvaten van de flap afkomstig van mijn been aan een ader komende van mijn keel. Een bijzonder kritische vasthechting want zonder zou de ‘flap’, dat nieuw stuk vlees in mijn linkeroogkas, in een mum van tijd afsterven. Dat het, god zij dank, uiteindelijk wel gelukt was, maar dat ik daardoor pas laat hier in de ontwaakzaal ben terechtgekomen en vandaar ook hier de ganse nacht heb doorgebracht. Ze zeggen dat ik nu snel naar mijn kamer in de andere vleugel van het ziekenhuis gebracht zal worden. Vooraleer ze doorgaan, bekijken ze samen nog eens mijn linkeroog, of eigenlijk de flap want mijn oog is dus weg als ik het goed heb, dat stuk vlees in mijn linkeroogkas dus, en laten mij dan verder doezelen.

Vooraleer ik echter terug door de luchttunnel naar het andere gebouw ga, duikt ook Yvo nog eventjes op aan mijn bed. Hij vraagt hoe het gaat en bevestigt het verhaal van Dhooghe en Fransen maar bekent dat hij het ook alleen maar van horen zeggen heeft. Mensen die hij goed kent, ziet hij niet zo graag op een operatietafel liggen, zegt hij. “Echt leuk om te zien, is dat niet,” stelt hij. Ik kan het me alleen maar voorstellen. “Ik zou mezelf ook niet graag zien liggen op een operatietafel,” antwoord ik slaperig. Hij grinnikt een beetje en laat me dan ook alleen met de nieuwe shift. Uiteindelijk beland ik meer dan 24 later terug op mijn kamer. Deze keer is het het familieportret van de kinderen op het schap tegenover me dat me welkom heet.

Jezeke is geboren (weeral)


Beste lezers, 

Ik ga opnieuw even een pauze inlassen. Niet alleen begint de Kerstvakantie maar bovendien zijn we gearriveerd aan een nieuw hoofdstuk: “Het Land der Zieltogenden”. Een ideaal moment dus om even wat te bekomen voordat we het verhaal voortzetten. 

Hopelijk wordt jullie geduld niet te veel op de proef gesteld maar, om eerlijk te zijn, sneller kan ik toch niet. Dus die vakantie valt eigenlijk wel heel goed nu 😉

Tot binnenkort,

Patrick Hoskens

22 januari 2019 7u00 ‘s ochtends – Veel te laat maar hopelijk toch nog op tijd

Het is nog nacht als ik opsta. Ik lag al sinds een uur of vijf wakker in bed, maar ik sta pas op om zes uur. Net wanneer de verpleger mij komt wakker maken, sta ik recht uit mijn bed. Het eerste wat ik doe, is een douche nemen. Het zal een tijdje duren na de operatie vooraleer dit terug gaat lukken. Dus moet ik er nu even van profiteren, vind ik. Bovendien wil je niet vuil en vies overgeleverd zijn aan de goden. Nadat ik me tweemaal geschoren heb, om toch maar zo glad mogelijk te zijn, kijk ik nog eens voor een laatste keer naar mijn trouw linkeroog in de spiegel. Het would be panteroog maar eigenlijk doordeweeks hondenoog kijkt me even vrolijk of treurig aan als altijd. Als tweeënvijftig jaar lang al. Het blijft me verbazen dat het ondanks het vreselijke monster er vlak naast zo goed blijft functioneren.

Ook opvallend, gegeven mijn recente praktijkervaringen in dat ijskoude Gasthuisberg: geen enkele kat maakt zijn opwachting. Geen Gelaarsde en geen Kolderkat. Nu, vergissen van oog is sinds de faliekante operatie van de op de berg tot God verheven Hartenkoningin zo goed als onmogelijk geworden. Maar het feit dat er ook niemand meer komt vragen of ik me niet bedacht heb, of ik niet misschien twijfels heb bij het nut van de operatie of zoiets, stelt mij gerust. Blijkbaar weten ze hier wel goed waarmee ze bezig zijn. Of ze hebben tenminste niet de plotse behoefte om vlak voor de operatie de verantwoordelijkheid om te beslissen of ze nu doorgaat of niet bij mij te leggen. Zodat ze achteraf lafhartig kunnen zeggen: “Ge hebt het zelf gewild! Ah ja, we hebben het nog aan jou gevraagd! Om zeker te zijn!” Het hier heersende veel gezondere principe van gedeelde verantwoordelijkheid bevalt me wel; ik kom met lichaam en al af en zij opereren wat geopereerd moet worden. Het lijkt mij als medische leek vooral ook veel correcter naar de patiënt toe. 

Om 7u00, het is nog pikdonker buiten, word ik naar de operatiezaal gereden. Het is terug een verpleger, maar deze keer geen homoseksueel meer denk ik. Ook geruststellend. Als je binnen een uurtje volledig van de kaart bent, heb je toch liever mensen van je eigen geaardheid in je buurt precies. De passerelle lijkt ontzettend lang te duren. Vanop mijn bed zie ik de donkere ramen aan de zijkant langs glijden. Af en toe is er een passant, meestal ook al verkleed in het groen of wit, maar van files hebben ze hier op dit moment van de dag absoluut geen last. De tocht duurt zo lang dat ik de indruk heb aan het einde van de tunnel ook het einde van de nacht bereikt te hebben. Het begint in ieder geval, als ik goed zie, lichtjes te schemeren daar aan het einde van de gang. Mijn linkeroog registreert nog steeds getrouw alles mee; onwetende dat ook het eigen einde in zicht is.  

Deze keer moet ik niet in een gang wachten maar kom ik terecht in een grote gemeenschappelijke ruimte waar al verschillende bedden staan te wachten. Doeken, hangende aan railings in het plafond, scheiden min of meer de bedden van elkaar. Maar hier dus ook al geen Rups met een waterpijp of zelfs een Slaapmuis te zien. Er wordt al wel een infuus gestoken door iemand van het verplegend personeel. En ik krijg opnieuw een pilletje, een spierverslapper of zo, toegediend.

Na een tijdje word ik de operatieruimte binnen gereden. Twee prachtige vrouwen, van het donkerhuidige type met pekzwart golvend haar, heten me in hun groene pakjes welkom in de operatiezaal. Als we binnen komen, waren ze net nog, schrijlings gezeten op de operatietafels, aan het bijpraten over de afgelopen dag of nacht of week. Maar als we binnen rijden, kijken ze onmiddellijk op. Het zijn twee exotische walkuren, van Indische afkomst of zo, helemaal geen rondborstige vikingvrouwen met blonde paardenstaarten. Het zou me alvast niet verwonderen als ze onderling Sanskriet spreken. Ik versta er in ieder geval niets meer van. Met een treurige glimlach rapen ze me als een gevallen strijder op van het slagveld en heffen me op hun paard richting walhalla. De mooiste, die achter me staat, kijkt me ondersteboven aan wanneer ik naar boven kijk. Ik zie haar rode lippen en blinkende tanden dichterbij komen en besef dat ik eindelijk aangekomen ben waar ik al zo lang moet zijn. Veel te laat maar hopelijk toch nog op tijd.

21 januari 2019 14u30 – Te veel liefde voor één mens

Wij zijn terug aangekomen in het UZ Gent. Terug want voor mij is het de tweede keer. Voor Tin is het de eerste keer. En niet alleen omdat het gevraagd was door professor Vermeersch. Ze is er zelf ook niet helemaal gerust in en ze wilt dat facial team dan ook wel een keer zien voor dat ik onder het mes ga. 

Vooraleer we echter naar het departement plastische chirurgie gaan, moet ik me inschrijven. Ik haal opnieuw met veel opluchting de hospitalisatieverzekering van mijn werk boven. Jezus, als ik die niet had gehad, zou al dat geklungel van Gasthuisberg mij nu al een fortuin gekost hebben. In financiële termen bedoel ik dan, want dat het mij ondertussen al veel gekost heeft en in de nabije toekomst, vanaf morgen al zeker, nog veel meer zal kosten, is ondertussen ook al wel duidelijk. Hoeveel zou dat eigenlijk kosten, één oog, in die wondere medische wereld? Er bestaan waarschijnlijk twee kampen. De ene die zegt, niet zo veel, want ge kunt toch nog zien met één oog of niet soms, ge zijt zelfs niet blind, kleinzieligerd! En de andere die zegt ontieglijk veel, want zo’n oog verliezen is veel meer dan een oog verliezen, het is uw gezicht verliezen, feitelijk, letterlijk en figuurlijk. Wie wil nog iets te maken hebben met zo’n bron van schaamte, letterlijk met zo’n verminkt gezicht of figuurlijk want ge moet toch echt wel een loser zijn om zoiets te laten gebeuren? Ik heb al een licht vermoeden welk kamp het haalt in dit katholiek apenland waar je blij moet zijn met de dingen die je nog hebt.

Nadien gaan we door naar plastische chirurgie. Dokter Fransen, de assistent, valt nergens meer te bekennen. Misschien dat hij op maandag nog wat cursussen moet volgen. Het zijn professor Vermeersch en de plastisch chirurg, Nicolas Dhooghe, die ons welkom heten. Na Tin voorgesteld te hebben aan hen, wilt professor Vermeersch net zoals de vorige keer, vooraleer de eigenlijke consultatie zelf begint, dat ik eerst nog eens plaats neem op de medische ligbank in de hoek zodat hij het gezwel nog eens goed kan bekijken. Terwijl ik me neer zet, vraagt hij met zijn stijlvol Inspector Morse timbre: “En, hoe gaat het met u, mijnheer Hoskens?” De gigantische bol naast mijn oog staat op springen. Dus antwoord ik: “Ik word zot van dat gezwel, Professor Vermeersch. Ik heb voortdurend het gevoel dat het al in mijn sinussen en mijn voorhoofd aan het proberen binnendringen is. En dat het al begonnen is met mijn neus aan te vreten.” “Ja, ik begrijp dat dit alles heel stresserend voor u moet zijn. Maar nu gaat het niet lang meer duren, niet mijnheer Hoskens?” Zijn reactie vind ik ditmaal iets te inschikkelijk naar dat afschuwelijk monster in mijn oog toe, dus is het nu mijn beurt om hem indringend aan te kijken en zeg: “Ik weet niet hoe ik dit juist moet zeggen, Professor Vermeersch, maar het is beter dat u wat te veel weg snijdt dan te weinig. Begrijpt u wat ik wil zeggen? Ik wil dat u geen enkel risico neemt. Ik heb liever dat u extra marge neemt dan dat we het risico nemen dat het niet lukt. Begrijpt u? U hebt mijn volledige toestemming.” Ik kijk hem gespannen aan. De professor zet onwillekeurig even een stapje terug om mij beter te bekijken, maar antwoordt dan zonder verpinken: “Ik begrijp u volledig, mijnheer Hoskens, maar mag ik dan nu even nog eens kijken?” 

Opnieuw is daar die volledige gedaanteverandering. Gepijnigd maar met een enorme focus op zijn gezicht staat hij te kijken naar het gezwel. Ondertussen tast hij opnieuw, net zoals de vorige keer, voorzichtig met zijn vingers de ganse regio rond het oog af. Het duurt ook weer langer dan je zou verwachten. De dialoog tussen die twee lijkt er alleen maar scherper op geworden. Professor Vermeersch belooft het gezwel om het morgenvroeg tegemoet te treden op het slagveld. De tumor zelf roept moord en brand. 

Wanneer hij gedaan heeft met kijken gaan we terug aan dezelfde tafel zitten waar hij twee weken geleden mij wist te melden dat hij mij nog wel kon opereren maar dat het ten koste van mijn oog zou zijn. Opnieuw wordt uitgelegd hoe de volgende dag min of meer zal verlopen. Met Vermeersch die het gezwel zal verwijderen en Dhooghe die nadien mij terug zal oplappen. Maar deze keer is Tin erbij. En het gesprek maakt voor haar alles ineens concreet. Ze krijgt het moeilijk en begint te snikken. Ik neem even haar hand vast, die hand die ik al zoveel vastgenomen heb de laatste weken. Als echte profis laten ze haar even bekomen, zeggen dan dat de operatie normaliter in de vroege namiddag gedaan zou moeten zijn en beloven Tin om haar te bellen zodra ze volledig afgelopen is.  Zodat ze met een gerust hart thuis kan wachten op het telefoontje en zich geen nodeloze zorgen moet maken. 

Na de consultatie worden we doorgestuurd naar een ander gebouw. De ziekbedden bevinden zich blijkbaar in een ander gebouw op de campus. Ik had er nog niets van gemerkt maar dwars door de campus loopt een in de lucht verheven, volledig afgesloten buis waarlangs mensen van het ene gebouw naar het andere kunnen wandelen. Het waren professor Vermeersch en Dokter Dhooghe die ons gewezen hadden op die lange passerelle, want ik ga zelf in de vroege ochtend door die koker naar het operatiekwartier in K12, het hoofdgebouw, gebracht worden. Als we buiten komen valt hij mij ondanks zijn indrukwekkende lengte en hoogte nu pas voor het eerst op. Het ziet eruit als een kermisattractie en ik kan niet wachten om er in te zitten. De verpleger die ons ontvangt, heeft het zalige ego van een diva en is, o cliché cliché , overduidelijk een homosexueel. Maar de manier waarop hij met mij omgaat, is een ware verademing na al dat stijf en overtrokken gedoe in Sint-Pieter te Leuven. Van existenzangst voor de grote baas valt hier niets te merken. Zijn stem en zijn lach dondert door de gang. Zonder enig probleem vertelt hij mij op zijn eentje alles wat ik moet weten, wat mag en niet mag in deze contreien. Wat we ook meegebracht hebben, is het familieportret dat Sam en Ella voor Kerstmis gemaakt hebben. We plaatsen het op het schapje recht tegenover mijn bed, zodat ik er recht op kijk. Op die manier ga ik nooit alleen zijn in deze kille kamer. Onze mannelijke Castafiore vindt het ook al prachtig om te zien. 

Rond een uur of vijf verschijnt dan het tweede welkomstcomité: Yvo en Willem komen speciaal samen naar mijn verblijf voor de komende weken om me welkom te heten. Mijn gemoed schiet even vol. Het is de eerste keer dat ik hen zie sinds deze hel begon. En om ze nu hier samen te zien, hier in deze witgroene kamer en niet zoals normaal ergens in de Alpen of zo, is even te veel voor Corneel. Terwijl ik vecht tegen de tranen dank ik hen uitvoerig voor alles wat ze tot nu toe al voor mij gedaan hebben. Ze zijn beiden ontzettend lief, brengen nog wat laatste tips mee en vergewissen zich zonder dat het opvalt dat alles in orde is op mijn kamer. Ze vragen ook nog even of er al iets gezegd is geweest door iemand van de staf over de eventuele nabehandeling na de operatie. Ze zeggen dat er misschien toch wel bestralingen nodig gaan zijn. Maar ze stellen me wel direct gerust. Ze zeggen dat er dan een speciale helm gaat gemaakt worden aangepast aan mijn eigen hoofd om zeker te zijn dat de juiste plek bestraald wordt. Ik ben al blij dat ze niet zeggen dat chemotherapie nodig gaat zijn. Dat lijkt mij nog veel erger.

En rond een uur of zeven vallen Koenie en de kinderen binnen. Hij was de hele eindejaarsperiode op vakantie in Australië en had dus aanvankelijk de ganse miserie gemist. Na een onverwachts telefoontje was hij het toch allemaal te weten gekomen. Hij was er niet goed van, barstte zelfs in tranen uit helemaal aan de andere kant van de wereld. En nu dat hij terug in het land is, wilt hij absoluut alles doen wat hij kan om mij te helpen. Tot en met op een maandagavond in de regen in de file helemaal van Leuven naar het UZ Gent rijden. Het alternatief was dat Tin zelf, tijdens diezelfde spitsuren, nog eens van Gent naar Leuven en terug moest rijden. En dat leek ons wat te veel van het goede. En het feit dat ik vandaag dan toch nog even de kinderen kan zien, is het mooiste cadeau dat hij mij kon geven. 

Aangezien ik de komende weken al genoeg ziekenhuiseten te vreten ga krijgen, gaan we snel nog naar een Italiaans restaurantje in de buurt dat volgens Yvo best ok is. We gaan allen voor een pizza want die zien er goed uit afgaande op wat er op de andere tafels ligt. En voor de kinderen is pizza altijd een feest. Alleen Koenie, die kiest, met zijn alomgekende allergie voor kaas, voor kalfslapjes ‘al limone’ met pasta. Met als gevolg dat vooral Tin en ik een half uurtje later met veel goesting zitten te staren naar zijn schotel. Maar we mogen allebei een keer proeven. En het is allemaal keilekker, ook onze pizza’s. 

Na zo’n gezellig laatste avondmaal voelt het terug wandelen naar het ziekenhuis al aan als een beetje thuis komen. Alleen het afscheid nemen verloopt nog een beetje moeilijk. We blijven maar dag zeggen om dan weer te beginnen babbelen over totaal andere dingen. Sam en Ella komen vier keer terug uit de gang om kusjes te geven. Ik zie Koen een beetje onwennig worden van al die openlijke liefdesbetuigingen. Om het nog wat erger te maken, geef ik hem als dank een dikke smakkerd. Tin vertrekt als laatste. Nadien sta ik nog wat onnozel te wuiven uit het raam vanop de derde verdieping. En niet te geloven, er was op voorhand niets over afgesproken, maar door telepathie of een ander zesde zintuig, voelen ze het bij het buiten komen, draaien ze zich om naar boven en wuiven ze terug. Dan zie ik ze samen in het donker weg wandelen richting auto van Koen.

Vlak voor het slapen gaan krijg ik nog een slaappilletje zodat, wordt mij gezegd, met het oog op de zware dag morgen, mijn nachtrust verzekerd is. Nu, wat mij betreft, was dat pilletje niet meer nodig geweest. Als je zoveel liefde hebt gekregen op één dag, hoe kun je dan nog eisen of zelfs hopen dat alles de dag daarop goed zal verlopen? Een beetje eerlijkheid en rechtvaardigheid moet er toch nog bestaan in dit tranendal?

17 januari 2019 – Gij zult niet stelen

België: katholiek apenland. Zelfs al woon je al meer dan 20 jaar samen. Zelfs al heb je al twee tieners rondlopen als concreet, fysiek gevolg van die ene relatie. Zelfs al ben je officieel geregistreerd als wettelijk samenwonend. Dan nog wordt de overlevende gestraft bij het overlijden van een van beide partijen. Gewoon omdat je niet gehuwd bent. Omdat je nooit geen zin gehad hebt om voor een altaar of een andere derde partij te verkondigen dat je voor de rest van je leven wilt samen blijven. En niet zomaar een beetje gestraft. Zwaar gestraft. Vooral alles van spaargeld, alles wat roerend goed is, loopt het risico niet correct verdeeld te worden. Wat mogelijks kan leiden tot de absurde situatie dat de overblijver gelukkig nog wel in het gemeenschappelijk huis kan blijven wonen, misschien mits toestemming van de kinderen, maar zelf geen nagel meer heeft om aan zijn of haar gat te krabben. Want ook de aanslag van de staat op de erfenis verschilt enorm. En ondertussen maar doen alsof hun neus bloedt, die smerige tsjeven. Ze hebben d’r niets mee te maken. Of, zelfs in de dood, nog eens goed natrappen: “Ge had maar moeten trouwen, gniffel, gniffel.” En maar zeveren over medeleven en mededogen en gij zult niet liegen en gij zult niet begeren wat uw buurman heeft, enzovoort, enzovoort. Apenland.

Het was net Yvo die mij er een aantal jaren geleden, tijdens een bergtocht in Val d’Aosta, op gewezen had dat er nog steeds zo’n enorme verschillen bestonden tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden op het vlak van de erfenisrechten. Net zoals ik dacht hij dat officieel een burgerlijke staat als ‘wettelijk samenwonend’ hebben, volstond om in orde te zijn als er een ongeluk of zoiets zou gebeuren. Niet dus. En dit in de eenentwintigste eeuw dus. Niet 1900. Of de jaren stillekes. Toen ongehuwd samenwonen nog een doodzonde was. Toen je er nog voor ging branden in de hel. Hoeveel Belgen zouden ondertussen al wettelijk samenwonend zijn? En niet langer gehuwd? 30%? 40%? En hoeveel Belgen zouden dan al ooit op die manier zwaar gekloot geweest zijn door die gulzige Belgische staat? Met op de achtergrond het katholieke koor dat tevreden een Te Deum aanheft? En voor de Vlaams-nationalistjes die hier en nu ook al beginnen te gniffelen, denkende van ‘Ja, die Belgische staat, dat is toch echt crapuul!’, Vlaanderen is geen haar beter, integendeel. Dat is nog een stap verder terug op de schaal van de evolutie. Dat is gewoon een katholiek patattenland. 

Yvo had snel beslist om dan toch te trouwen. In intieme kring. Intiemer kon niet. Het gezin eigenlijk. En dat leek mij nu ineens een lichtend voorbeeld. Want je weet nooit wat er op zo’n operatietafel allemaal verkeerd kan lopen. Als zelfs de operatie zelf al volledig verkeerd kan zijn, nietwaar liefste Hartenkoningin ver weg boven op uw berg? Dus ik zeg tegen Tin: “Tin, zullen we niet snel trouwen? Om op die manier al die miserie van al die erfenistoestanden te vermijden?” Antwoordt Tin, eerlijk zoals ze altijd is: “Maar ik weet niet of ik wel met jou wil trouwen, Patrick. Bovendien, als ik met jou zou willen trouwen, dan zou ik het niet willen doen voor geld of zoiets, maar omdat ik jou graag zie.” Die eerlijkheid is soms niet zo plezant, maar de conclusie is wel duidelijk: er gaat nu hier niet getrouwd worden.

Dus zoek ik een andere oplossing. Via Meester Google kom ik te weten dat er nog een alternatief bestaat en dat is een testament laten opmaken bij een notaris en dan laten opslagen in een of andere nationale database zodat het niet verloren geraakt of over het hoofd gezien wordt op het moment van sterven. Ik zoek vlug het nummer op van de notaris bij wie we ook bijna twintig jaar geleden de aankoopakte van ons huis lieten opmaken. Want hoe vaak in je leven heb je als mens eigenlijk een notaris nodig? Twee keer gemiddeld? Voor mij is het nu de tweede keer alvast en gegeven de aanleiding zal dit misschien al de laatste keer worden. 

De notaris van ons huis blijkt echter al lang verdwenen te zijn. Hij heeft blijkbaar zijn notariaat overgelaten aan een van zijn partners die nadien alles geïntegreerd heeft in één zaak met drie notarissen. Drie van die Apollofreaks, samen onder één dak. Dat moet wat geven. De zaak bevindt zich in de Blijde Inkomststraat in Leuven, genoemd naar een van de vele Blijde Intredes van rijke, adelijke heersers in het verre en niet zo verre verleden. Ik vraag me alleen af wie dat er toendertijd zo blij was. De bevolking van Leuven of die heersers die nog eens wat belastingen kwamen innen. 

Maar vandaag is het mijn beurt om binnen te treden bij de heersers. Of toch bij de klerken van de heersers, zij die instaan voor het behoud van de bestaande privileges en belangen, die fils-à-papas van een notarissen. Belangrijkste jobvereistes: goed in het pak zitten, een foularke rond de nek en een pochet in de borstzak, liefst lid van de lokale Rotary Club, geaffecteerd babbelen en aartsconservatief zijn tot op het bot. 

De donderdagavond van de laatste week voor de operatie, geraak ik eindelijk binnen in het notariaat. En ik had het liever anders gezien, maar al mijn stompzinnige cliché-verwachtingen worden ruimschoots overtroffen. De driemanszaak bevindt zich in een gigantisch herenhuis. Of eigenlijk zijn het twee herenhuizen in één. En ons huis zou passen in het imponerend trappenhuis, strategisch geplaatst tussen de twee herenhuizen in, alleen al. Op de overloop tussen het gelijkvloers en de eerste verdieping bevindt zich trouwens, het lijkt een museumstuk hier, totaal nutteloos dus, tenzij voor oude heersers die niet langer in één ruk boven geraken, net dezelfde dure design zetel uit Denemarken, alleen hebben zij voor een zalmroze uitvoering gekozen, die we zelf een jaar geleden aangekocht hebben en waarin we nu regelmatig vier op een rij TV zitten te kijken. Stadspaleis zou dan ook een betere benaming zijn voor het ganse gebouw. 

Overdonderd door de grootte en de bling-bling van het generaal-statige onderkomen word ik gevraagd plaats te nemen in de wachtruimte vlak voor de receptie in notelaar die zich in de linkervleugel van het paleis bevindt. Wanneer de notaris mij even later komt halen, laat ik mijn koffie onaangeroerd achter. Hij draagt een groen tweed kostuum vandaag. Alsof hij na mijn consultatie nog wat gaat jagen. Met zijn goede vriend, de baron d’Upperzele. Misschien onderling ook nog even gaan overleggen hoe ze de nieuwe wet op euthanasie kunnen tegen houden. 

Het gesprek zelf duurt een goede tien minuten. Verschillende do’s en don’t’s komen aan bod. En wat ik juist kan verwachten na mijn dood zonder een testament. En, veel belangrijker, wat ikzelf verwacht van het testament. Ondertussen maakt hij de tekst op. Om het testament nog iets meer gewicht te geven, het gewicht van een persoonlijk handschrift, word ik verzocht om het testament met de hand te kopiëren. Dan lijkt het allemaal wat echter, wordt er mij gezegd. Meer gemeend ook. Om mij de nodige ruimte te verschaffen, word ik begeleid naar de immense salon royal in de rechtervleugel voorzien van mottig Vlaams-neorenaissance-stucwerk rondom. 

Prijs voor het eigenhandig geschreven testament, conform de regels van Apollo, minder dan een half uur werk voor de notaris en levenslang behoud in het Centraal Register voor Testamenten: 180 euro. Er is geen ontsnappen aan als kleine man. Betalen doe je toch. Nu, ik begrijp dat wel. Zo’n huis afbetalen, dat moet letterlijk stukken van mensen kosten. God zij dank hebben ze hier ondertussen ook al Bancontact.

16 januari 2019 – De horror

Nietzsche was een genie. En in de eerste plaats een geniaal schrijver. Ik ben begonnen aan ‘Die Geburt der Tragödie’, zijn eerste belangrijke werk, ook het eerste werk van Band I van mijn nieuwe ‘Gesammelte Werke’. Zoals altijd op mijn traag tempo. Soms lees ik maar een halve bladzijde per dag. Het werk dateert al van 1872, maar ik verveel me geen seconde. Zo mooi is het geschreven. Een literaire tekst, dat is het. De volgende die tegen mij zegt dat Duits een lelijke taal is, die sla ik met Nietzsche om de oren. 

Ook opvallend, het aantal Duitse woorden in deze tekst die veel verwantschap vertonen met onze mooie Nederlandse taal. Of beter gezegd, de Duitse woorden die ik niet onmiddellijk herken, omdat ik ze niet zo vaak tegen kom, kan ik telkens door de Nederlandse verwanten ervan vlot begrijpen. Zoals ‘Gewühl’, dat in het Nederlands gewoel betekent, ‘sanftmutig’ dat zich laat vertalen als zachtmoedig, en ‘spähen’ dat in het Nederlands spieden wordt. Nochtans is Nietzsche geboren en getogen ergens in de buurt van Leipzig, in het vroegere Oost-Duitsland. Dat is toch helemaal de andere kant van dat groot land. Natuurlijk hebben we als taalgroep dezelfde Germaanse stam als oorsprong, maar mij helpt het terugvinden van die mooie woorden in het prachtige Duits van Nietzsche vooral om de schoonheid van het Nederlands zelf te ontdekken, hetgeen goud waard is in een taalgebied waar zo weinig aandacht is voor de schoonheid van de eigen taal. 

Bovendien was de man zelf van opleiding een filoloog. Geen filosoof dus, maar een taalkundige. Niet van Duits, maar van de klassieke talen en dan, in zijn geval, het oud-Grieks. Het Grieks van Aeschylus, de eerste grote dramaturg, niet van Socrates, want daar moest hij niets van hebben. Dat was voor hem het summum van een compromisfiguur, een bestendiger van de zittende macht die hij verpersoonlijkt zag door de Griekse god Apollo, de god van het metrum en dus van alles wat staat voor rede, orde en structuur.

Centrale stelling van dit werk: dat de Griekse tragedie een draaglijke voorstelling van het vreselijke lijden van de mens is en dat dit net haar functie is: op een verhulde manier, conform de normen en conventies zoals opgelegd door Apollo, lees de weldenkende gemeenschap, de gruwelijkheid van ons aards bestaan tonen aan de mensheid. Een mensheid die het anders, indien niet verhuld, niet zou aankunnen, die hel dat een mensenleven eigenlijk is. Collectief zelfmoord zou plegen. Voor diegenen die dit allemaal ook al niet aankunnen want veel te moeilijk en al veel te filosofisch: ik verwijs jullie graag naar Marlon Brando in ‘Apocalypse Now’ die vlak voordat hij vermoord wordt door de protagonist van de film, enkel nog maar kan uitbrengen: “The horror, the horror.” Niet omdat hij vermoord wordt, dat is eerder een verlossing voor hem, maar omdat hij tot diezelfde conclusie als Nietzsche gekomen is na jaren soldaatje spelen in Vietnam: het is gewoon niet om naar huis te schrijven dat menselijk bestaan, zo afschuwelijk lelijk is het.

Dit klinkt natuurlijk allemaal nogal negatief en dat is het ook. Dus stellen dat Nietzsche toch wel een beetje nihilistisch was, is niet onterecht. Maar tegenover la condition humaine en die regelneef van een Apollo plaatste Nietzsche wel één belangrijke kracht: Dyonisos, de god van het leven, van de creativiteit en van de wellust in alles. Fuck Apollo, die afstompende Griekse gemiddelde mens. Leve de extremen en de uitspattingen in het zicht van de diepe afgrond die zich constant voor ons aftekent. Leve het ongebreidelde leven. Dat klinkt al minder negatief niet? En voor de sexueel geperverteerden onder ons: neen, het gaat hier niet over bacchanale rozeballetfeestjes. En voor de Duitsers onder ons: jullie Oktoberfeste hebben niets vandoen met Dyonisos. En voor de Vlamingen onder ons: een zoveelste praatshow met Bekende Vlamingen, ge moogt het in uw gat steken. Dat is allemaal puur Apollo. Zielloos volksvermaak. Dyonisos is de extase veroorzaakt door een goed gesprek, al headbangend Nirvana opzetten in de auto, zich overgeven aan een prachtige zonsondergang vanop een modderig patattenveld in de herfst, een boek zo goed vinden dat ge weigert het uit te lezen. Soit, als ge nog mee zijt, des te beter. Als niet, dat is niet erg. Want who cares? Dyonisos alvast niet. 

Het geniale van Nietzsche blijkt onder andere ook uit hoe dat hij, naast het al in 1872 nogal visionair aangeven waar dat de moderne mens, die goddeloze, nu aan het eindigen is – in een steeds meer onecht leven voorafgegaan door influencers en bestaande uit oppervlakkige weer- en bespiegelingen zoals de botoxvolheid van de lippen, de ingeoliede sixpacks en het aantal likes op Instagram en Feesboek -, eindelijk een sluitende verklaring biedt waarom wij mensen vanuit de veilige geborgenheid van onze alledaagse wereld zo graag films en series kijken waarbij mensen met mitrailleurs of liefst zelfs dubbelloopsjachtgeweren neergeknald worden of horror movies zien waarbij het bloed van de schermen spat of ultraspannende psychologische thrillers waarbij onze tenen omhoog krullen, als het kan met een doos popcorn of een zak chips bij de hand: het is de ware essentie van ons eigen zijn. Wij zijn zelf al die gruwel. Een gruwel die even bloederig, rampzalig en vernietigend is als datgene dat we op het scherm te zien krijgen. En het is enkel op deze manier, vermomd als een filmpke, dat we er een glimp van kunnen opvangen zonder ter plekke in een zoutpilaar te veranderen zoals Lots vrouw bij Sodom en Gomorra. Dat en dat niet alleen wist Nietzsche in 1872 al, in zijn eerste, prachtige tekst, te duiden. 

En voor diegenen die denken dat dat nogal simpel is om een Griekse tragedie zomaar gelijk te stellen met een moderne film, dat dat toch een beetje kort door de bocht is: het zijn jullie die een veel te eng beeld hebben van een Griekse tragedie. Want dat ging er daar veel levendiger aan toe dan in onze huidige eerder contemplatieve theaterzalen. Zo had zo’n Griekse tragedie bijvoorbeeld ook al een heuse sound track. Een sound track die zo belangrijk was dat de oorspronkelijke titel van de tekst van Nietzsche luidde “Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik.” De sound track werd gevormd door het koor dat intensief met de hoofdpersonages op het podium interageerde en de Griekse toeschouwer vertegenwoordigde in het stuk. En dit allemaal in zo’n Grieks theater uitgehouwen in de vorm van een halve maan in een heuvel of gebergte, speciaal gebouwd om een vallend steentje beneden te horen donderen op de bovenste zitplaatsen. Die Griekse tragedies hadden dus veel meer weg van onze cinema’s met hun dolby sound ultrasound surround systems dan we zouden denken. Ze organiseerden zelfs een soort van Oscars die Oude Grieken, tijdens de Dyonisia, de jaarlijkse feesten in Maart-April ter ere van Dyonisos. ‘En de Oscar voor het beste Griekse drama dit jaar gaat naar…’

Maar nogmaals, het geniale aan Nietzsche zit hem niet alleen in wat hij schrijft maar vooral in hoe hij schrijft. Hij schrijft vanuit de buik. In tegenstelling tot al die filosofen voor hem poneert hij geen absolute waarheden. Als hij dat wel zou doen, wat zou hij dan ineens beginnen lullen over Apollo en Dyonisos, oude goden die al lang dood en vergeten zijn? Hij is een van de eerste westerse filosofen die van de zoektocht naar de waarheid hun filosofie gemaakt hebben. Waardoor hij ook zonder gêne, het grote verwijt aan zijn adres, in de loop van zijn leven de ene keer A zegt en de andere keer B. Omdat in de ene context A waar was en in de andere context B. Met als bijkomend voordeel dat hij vanuit het leven schrijft en niet vanuit een ivoren toren. Meer nog, hij gebruikt zijn leven om beter te begrijpen wat mens-zijn eigenlijk is. Net zoals hij alles en iedereen uit de rijke cultuurgeschiedenis van diezelfde verdoemde mensheid, zonder enige beperking of limiet, gebruikt in diezelfde poging om dat beter begrip te bereiken. Scrupuleus. Ongeacht de gevolgen. Ook voor hemzelf. Zo betekende de tekst bijna het einde van zijn carrière. In de ban werd hij geslagen door zijn collega-filologen en -filosofen. Zo afwijkend was zijn schrijven t.o.v. de toenmalige heersende opvattingen over de Grieken en co in het Duitsland van eind 19de eeuw. Wat Charles Baudelaire is geweest voor onze Westerse literatuur, is Friedrich Nietzsche geweest voor onze filosofie. Een beeldenstormer eerste klas, die ineens de weg naar de toekomst wees. Hoe niet zo’n man bewonderen?

Waar hij me echter vooral mee weet te treffen, is met een passage waarin hij verwijzend naar de ongelukkige Oedipus stelt (en vergeef mij voor het Duits, het klinkt gewoon duizend keer beter): “…, dass der, welcher durch sein Wissen die Natur in den Abgrund der Vernichtung stürzt, auch an sich selbst die Auflösung der Natur zu erfahren habe.” Ofte vrij vertaald: diegene die op een bepaald moment de overmoed heeft te denken dat hij het leven door heeft (Oedipus slaagde erin het raadsel van de sfinx op te lossen), die wordt vernietigd door datzelfde leven (Oedipus steekt zijn eigen ogen uit wanneer hij te weten komt dat hij, zonder het te weten, zijn eigen vader heeft vermoord en met zijn moeder getrouwd is). Profetische woorden eigenlijk als je bedenkt hoe de man zelf aan zijn einde is gekomen: gespreid over een periode van 10 jaar, eerst krankzinnig geworden, met zware psychotische opstoten, daarna gekluisterd geraakt aan een ziekbed en de laatste jaren van zijn leven zelfs niet meer in staat tot spreken. Maar vooral ook voor mij weer heel confronterend deze stelling. Want laat ik nu net zelf de afgelopen jaren in die illusie verkeerd hebben van het allemaal wat door te hebben. Na ontslagen geweest te zijn door het leugenachtige en hebzuchtige klotemanagement van het toenmalige Mobistar, waarbij de manier waarop zo vernietigend was voor mij als persoon dat ik om uit de put te geraken gedurende enkele maanden enkel een boek kon schrijven, dat echter achteraf zo prachtig bleek te zijn, nooit gedacht dat ik zo’n mooi boek kon schrijven, dat enkel door dat te schrijven mijn leven voltooid leek. Een uitgever vond ik wel niet want ik leef in een tijd waarin alleen boeken van Bekende Vlamingen, over eten en burn-outs, gepubliceerd geraken. Maar dat was niet erg want meer, leek er mij, toch niet meer te zeggen. Alles wat gezegd moest worden, was gezegd. Wat een arrogantie, niet? En zie mij hier nu zitten, als een Vlaamse Icarus, gebroken aan een keukentafel, bibberend en bevend voor wat er komen gaat, roepend om hulp en huilend als een klein kind. Die klotekatholieken gaan weer over deemoed en die schijnheilige goegemeente over ‘Boontje die komt om zijn loontje’ beginnen, maar zelfs tijdens mijn val toon ik ze allen mijn stevige middenvinger. Om de simpele reden dat we, cfr. Nietzsche, allemaal constant aan het vallen zijn. Vanaf dat we geboren worden. Deemoed zal je niet redden en dat loontje nog veel minder. Maar ik zal nu maar stoppen met lullen over Nietzsche, die oude Duitse God. 

14 januari 2019 – Driemaal is scheepsrecht

Drie keer maak ik het mee. Op één week tijd. Telkens in de nacht. Ik ben net in slaap gevallen. Maar word terug wakker gekatapulteerd door het waanzinnig intense gevoel dat ik van binnenuit implodeer. In één miliseconde verlies ik alle controle over lichaam en geest. En voel ik me letterlijk naar beneden storten. Terwijl ik val zie ik, gene zever, vlak langs mij, de graszoden en daaronder de wortels en daaronder de donkere, vochtige grond met de pieren en de maden passeren. 

Het is op dat moment dat mijn ogen wagenwijd open springen. Want ik besef dat ik dood ben. Het is de aarde die mij opslokt. Die terugneemt wat haar toekomt. Het is alsof ik word neergelaten in mijn graf. Of, neen, het voelt nog veel, veel erger aan. Het is alsof ik nooit bestaan heb, alsof ik nooit gelachen of geweend heb, alsof ik zelfs nooit geboren ben geweest. Want ten grave gedragen worden, betekent dat je daarvoor geleefd hebt en zelfs dat kan ik niet langer pretenderen. Dat gras, die zwarte humusgrond, die wortels, dat ik allemaal daar naast mij zie, dat ben ik en ik ben nooit meer geweest dan dat. Zo voelt het aan.

Ik begin net niet te krijsen. Zo angstaanjagend is het. De eerste keer is het veruit het ergst en het zwaarst om te verduren. De schok is werkelijk gigantisch. Heel mijn zijn davert op zijn fundamenten. Die, voorlopig nog, twee ogen van mij floepen open aan een snelheid die ik niet voor mogelijk hield. Ik zit ook recht in mijn bed in een nieuwe recordtijd. Puur en rauw vluchtgedrag. Blijven liggen is gewoon geen optie. 

De tweede en de derde keer was het telkens ongeveer even sterk maar al minder benauwend dan die eerste keer. Alsof je het tegen dan al gewoon wordt, zo’n gruwel van zwart zand, wormen en pieren. Wat wel blijft is dat vreemde gevoel dat er plots een dam doorbroken wordt. Dat ik overspoeld en verzwolgen word door iets monsterachtigs. Iets dat mij overmant van binnenuit. 

Eerste vraag die zich opdringt: is dit de tumor soms die zoals een paddenstoel plots zijn sporen loslaat op de wereld? Die zijn metastase triomfantelijk, met herauten en al, aankondigt? Het is in ieder geval alsof mijn organisme voelt dat de microschilfers de walburcht al verlaten hebben en dat er vanaf nu niets meer aan te doen valt. Dat ik een vogel voor de kat ben. En enkel nog kan wachten op de kroniek van mijn aangekondigde dood. 

En was die eerste keer de ontlading gewoon het grootst? Zoals bij een doodeenvoudige ejaculatie? De intensiteit van die eerste keer werd nadien ook nooit meer evenaard en dat is toch ook een zaadlozing. En is het mijn lichaam die de ontplooiing van de aanvalstroepen van de tumor registreert en zich in schok al laat afzakken in een vuile, modderige put? Om op die manier het afschuwelijke proces van de fysieke aftakeling tussenin over te slaan? 

Of, tweede mogelijkheid, is dit nu soms een paniekaanval? Nooit meegemaakt, een paniekaanval, tot nu toe toch. Voelt dat soms zo aan? Als het totale verlies van controle over lichaam en geest? Rechtop zittend in mijn bed klamp ik me aan mijn smartphone vast en begin als een razende te zoeken op Dokter Google naar de symptomen van een paniekaanval. Maar ik heb helemaal niet het gevoel dat ik aan het stikken ben. Ik ben aan het dood gaan, ja, maar niet door te stikken. En ik kan ook niet stellen dat ik pijn voel in de borst door een overslaand hart of een te kleine slagader voor de hoeveelheid bloed die er plotsklaps wilt doorstromen. Het enigste wat overeenkomt is het gevoel van dood te gaan of al te zijn in mijn geval. Blijkbaar komt dat ook vaak voor bij een paniekaanval.

De tweede en de derde keer was het zoals gezegd iets minder erg, maar na die derde griezelige forfaitverklaring van mijn lichaam sta ik in de ochtend op met zo’n ellendig gevoel dat het is alsof er niet langer een nachtelijke crisis nodig is om te vallen in het bodemloze graf. De gruwel is dus niet langer rechtstreeks verbonden aan dat nachtelijke visioen en eindigt niet wanneer ook dat laatste verdwijnt, maar blijft permanent in mijn systeem hangen. En dit vanaf het eerste ochtendgloren. 

Ik voel me zo misselijk dat ik het huis uitvlucht. Ik beslis naar Leuven te gaan in de hoop daar wat afleiding te vinden voor mijn nare gevoelens. Maar nadat ik mijn wagen terug geparkeerd heb aan de Sint-Jacobskerk, dezelfde parking waar hij ook stond bij die dubbele parkeerboete na die vervloekte operatie door Hartenkoningin in het Sint-Pieterziekenhuis, geraak ik niet meer verder dan de koffiebar op de hoek van de Brusselsestraat vijftig meter verderop, Bar Berlin. Daar zit ik een uur of twee in één van de eenpersoonszetels tegenover de oude Chesterfield. Jammer genoeg voor mij niet te bekomen. Gewoon recht te zitten en mezelf recht te houden. Met Nietzsche op mijn schoot en één latte macchiato voor mij. Maar ik krijg niets gelezen, hoezeer ik ook probeer, omdat ik me zo ellendig slecht blijf voelen. Als ik het magisch realistisch probeer te beschrijven: ik, Patrick Hoskens, als persoon, die jaren hier in Leuven heeft rondgelopen, als student, als jongvolwassene, als werkende, als papa, als mens onder al die andere mensen hier, besta even niet meer. Fysiek ben ik hier aanwezig, alhoewel ik zelfs dat durf te betwijfelen. Ik voel me althans ook onzichtbaar. Ik ben zelfs geen entiteit meer. Ik ben gedisintegreerd en lig in stukken op de grond of steek blijkbaar zelfs hier en daar in de grond. En ik slaag er niet in om de stukken terug samen te rapen. Ik durf amper op te kijken van mijn boek en blijf naar beneden staren naar de pagina’s voor mij, zonder te lezen. Na enkele uren sta ik met moeite recht en keer terug naar mijn auto. Als nog steeds onvindbare man rijd ik terug naar huis. Daar aangekomen val ik als een blok in slaap in de zetel beneden.

Wanneer ik wakker word, beslis ik een berichtje te sturen naar Yvo en Willem. Om te signaleren wat er gebeurd is. Yvo laat me weten dat hij met me mee voelt maar dat we gaan moeten wachten tot de operatie op 22 januari om te zien wat we eventueel kunnen doen, maar het allerbelangrijkste is dat mijn beide engelbewaarders geen link zien tussen de kanker en dit ellendig gevoel. Dus dat van die lijfelijk ervaren metastase lijkt al niet te kloppen. Willem geeft nog wel aan dat ik iets moet laten weten als het nog eens gebeurt en al zeker als het nog slechter zou worden. 

Zelf voel ik me na de crash-dut in de zetel lichtjes beter. Ik ben in ieder geval terug een persoon geworden. Of ik voel me toch terug mens. En besef dat ik me alleen maar verder kan voortslepen richting operatie. Het is nog maar 8 dagen wachten. Maar zoals gevreesd, na bijna een maand wachten nu sinds die vreselijke diagnose, die zelf ook al enkele maanden te laat gevallen is door het afschuwelijke geklungel van Hartenkoningin die gewoon in de buurt van een kankergezwel en waarschijnlijk zelfs erin heeft zitten snijden, tijdens een operatie waar het op haar beurt ook al lang op wachten was, wordt het wachten nu ondraaglijk. Zelf kan ik alleen maar blijven hopen dat driemaal niet altijd scheepsrecht is want dat bootje van Charon kan ik nog wel een tijdje missen als kiespijn. Ik zou graag mijn kinderen willen zien afstuderen. En ooit kleinkinderen hebben, graag. Of op zijn minst één keer kunnen vast houden. Als dat allemaal niet zou lukken door het amateuristisch geknoei van Gasthuisberg, heb ik een levensgroot ei te pellen met mijn vroegere Alma Mater. Het probleem is alleen dat ik mogelijks tegen dan met die boot al vertrokken ga zijn.

12 januari 2019 – Du regard comme objet petit a

Die kikker blijft op mijn zenuwen werken. Om de vijf voet is er nu die ‘ddzzz, ddzzzz, dzzzz,…’, dat akelig gevoel die zo’n elektrische kortsluiting met zich meebrengt. Soms is het alsof mijn wenkbrauw dan aan de binnenkant als een echte kikkerbil samentrekt. Maar ik kijk dan in de spiegel, een en al focus op die zone van mijn gezicht tussen wenkbrauw en neusbrug en zie helemaal niets. Daarnaast zit mijn linkeroog. Dat oog dat mij al 52 jaar trouwe dienst bewijst en dat mij binnen 10 dagen zal moeten verlaten. Met die mooi grijsgroene kleur waarvan ik graag het groene gedeelte benadruk zodat ik kan claimen de intensieve ogen van een panter of een kat te hebben. Veel interessanter dan die brave, nietszeggende hondenogen die ik in het echt heb. Daartussen zit die tumor. Ondertussen ziet hij al rood, blauw en paars, beste Ground Control. Paars, dat zijn de onderhuidse adertjes die zichtbaar beginnen te worden. Met al die vertakkingen begint het er als een overstroomde delta uit te zien, die ooghoek; de Egyptische Nijl of de Ganges. En ondertussen is het gezwel zo groot geworden dat mijn oog half toegeduwd wordt. Of mijn oogbol verdwijnt toch voor bijna de helft uit het zicht. Een mislukte Chinees, zo zie ik eruit. Met één half opengesprongen spleetoog.

Dat dat oog ondertussen nog blijft zien zonder problemen is onvoorstelbaar. Wat voor een ingenieus orgaan is dat toch? Op zich al, gezien de functie ervan; lichtstralen opvangen en omzetten in beelden voor ons, de er totaal aan verslaafde mensheid? Terwijl het zelf gewoon uit wat zacht weefsel bestaat. Ik bedoel, het is geen hypergesofisticeerde fotocamera, ingebouwd in een smartphone of bestaande uit plastiek en metaal, met een  groothoeklens om alles nog wat te pimpen, die ochottekes 12 megapixels vastlegt. Neen, met een constant panoramisch zicht en meer dan 150 megapixels doet het oog veel beter. Bovendien ziet het eruit als een gummy bol met zo’n tweeënhalve centimeter doorsnede schat ik. Een beetje als zo’n botsbal uit een tuttefrutmachien. Maar dan met levende kegeltjes en staafjes van binnen, rechtstreeks verbonden met onze interne harde schijf, de hersenen, via de oogzenuw. En daar vlak naast dus, zit nu al een tijdje een kankergezwel te groeien, en sinds de operatie van de waanzinnige Hartenkoningin zelfs te woekeren, en toch blijft dat oog zijn ding doen. Onversaagd blijft het beelden doorsturen naar de hersenen. Alsof er niets aan de hand is. Ondanks die tumor en ondanks de talloze oogdruppels en oogzalfjes die het de afgelopen maanden te verduren heeft gehad. Nooit geweten dat een oog zo taai was. 

Trouwens, over spiegel gesproken, het oog is ook de spiegel van de ziel, zegt men. Loop ik dan niet het risico om binnenkort mijn ziel te verliezen? Want zonder spiegel ga ik hem niet langer kunnen terug vinden? En dat door toedoen van nota bene een oftalmoloog van de Katholieke Universiteit van Leuven? Die universiteit die in al haar hoogmoed constant beweert de grootste en dus de beste van het land te zijn? Iemand die zijn ganse leven net opgeleid is geweest om dat ene onschatbare ding tegen elke prijs te beschermen en te redden? Het aantal keer dat er in Gasthuisberg iemand met veel aplomb Tai Chi heeft staan doen voor mijn neus, om te checken of de oogzenuw toch maar niet geraakt was, kan ik niet op mijn hand tellen en nu gaat het ganse ding eruit moeten, met zenuw en al. Gaat zo’n duurbetaalde specialist er de oorzaak van zijn dat daar binnenkort een grote vleselijke leegte gaapt? Dat ik misvormd en mismaakt verder door het leven zal moeten gaan? Dat ik niemand meer in de ogen ga durven kijken? Met schaamte telkens mijn hoofd ga moeten weg draaien? Mijn blik verbergen?

Bij Jacques Lacan, die Franse goeroe-psychoanalyticus uit de tweede helft van de vorige eeuw, die tijdens mijn studietijd zo’n furore maakte onder de meer creatieven onder ons, was de blik één van de zeldzame concrete verschijningsvormen op deze wereld van het eindobject van al onze verlangens, wat hij noemde ‘l’objet petit a’. Een andere was de stem. Net zoals de stem kan de blik iets voorspiegelen dat doet verlangen. Of beide kunnen via de intensiteit waarmee ze binnen komen verlangen bij en naar de ander creëeren. Voor een gedeelte de wil van de andere opheffen. En daardoor een van de weinige momenten vormen waarop mensen elkaar echt raken of zelfs gewoon opmerken. De blik verliezen betekent dan ook veel meer dan niet langer kunnen zien. Ik ga trouwens nog altijd kunnen zien, met één oog. Maar ik ga zonder blik niet langer present kunnen tekenen en ik ga dus niemands ziel nog kunnen beroeren. Noch man, noch vrouw. Ik ga verleidingsloos door het leven moeten gaan. Want de mensen die ik nog zal ontmoeten, gaan mij links laten liggen als linkerooggehandicapte. Of mij vanuit die hoek, met een welgemikte rechterhoek, een flinke optater geven; ik ga de vuistslagen toch niet langer zien aankomen. Eén van de twee. Niemand gaat nog echt geïnteresseerd zijn in mij. Enkel medelijden ga ik mogelijks nog kunnen krijgen. Alleen blinden ga ik nog kunnen proberen te verleiden met mijn gedachten en mijn woorden. Gebruik makend van mijn al net zo doordeweekse stem. Dus daar zal ik ook al niet veel succes mee hebben. En eenmaal wanneer ik die epithese heb, voorbijgangers. Want die gaan zelfs niet de tijd hebben om het stilleven in mijn linkeroog op te merken. Maar wat zeg je tegen voorbijgangers zonder dat ze stoppen en even de tijd nemen om je eens goed te bekijken? Zonder dat ze stoppen met voorbijganger te zijn?

10 januari 2019 – Van uw familie moet ge het hebben

Die ruzie heeft lang genoeg geduurd, vind ik. En als mijn leven binnenkort aan een zijden draadje hangt, onder grote lampen op een koude operatietafel, wil ik toch op een correcte manier afscheid hebben genomen van mijn grote broer. Dus beslis ik van hem te bellen. Ik ga het helemaal achteraan doen, in alle rust, tegen het bos aan, bij de kippen. Daar waar ik voor de laatste keer, een jaar of vier geleden, met hem gebeld heb. Niet dat er toen veel gezegd werd. Zoals vroeger zo vaak, vergiste hij zich bij het bellen tussen zijn zoon en mij en vroeg drie keer naar hem, alvorens zijn fout te ontdekken en snel terug in te leggen. Een jaar of twee nadien, bij de begrafenis van Nonkel Fons, vond ik ook al eens dat het welletjes was geweest en had hem na de misviering, toen hij al in zijn wagen zat samen met mijn schoonzuster, aangesproken. We waren toen geëindigd in een cafe tegenover de kerk en hadden voor het eerst in jaren nog eens rustig wat gebabbeld. En, cruciaal hierbij, gebabbeld over al hetgeen dat er gebeurd was, het waarom en het hoe. Ik had toen gedacht dat dit misschien het ijs zou breken, dat hij misschien de kans zou grijpen om het ook met mijn zus bij te leggen, maar niets van dat alles. De loopgraven hielden stand en zelfs een Kerstfeestje onder oorlogsvoerders zoals in die Eerste Wereldoorlog zat er nog steeds niet in.

Niet dat het puur uit hoofse beleefdheid is dat ik nu deze stap zet. Ik kan op dit moment ook wel wat hulp gebruiken van mijn broer. Zelfs nu dat gezwel kwaadaardig blijkt te zijn, blijft mijn zus doen alsof ik met mijn Vlaamse  Hoskensboerengenen alles aankan, vingers in de neus zelfs. Zelf voel ik me helemaal niet zo zeker van mijn stuk en dus kan ik wel wat ouderwetse steun van Grote Beer gebruiken. Ik zoek zijn naam tussen mijn contacten. Of toch de naam die ik als enige nog gebruik. Als jongvolwassene vond hij dat plots een ouderwetse en lelijke naam en schaamde zich er een beetje voor. Hij heeft toen de naam door iedereen doen inkorten tot een meer krachtige, moderne variant ervan. Alleen bij mij bleef de naam uit vervlogen tijden hangen en probeer een kind maar eens duidelijk te maken dat hij iets anders moet zeggen dan wat de naam van iemand net is. Zeker als die ene persoon dan ook nog eens het centrum van het universum is. 

Ik hoor hem opnemen. “Hallo, met Gust?” Het doet deugd om zijn stem terug te horen. Aan de klank ervan hoor ik dat hij goed weet wie hij aan de lijn heeft, maar nog even doet alsof er niets bijzonders aan de hand is. Ik val met de deur in huis: “Dag Gustave, Patrick hier. Ik vrees dat ik niet zo’n goed nieuws heb,” en vertel hem in één ruk alles wat er gebeurd is. Hoe dat ik gesjareld ben geweest door het zo arrogante Gasthuisberg en een van die ongenaakbare professoren daar die zich God wanen. En nu aan het wachten ben op een operatie in het UZ Gent waarbij mijn ganse linkeroogkas gaat leeggelepeld worden. In de hoop daarmee de schade te beperken. Want dat het risico reëel is dat de schade nog veel groter is. Oneindig veel groter. Of toch 20 jaar van een mensenleven groter. 

Naarmate mijn verhaal vordert, krijgt mijn broer het moeilijker en moeilijker. Het is altijd al een gevoelige geweest. Net zoals ons moeder. Een triest verhaal op de TV met een kind dat ziek was of een levensverhaal als dat van Rosalie Niemand en ze zaten vroeger beiden te wenen in de zetel. Zelf kan ik deze keer als hoofdfiguur van mijn eigen triestig verhaal – egoïst tot in de kist – ook maar met moeite mijn tranen bedwingen. En mijn broer moet nu, als teergevoelige mens, die afschuwelijke roller coaster waar ik op gezeten heb de afgelopen weken en maanden op een minuut of tien doorstaan. Het telefoontje duurt dus niet zo lang maar het is verbazingwekkend hoeveel deugd het doet om dit alles te kunnen vertellen aan hem. Elk woord dat er gezegd wordt, staat niet op zich, maar hangt vol van andere significante betekenissen en magische gebeurtenissen. Via mijn grote broer sta ik in rechtstreeks contact met de oerbron van mijn bestaan en bereik ik de oren van al lang overleden almachtige stamvaders en -moeders die vanuit het hiernamaals over ons waken. Niemand anders dan de held van mijn jeugd had mij dit vandaag kunnen geven. Naar het einde toe begint hij zijn keel te schrapen. Kwestie van er toch nog een woord tussen te krijgen. Tussen wat ik zeg en zijn eigen tranen. Hij zegt dat hij het allemaal vreselijk vindt. Het net zoals ik al helemaal ongelooflijk vindt wat er allemaal misgelopen is in Gasthuisberg. En vraagt me hem te laten weten in welke kamer juist ik zal liggen in het UZ Gent na de operatie. Zodat hij me kan bezoeken. 

De kippen staan ondertussen aan mijn benen te kakelen. Net wanneer ik afscheid wil nemen van mijn grote broer, zie ik de haan de kippen roepen want hij heeft weer een malse regenworm gevonden. Ze zijn er dan ook als de kippen bij. Maar net als echte kippen zien ze de pier niet liggen. Nochtans staat de haan druk te gesticuleren met zijn hoofd om aan te geven waar hij zich juist bevindt. Uiteindelijk vindt hij er niets beter op dan de regenworm vast te pakken met zijn snavel en in de lucht te smijten. Als ze het nu nog niet door hebben,…

9 januari 2018 14u30 – En maar breien; onder een scan, in de auto, thuis, in de zetel, in bed, zelfs op het toilet

Het eerste wat ik doe wanneer ik thuis kom van het facial team, is bellen naar het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis van Aalst om een afspraak te maken voor die nieuwe scan, die scan van mijn dijen. Zodat de plastisch chirurg zo snel mogelijk perfect weet welk stukje vlees van mij hij het beste kan gebruiken. En inderdaad, daar in Aalst is er nog ruimte vrij. Ik mag al direct twee dagen later komen. Voor mij is het vooral ook meegenomen dat zo’n kleine to do’s, zoals een telefoontje placeren, een scannetje laten maken, die twee weken wachten wat draaglijk maken. Want zelf zie ik het totaal niet zitten, nog eens twee weken wachten. Want of die tumor al in metastase is, kan ik niet zeggen, maar dat die al aan het proberen is om op te stijgen van mijn voorhoofd, zich los te scheuren met zijn verbrandingsraketten van alles wat hem aan mij bindt, de wijde wereld in te trekken, wel. Zo groot is hij naar mijn gevoel al geworden. Het is alsof hij die totaal misplaatste operatie in Gasthuisberg als een uitdaging om ter snelste groeien ervaren heeft en als een paddestoel uit mijn hoofd aan het schieten is.

Wat ook meer en meer door mijn hoofd maalt, is wat die oncoloog van het AZ Maria Middelares enkele dagen geleden wist te zeggen. Het klinkt nu als een sprookje: “Er was eens een vrouw met een gelijkaardige tumor op een gelijkaardige plaats. Daar was men er op tijd bij en met een lichte operatie en enkele bestralingen was ze er vanaf. Er was geen recidive. En ze leefde nog lang en gelukkig.” Die was haar oog, laat staan gans haar oogkas, dus niet kwijt. Ik daarentegen, na al dat amateuristisch geklungel in Gasthuisberg, wel. Of toch binnen twee weken. Wat ga ik nog allemaal kwijt zijn vraag ik me nu meer en meer af? Ga ik door al de fouten gemaakt in Gasthuisberg soms wel een recidive kennen? Gaat die kanker wel terug komen bij mij, nadien, zelfs als ik mijn ganse oog nu opgeef? En gaat mijn levensverwachting plots drastisch ingekort moeten worden met een goede twintig jaar? Kan ik dit alles op het conto van een arrogant Gasthuisberg en één zelfingenomen professor schrijven? En hoeveel  moet ik dan op dat conto schrijven? Hoeveel is dat dan eigenlijk waard, zo’n twintig jaar van een mensenleven? Het BNP van België nemen, dat delen door 11,5 miljoen en dat terug vermenigvuldigen met 20? En dan nog, kan ik als slachtoffer zeggen dat ze hun geld, zelfs als het veel geld is, in hun gat mogen steken? Dat ze gewoon alles ongedaan moeten maken en dat we dan pas quitte zullen zijn? Die zelvoldane goden van boven op die berg, die boven alles staan, de wet en al zeker al dat kleinmenselijk gedoe zoals angsten, zorgen, verplichtingen en ruzie maken, die moeten dat toch kunnen?

En komt nu ook meer en meer een nieuwe vraag: moet ik dit alles zomaar aanvaarden? KAN ik dit zomaar aanvaarden? Moet ik gewoon zeggen: “Och, iedereen kan zich al eens vergissen!,” en is daarmee de kous af? Of zitten er toch nog wat gaten in? Gaten waarlangs mijn haat en agressie nog een weg dreigt te vinden? Zodat ik rekenschap ga eisen? Rechtvaardigheid ga afdwingen? Want ik kan me vergissen, maar het systeem gaat het volgens mij niet geven. Ik zou bijvoorbeeld die Hartenkoningin een keer kunnen opwachten aan haar konijnenpijp en eens goed mijn gedacht kunnen zeggen. Of nog veel beter, ter plekke fysieke rechtvaardigheid opleggen? Die gulden regel uit vervlogen tijden, een oog voor een oog, toepassen? Hoe zou dat in de pers verschijnen, zo’n ‘fait divers’? Zou dat als een gerechtvaardigde heldendaad omschreven worden of eerder als een geval van laagbijdegrondse, zielige rancune van een zielige zieligerd? Moet ik me dan ook in dit scenario weer gedragen als een verantwoordelijke burger? Die braaf zijn belastingen betaalt en rustig naar huis gaat en de dingen laat gebeuren zoals ze gebeuren? Alles over hem heen laat komen alsof het Gods’ hand zelf is die alles bepaalt? Dat machtig apparaat en die machtige mensen boven op die berg van zieken, waar ligt hun verantwoordelijkheid? Of waar is die eigenlijk? Bestaat ze wel? Want ik zie ze niet. We zijn nu al enkele weken later nadat het duidelijk is geworden dat er serieuze fouten begaan zijn en het enigste dat ik van daar te horen krijg, acht kilometer oostwaarts, is één grote absolute stilte. Een muur van stilte. En daar moet ik het mee doen. Braaf zijn en blijven.

Als ik aankom in het ASZ Aalst, is het direct duidelijk dat ik me niet langer in het Gentse bevindt. Hier geen meerverdiepingen parkingmonster van staal maar een geplaveide openlucht plattegrondsparking zoals in de rest van het land. Wat ze dan wel weer gemeenschappelijk hebben, is dat er om twee uur in de namiddag totaal geen plaats meer is. Ik ben verplicht om me achter een reeks andere auto’s half op de borduur te zetten tegen de struiken en bomen aan, over de barsten in het plaveisel heen, gevormd door de wortels van diezelfde struiken en bomen. Sjaans dat ik niet in Leuven zit, bedenk ik me, want daar zou mijn wagen binnen het halfuur weggesleept worden. Kwestie van repressief de stadskas verder te spijsen. 

Ook het gebouw getuigt van betere tijden. Op basis van mijn kort parcours doorheen onze Belgische ziekenhuizen kan ik toch stellen dat om een of andere reden die ziekenhuizen die niet behoren tot de katholieke zuil veel meer afgeleefd lijken dan de Sint-versies ervan. Alsof de besparingswoede van de staat zich de afgelopen jaren vooral gericht heeft op de 100% staatseigendom ziekenverblijven. In om het even welk ander land zou het andersom zijn, maar wie ben ik om dit alles in vraag te stellen? De scan zelf is niet zo bijzonder. Het is terug eerder een Apollovlucht. Er wordt inderdaad weer ongegeneerd gefocust op mijn vooralsnog prachtige dijen. En dus duurt hij nog korter dan anders. Ik geraak dan ook niet veel verder dan de dampkring.