19 december 2018 12u30 – My first encounter of the third kind with a medical oncologist

Broederlijk (of zusterlijk) zitten ze naast elkaar aan een kleine tafel. Ik aan de overkant van diezelfde tafel. Alsof ik een examen moet zien te passeren en zij de jury zijn. De oncoloog links, aan de kant van de computer natuurlijk, vlak aan die moderne bron van alle kennis en wetenschap. De verpleegster rechts, een beetje zijwaarts toch, enig respect voor gezag en orde moet er blijkbaar zijn, ook hier in het AZ Maria Middelares.

Er wordt mij weer gevraagd kort uiteen te zetten wat er allemaal gebeurd is. Ik probeer het ganse verhaal zo volledig mogelijk te brengen, inclusief zwembrilletje, Hartenkoningin, foute operatie, ontploft oog, vlucht in de nacht weg van Gasthuisberg helemaal vanuit Kortenberg naar het verre Gentse, tot en met de diagnose van een ‘kwaadaardig gezwel’. Het is vooral de verpleegster die het verhaal met enige betrokkenheid volgt afgaande op haar zorgelijke blik en af en toe een zucht. De oncoloog zelf zit maar met een half oor te luisteren en vanaf het moment dat het woord ‘biopsie’ valt, zit hij voortdurend naar zijn computerscherm te kijken. En ik weet niet wat ik fout doe in de loop van mijn verhaal – het woord bekt inderdaad niet zo goed, toch niet in mijn mond – maar de oncoloog vindt het nodig om op een bepaald moment heldhaftig en zonder omwegen het k-woord op tafel te smijten. Met enig verwijt in zijn stem stelt hij uit het niets en toch nadrukkelijk: “Het gaat hier wel over kanker hein!” Alsof het allemaal mijn schuld is of alsof ik naar zijn normen nog steeds niet genoeg besef wat er aan de hand is. Zelfs de verpleegster verschiet van zijn uithaal, kijkt een beetje verbaasd zijwaarts, maar zegt niets. Zelf antwoord ik aarzelend: “Ja, zo had ik het ook begrepen.” 

Maar misschien reageer ik weer, zoals zo vaak, veel te defensief en heeft het allemaal niets met mij te maken. Want het is alsof de oncoloog door zijn eigen uitspraak zichzelf tot de orde roept. Of nu dat het vastgesteld is en formeel bevestigd geworden is door alle betrokken partijen, waaronder hijzelf, dat het hier wel degelijk over kanker gaat, schiet hij toch in gang. Hij begint met, net zoals Decock enkele dagen geleden, het verschil tussen primair en secondair uiteen te zetten en, in het verlengde daarvan, te wijzen op het belang van verder onderzoek. Zelf begrijp ik ondertussen dat verzet nutteloos is en vraag wat er dan juist dient te gebeuren qua onderzoek. “Er dienen twee scans afgenomen te worden,” luidt het antwoord, “een PET-scan en een MRI-scan.” “En waarom net die twee scans?,” vraag ik geïnteresseerd terug. En het is vreemd, maar mijn tweede vraag is ondanks mijn oprechte interesse blijkbaar weer een brug te ver voor de oncoloog. Want hij begint terug naar zijn computerscherm te staren terwijl de verpleegster overneemt en antwoordt op mijn vraag: “De PET-scan is nodig omdat we een volledige check-up van jouw lichaam moeten doen. Maar jammer genoeg is een PET-scan niet zo performant voor wat betreft het zenuwstelsel en dan vooral de hersenen. Daarom hebben we ook nog een MRI-scan nodig. Het is de enigste manier om een volledig beeld te krijgen van jouw lichaam.” “Ah, ok.” Nu dat die vervelende informatieronde helemaal achter de rug is en we naar de praktische zaken van de dag kunnen overgaan, draagt de oncoloog de rest van de consultatie over aan zijn assistente zodat hij zich kan blijven concentreren op het computerscherm: “Petra, onze oncocoach hier, heeft al enkele data vastgelegd waarop het nog mogelijk zou kunnen zijn om op korte termijn die scans uit te voeren.” “Oncocoach?” “Ja, zo noemen wij hier het verplegend personeel gespecialiseerd in het begeleiden van mensen zoals u.” “Ah, ok.”

De oncocoach neemt plichtsgetrouw over en zegt: “Voor de PET-scan, mijnheer Hoskens, doen wij wel beroep op de diensten van een ander ziekenhuis want zelf hebben wij niet de apparatuur om dat te doen. Het gaat om het Sint-Lucas ziekenhuis in het centrum van Gent. Weet u dat zijn?” “Niet echt, maar dat is geen probleem, daar bestaat een GPS voor, niet waar?” “Wel, als dat gaat voor u, daar is er nog plaats voor een PET-scan ‘s ochtends vroeg op 21 december om 8 uur. Zou dat voor u lukken? En zo vroeg, komende van Kortenberg?” Ik moet terug denken aan wat ik geantwoord heb aan dokter Decock, dat vanaf nu alles gaat lukken voor mij. Ik antwoord gelaten: “Ja, natuurlijk.” “De MRI-scan daarentegen doen wij zelf en hier hebben we nog net voor het begin van de Kerstvakantie een slot gevonden maar het is wel op een zondag: op 23 december om kwart voor 12 op de middag. Lukt dat ook voor u?” “Ja, dat gaat allemaal voor mij.”

Nu dat de consultatie ten einde loopt, acht ik het moment gekomen om een vervelende, persoonlijke vraag te stellen. Wij hebben als gezin, voor ons de zalige gewoonte, voor anderen de vervelende gewoonte, om elk jaar van Kerstmis tot en met Nieuwjaar een grote stad te bezoeken om op die manier enerzijds wat family quality time onderling door te brengen en anderzijds aan alle vervelende vragen en vooral verwachtingen in verband met Kerst- en Nieuwjaarsfeestjes te ontsnappen. Fantastische formule om de feestdagen door te brengen. In onze eigen volkstaal: we vertrekken voor dat de shit begint en komen pas terug als het gedaan is. Wij zijn zo al naar Berlijn, Parijs, Hamburg, Warschau, etc… geweest. En dit jaar stond Boedapest op het programma. We hadden een fantastisch appartement geboekt in de universiteitswijk van Boedapest op Airbnb. En één overnachting op weg daar naartoe in Nurenberg op Booking.com. We zouden vertrekken op de 25ste, na het Kerstdiner bij mijn zuster, en terugkomen op 2 januari. En nu is de grote vraag, heeft dat nog zin? Als je een week voor het vertrek een diagnose als ‘kwaadaardig gezwel’ te horen krijgt? En vooral, is dat allemaal wel een goed idee? Moeten we niet hier blijven om een behandeling op te starten? Het probleem is echter dat het probleem stellen zelf al totaal absurd aanvoelt. Het is een vraag van de levenden en ik bevind me nu al sinds twee dagen in het land van de doden. Niets van wat ik zie of hoor heeft nog de kleur van het leven of gewoon enige schittering in zich. Alles is dof en oninteressant geworden. Het enigste dat mij nog boeit is dat ding in mijn oog dat er zo snel mogelijk uit moet. Koste wat het kost. Maar ik kan misschien wel vlot de verwachtingen van familie en vrienden fnuiken, die van mijn kinderen zijn een ander verhaal. En dus leg ik als een echte pater familias voorzichtig de vraag op tafel: “Zou dat wel een goed idee zijn? Om nu tijdens de vakantie een weekje naar Boedapest te gaan? Want tijdens de vakantie gaan jullie toch niet veel doen, niet? Of zou ik beter thuis blijven? Gaan er al nieuwe stappen gezet kunnen worden in het kader van mijn behandeling?”

Tot mijn verrassing gaan zowel de oncoloog als de oncocoach akkoord dat dat misschien niet zo’n slecht idee is. Ondanks het feit dat ze me eerst wat verbaasd aankijken en duidelijk zelf ook niet goed weten hoe om te gaan met zo’n vraag van de levenden. Maar ze bekennen dat ze inderdaad zelf ook afwezig zijn in die periode. Dus veel zin heeft het niet om thuis te blijven. “Het belangrijkste,” zeggen ze, “is dat de scans zo snel mogelijk plaats vinden.” Zodat na de vakantie de behandeling ook zo snel mogelijk opgestart kan worden. En gelukkig voor mij kunnen de twee scans nog net plaats vinden voor de Kerstvakantie. “Wanneer bent u juist terug?,” vraagt de oncocoach. “Twee januari.” ”Ah, ok, dan stel ik voor dat we een nieuwe afspraak plannen op 3 januari om 17uur ‘s avonds. Gaat dat voor u?” “Ja hoor, dat gaat allemaal voor mij.”

De consultatie is afgelopen. De oncoloog staat recht en verlaat de kamer met een stevige fitness handdruk. Maar waar ik verwacht had gewoon opgelucht te zijn omdat de scans snel gaan kunnen plaats vinden, of misschien omdat we dan toch de familiekersttraditie in ere gaan kunnen houden, voel ik vooral een enorme hopeloosheid over mij neer dalen. Het is alsof de daadkracht van de oncoloog bij mij een averechts effect heeft. En vooral dat een stappenplan zonder empathie voor mij geen zin heeft. De verpleegster heeft het echter door en neemt mij snel even apart op weg naar buiten. Ze zegt: “Maakt u geen zorgen, mijnheer Hoskens, we gaan sowieso een behandeling voor u vinden hoor.”

18 december 2018 9u37 – Onder vier ogen

“Kan ik jou even apart spreken, Jean?” “Ja, natuurlijk.” Hij staat recht en wandelt een beetje verveeld naar een aparte vergaderzaal. Je ziet dat aan het waggelen. Als hij zo al wandelend begint te slingeren met zijn armen en benen. Dan weet je dat het hem allemaal een beetje te veel wordt. Ik denk dat hij verwacht dat ik ontslag ga nemen. Dat ik het eindelijk opgeef. Vaak wordt “Kan ik jou even apart spreken baas?” toch gevolgd door die officiële mededeling. Het is in ieder geval ook de tijd van het jaar. Zo vlak voor de Kerstvakantie en het nieuwe jaar. Het budget voor volgend jaar ligt inmiddels vast, is goedgekeurd tot op de hoogste echelons en nu gaan ze het moeten realiseren, die bedrijven. Tijd voor wat versterking. Of, na de afgelopen dertig jaar van cost cutting, toch wat gaten opvullen hier en daar. Misschien is hij wel een beetje opgelucht. Eindelijk van die vervelende Hoskens vanaf. Met zijn eeuwig gezaag over hoezeer we totaal geen marketingbedrijf zijn en al die andere muggenzifterij. ‘Weer een zorg minder’ zal hij misschien denken. 

Wanneer we in de kleine vergaderzaal komen, gaat hij in de uiterste hoek zitten van het zaaltje. Nog een teken dat hij zich aan het ergste verwacht. Normaliter gaat hij altijd in het midden zitten. Klaar om alles op te vangen wat op hem afkomt. Het absurde is wel dat wat mij betreft het ook het ergste is dat op hem afkomt. Maar wie denkt er aan de dood in een werkomgeving? Het is een beetje zoals die soldaten van de Eerste Wereldoorlog, die dachten dat, misschien hun maten wel, maar zij zelf niet gingen sneuvelen. Net zoals die soldaten werken we allemaal ook alsof we eeuwig gaan leven. Zeg nu zelf, anders zouden we al die zever toch niet volhouden? Wie van ons zou blijven werken als hij zou weten dat hij morgen zou gaan sterven? Of binnen een maand? Of zelfs binnen een jaar? 

Ik val met de deur in huis: “Jean, je weet, dat ding aan mijn oog?” Hij knikt. “Ik ben gisterenavond te weten gekomen dat het kwaadaardig is. Dat het kanker is.” Nu trekt hij bleek weg. Zijn ogen staan ineens bedrukt en twijfelachtig. Zijn vader heeft ook al een tijdje last van een hersentumor. Misschien dat hij daaraan moet denken. Hij zegt: “Wow Patrick, meen je dat?” “Ik vrees van wel. Alles wat er gebeurd is in Gasthuisberg, is allemaal fout geweest, Jean. Het was helemaal geen ontsteking van een traanzakje. En het is dus geen ontsteking die ontploft is in mijn oog na een slecht uitgevoerde operatie. Het is een kankergezwel dat ongeremd is beginnen woekeren na een verkeerde operatie. En dat allemaal samen heeft dan ook nog eens veel en veel te lang geduurd.” Hij vindt het verhaal al net zo gruwelijk en ongeloofwaardig als ikzelf; dat zoiets mogelijk is aan een gereputeerde kliniek als Gasthuisberg, wie had dat ooit gedacht? 

Als een echte baas wilt hij echter vooral ook vooruit kijken. Hij vraagt: “Wat zijn de volgende stappen, Patrick?” Ik leg hem het verschil uit tussen primair en secundair, net zoals Christian Decock het aan mij de dag voordien uitgelegd heeft. “Ze gaan mij vragen om nog een aantal scans te laten doen. Om te zien of de kanker zich enkel aan mijn oog bevindt of ook nog elders. Morgenmiddag heb ik een afspraak met een oncoloog.” “Je doet maar wat je moet doen Patrick. Het werk kan nu wel even wachten.” “Daarover gesproken Jean, ik heb nog redelijk wat van die ouderschapsverloven staan die ik in principe voor het einde van het jaar moet opnemen. Ik stel voor dat te doen en die te gebruiken voor de extra onderzoeken. En vanaf Kerstmis was ik sowieso op verlof tot begin januari. Is dat ok?” “Ja, dat is allemaal ok, Patrick.” “Dan kan ik tussendoor de dingen nog afsluiten die ik nog moet afsluiten, zoals dat ene offer voor KBC. Is dat ok voor jou, Jean?” “Allemaal goed voor mij Patrick. Neem al de tijd die je nodig hebt. Zie gewoon dat je beter wordt.” Het verschil tussen een goede baas en een slechte baas: in hoeverre kan hij (of zij) de andere los laten zonder nog eens goed na te stampen over to do’s, verantwoordelijkheden en de hoop werk die nadien en onvermijdelijk wacht.

Salute!

Beste fans van mij :-))),

Het spijt me, maar het is mooi weer en ik ga op vakantie. Dus ga ik even wat tijd nemen voor mezelf en mijn gezin om nadien met nog betere tekstjes mijn blog verder te vervolledigen. Het zal dus even iets minder worden op patricksmedischefout.blog om nadien nog veel meer te worden (als het lukt natuurlijk).

Tot dan,

Patrick

17 december 2018 19u tot 20u30 – Hoop doet leven

Nu dat de diagnose ‘een kwaadaardig gezwel’ blijkt te zijn, beslis ik onmiddellijk een berichtje te sturen naar Willem, mijn vriend-chirurg-oncoloog dankzij wie ik na het rampzalig parcours in Gasthuisberg hier bij AZ Middelares eindelijk hulp gevonden heb. Dat het eventueel kanker kon zijn, en dit klinkt misschien naïef, heb ik nooit serieus overwogen. Zelfs toen die Hartenkoningin haar nu nog meer ridicule statement formuleerde ‘Maakt  u geen zorgen mijnheer Hoskens. Als daar iets tumoraals zit, had ik dat toch al lang gezien tijdens de operatie?’, was mijn eerste gedachte: “Waar begint die trut nu weer over?” En zelfs toen dokter Decock voorstelde om een biopsie te laten doen, en dit zal waarschijnlijk helemaal belachelijk klinken, leek mij dat gewoon een formaliteit. Of zelfs niet, leek mij dat gewoon een manier om eindelijk nu eens te weten komen wat voor een weefsel daar zat – maar het was al zeker geen kanker; daar was geen onderzoek voor nodig, dat was al duidelijk voor iedereen. Het is alsof wij mensen niet alleen denken dat we onsterfelijk zijn – zoals Freud voldoende bewezen achtte door die jonge soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog zonder al te veel problemen een bijna zekere dood tegemoet liepen richting mitrailleurs en mortieren en kogels spuwende geweren met een onnozele bajonet in de aanslag – maar er ook nog eens alles aan doen om zelfs de mogelijkheid van de eigen dood zo veel en zo lang als mogelijk te negeren. Een beetje zoals een kip die zelfs als ze doodziek is nog altijd doet alsof er helemaal niets aan de hand is want anders, denkt het dier, gaan die vos en die marter mij zeker pakken, de vreetzakken.

Aanvankelijk twijfel ik nog even om Willem te bellen, maar besef al gauw dat ik daar de kracht niet voor heb. Die radio opzetten is blijkbaar zo’n beetje het maximum van wat ik nu nog aankan. Er naar luisteren lukt al bijna niet meer. Dus hoe zou ik in hemelsnaam een gesprek kunnen voeren? Ik opteer dan ook voor een kort mailtje, verontschuldig me dat ik hem weeral lastig val, waarna ik onmiddellijk met de deur in huis val en tegen hem zeg dat het gezwel kwaadaardig blijkt te zijn. Ook, na al mijn slechte ervaringen met Mombaerts, heb ik geleerd niet langer af te gaan op titels en profiteer van de gelegenheid om de naam van de oncoloog van AZ Maria Middelares door te geven met de vraag of Willem die kent en weet of dat een goede oncoloog is. 

Na het sturen van de mail, zet ik mijn auto in gang en rijd de stalen parking van drie verdiepingen hoog af, richting autostrade. Nog meer oranje lichtjes wenken me daar richting Kortenberg, in vogelvlucht 8 kilometer van het hatelijke Gasthuisberg, maar nu meer dan 70 kilometer verwijderd van mij. De vorige keren heb ik het verschil in afstand er zonder problemen bij genomen, maar nu lijkt mij de enorme afstand plots onoverbrugbaar. Op automatische piloot volg ik de oranje lichtjes van de verlichtingspalen voor mij. En na een aantal kilometer zie ik alleen nog de witte strepen op het donkere asfalt passeren. Dan, opeens, bevind ik me, met wagen en al, in een tableau vivant. Voor mij zit er een oude, vuile heks met vettig lang haar, aan een bureau in een volledig witte kamer afgebakend tot op de centimeter door de witte strepen. Wanneer mijn lichten haar raken, draait ze haar hoofd om naar mij, spert haar mond met donkerrode, dik aangebrachte lippenstift wagenwijd open en gilt met een vreselijke, krakende stem: “Maakt  u geen zorgen mijnheer Hoskens! Als daar iets tumoraals zit, had ik dat toch al lang gezien tijdens de operatie?!” Wanneer ik haar omver rijd, begint ze krijsend te lachen. Uiteindelijk zal ik haar op weg naar huis zo’n honderd keer omver rijden. En ze blijft maar lachen.

Nog voor ik thuis kom, antwoord Willem me al. God zij dank ben ik net gearriveerd in de Armendaalwijk van Kortenberg waar sinds kort een snelheidslimiet van 30km/u geldt omdat de arme buurtbewoners het schandalig vinden dat door werken in de straat beneden nu de auto’s tussen hun chique villa’s door moeten rijden. Dit ondanks het feit dat vlak voor de werken slimme camera’s op strategische punten in dienst genomen zijn die alle sluipverkeer tussen Brussel en Leuven uit alle Kortenbergse straten bannen op straffe van zware financiële boetes. Terwijl hetzelfde sluipverkeer jaren aan een stuk en masse door de gewone straten van Kortenberg aan 70km/u en meer denderde. Dat het kleine restant van auto’s nu aan 30 km/u maximum door Armendaal mag rijden is bovendien gewoon een logische keuze want zo’n wijk met huizen die op twintig meter van elkaar en op minstens 10 meter van de straat liggen, is toch zeer gelijkaardig aan een schoolomgeving in het centrum van een stad met drukke kruispunten in de buurt en zebrapaden alom, of niet soms? En ja, het helpt natuurlijk wel als je ook nog wat connecties hebt met het gemeentebestuur via lokaal verankerde schepenen. Hoe dan ook, ik prijs me gelukkig onmiddellijk over een vrije parkeerplaats van zo’n twintig meter lang tussen twee andere auto’s in te beschikken en kan me dus even stil zetten terwijl ik het berichtje rustig lees.

Willem zegt me dat het hem spijt dat ik zo veel pech heb maar spreekt me ook moed in. Hij zegt dat tegenwoordig in twee op de drie gevallen genezing van een tumor mogelijk is en dat we daarvoor moeten gaan. Hij vraagt of ik hem de resultaten van de biopsie en de CT-scan kan laten bezorgen en dat hij mee zal uitzoeken wat de beste behandeling is. Het eenvoudige, geruststellende bericht brengt me aan het huilen en voor het eerst sinds de diagnose eerder op de avond rollen de tranen over mijn wangen. De tranen zijn echter niet alleen omwille van de diagnose, maar ook van opluchting. Want wat Willem mij probeert te zeggen, is dat er nog hoop is. Dat het misschien toch nog mogelijk gaat zijn om te genezen. Iets wat ik sinds het verdict viel twee uur geleden niet meer voor mogelijk hield. Uitstel van executie dat leek mij zowat het meest haalbare. Ik antwoord: “Echt superhard bedankt Willem! Ik zou willen dat iedereen zo’n chirurgenvriend als jou had.” Maar ik heb mijn opluchting en dankbaarheid nog maar net op mijn scherm gesmeten of de twijfel slaat weer toe. Het is vooral de ligging van het gezwel en de staat van mijn oog dat mij zorgen baart. Ik voeg dan ook nog snel toe: “Want zo’n groot ding in een oogkas, in zo’n zacht weefsel, in het hoofd, dat klinkt voor mij toch dodelijk, moet ik zeggen.” Wat betreft de oncoloog van AZ Middelares weet Willem me nog te melden dat hij hem inderdaad kent en volgens hem bijzonder competent is. Ook dit laatste doet deugd om te vernemen want het belang van ‘in goede handen te zijn’ wordt zwaar onderschat in deze wereld van onsterfelijke mensen met witte tanden en triomfantelijke bucket lists op Instagram en co.

17 december 2018 18u30 – Een echt wit konijn uit een hele hoge hoed

Ik zou naar Tin willen bellen, maar dat gaat niet want zij is op dit moment avondles aan het geven. Dus bel ik vlug naar Victor, mijn vriend die het beste weet om te gaan met menselijke zwakheden, met incasseren en in ruil niets terug eisen, buiten misschien mijn onvoorwaardelijke liefde, maar die heeft hij al. Bovendien heeft hij ook heel weinig last van buitensporige verwachtingen naar anderen toe. Bij hem loop ik dus het minste risico op ongewenste gevolgen, zoals wederzijdse teleurstellingen, teleurstelling bij mij in hem omdat hij ook niet weet hoe om te gaan met zo’ne hoop shit en teleurstelling bij hem in mezelf omdat ik niet sterk genoeg ben om het allemaal op mijn eentje te dragen. 

Hij probeert mij zo goed als mogelijk op te vangen. Luistert vooral. Daar is hij altijd al bijzonder goed in geweest, Victor. Misschien komt dat wel door zijn spierziekte? Is hij al gans zijn leven, of toch sinds zijn zesde, toen die ziekte begon, verplicht om te luisteren naar al die zever van al die anderen? Weglopen kan hij gewoon niet. Achteraf ontdek ik op de maandelijkse factuur van Telenet dat we in totaal 12 minuten en 36 seconden gebeld hebben. Waarover, of wat we allemaal gezegd hebben, weet ik niet meer zo goed. Ik herinner me vooral een gevoel van totale wanhoop, van zwaar gefucked te zijn, en de naam Mombaerts die herhaaldelijk viel samen met wat krachttermen. Ook Gasthuisberg kwam uitvoerig aan bod. Hoe dat die mensen met mijn leven gespeeld hebben, van in het begin tot op het einde, is gewoon hallucinant, vindt ook Victor. Na afloop van het gesprek probeer ik mijn gedachten verder te ordenen. Alles op een rijtje te zetten. De conclusie is eigenlijk heel simpel: dat ding aan mijn oog moet er onmiddellijk uit. Of toch zo snel mogelijk. Liefst vandaag nog. Ten laatste morgen. Dankzij die onnozele trut, Hartenkoningin, zit het er al veel te lang. Dat moet er zo snel mogelijk uit.

Als ik bij Dokter Decock terug aankom, en mijn eis op tafel smijt, reageert hij direct heel terughoudend. Onmiddellijk opereren gaat niet zegt hij. Er moet eerst nog vanalles onderzocht worden. “Nog bijkomend onderzoek?,” reageer ik geïrriteerd. Ik heb gewoon geen zin meer in verder uitstel. “Wat moet er dan allemaal nog onderzocht worden?,” vraag ik uitdagend. “Wel, ik ben zelf geen oncoloog,” valt hij terug in zijn rol van danspartner, “maar ik heb wel overleg gepleegd met een oncoloog van het ziekenhuis hier. En het eerste wat onderzocht moet worden is of dat gezwel primair of secundair is. Afhankelijk daarvan kan er een behandeling opgestart worden. Primair wilt zeggen dat het gezwel zich enkel daar bevindt en nergens anders. Secundair wilt zeggen dat er zich elders ook nog andere brandhaarden bevinden.” “Ik vermoed dat primair het beste zou zijn,” opper ik stilletjes. “In principe wel,” zegt hij, “alhoewel dat niet noodzakelijk zo is. Dat hangt van de individuele casus af. Maar vooral ook is er het type tumor dat u hebt. Dat doet zich meestal voor bij mensen die longkanker hebben en daarom is de mogelijkheid dat het bij u secundair is reëel. Dus dat moet zeker eerst afgechecked worden. Zodat de juiste behandeling opgestart kan worden.” “En wat voor onderzoeken gaan dat dan zijn?,” reageer ik, zeer verveeld omdat zijn discours weer zo logisch in mekaar zit. “Bijkomende scans, voor zover ik het begrepen heb. Maar ik stel voor dat u dit allemaal bespreekt met de oncoloog, mijnheer Hoskens. Hij is de specialist op dit domein.” “En welke oncoloog is dat dan?” “Een oncoloog van dit ziekenhuis. Een heel competent man, als u het mij vraagt. Als u wil, ik heb al een afspraak met hem geregeld. Ik heb een beetje moeten aandringen want zijn agenda zit ook stampvol. Nu woensdag, overmorgen, om 12u30 op de middag, gaat dat voor u?” “Ja natuurlijk, gaat dat. Vanaf nu gaat alles kunnen voor mij, denk ik,” antwoord ik moedeloos.

Maar verder uitstel zie ik echt niet meer zitten, na al de tijd die ik al verloren heb in Gasthuisberg en breng dat dan ook terug sprake. En hier komt nu de aap uit de mouw. Of toch een wit konijn, zo’n klassiek konijn dat uit een hoge hoed komt, niet die eerste assistente van Hartenkoningin met de blonde snorharen. Want op dit punt aangekomen voelt Dokter Decock zich verplicht zijn confrater in bescherming te nemen. Hij zegt, “Mijnheer Hoskens, wat betreft Professor Mombaerts, zo’n verkeerde diagnose had ik misschien ook nog wel gemaakt. Het is bijzonder zeldzaam, een gezwel op die plaats, begrijpt u? En dan met die locatie… Ik had misschien ook wel gedacht dat het een ontstoken traanzakje was.” Decock voelt mijn protest al komen en steekt zijn hand op om het af te weren. “Maar waar u wel gelijk in hebt, vind ik, is dat de opvolging echt wel niet correct is geweest. Als je zegt “dat heb ik nog nooit gezien”, op dat moment moet je als arts beginnen onderzoeken wat er juist aan de hand is.” 

Ik kan mijn oren even niet geloven. Vraag me af of dit een directief zou zijn van de Orde der Geneesheren: ‘Dek mekaar altijd in. Zelfs als het overduidelijk is dat uw confrater zware fouten heeft gemaakt.’ Nu, hij mag misschien zo’n directief ontvangen hebben, ik niet. Bovendien ben ik hier onmiskenbaar het slachtoffer. Van de incompetentie van een oftalmoloog, van de onmetelijke arrogantie van een katholieke universitaire kliniek of van het falen van een systeem of alles samen. Daarom antwoord ik ook: “Ik geloof u niet, Dokter Decock, als ik zie hoe systematisch u de dingen aanpakt. U hebt in twee weken tijd duizend keer meer gedaan dan Professor Mombaerts op zes of acht maanden tijd. U beseft toch dat het enige dat zij gedaan heeft op al die tijd gewoon wat duwen met haar wijsvinger op die bobbel is geweest? En dat ze voor de rest niets gedaan heeft? Buiten een verkeerde operatie uitvoeren? En wat antibiotica voorschrijven? Misschien zelfs in dat gezwel heeft zitten snijden? Het ding in mijn ooghoek is in ieder geval helemaal ontploft door die operatie.” Hier doet dokter Decock er het zwijgen toe. Ik vraag nog achter de naam van de oncoloog en verlaat letterlijk als een kip zonder kop de consultatieruimte, bots tegen enkele muren op weg naar buiten en een andere bezoeker in de grote draaideur beneden. Bij mijn auto aangekomen, ga ik bijna door mijn knieën. Ik kan ze nog net op tijd blokkeren door mijn spieren op te spannen. Als ik de deur eindelijk open krijg, laat ik me zijdelings vallen in mijn zetel en trek mijn benen met mijn handen naar binnen. Zoals Victor vroeger altijd deed, toen hij zelf nog kon wandelen. Een vijftal minuten zit ik enkel wat te ademen in mijn auto. Wat voor me te staren naar dat kunststoffen dashboard met die oranje lichtjes. Dan zet ik de radio aan op zoek naar die wereld die toch bestond tot zo’n uur geleden. Het is net nieuws. En ze zijn weeral over die onnozele Brexit bezig.

17 december 2018 18u15 – Het zwaard valt

Opnieuw is er die rug. Maar deze keer ziet hij er wel een beetje anders uit. Een beetje krom en scheef. Hij hangt wat door naar links. En als ik ga zitten in de consultatiezetel blijft hij deze keer naar het computerscherm kijken. Dan draait hij zich weg van het scherm in mijn richting, maar enkel met zijn hoofd en nek, die rug en schouders blijven staan in die hoekige, scheve houding en zegt: “Mijnheer Hoskens, ik vrees dat ik slecht nieuws heb. De biopsie heeft aangetoond dat dat gezwel aan uw oog kwaadaardig is.” 

Ik spring recht uit de zetel, richting deur, overweeg nog even terug naar buiten te lopen want er is duidelijk iets misgelopen. De deur is echter plots verdwenen. Of ze staat er nog wel, maar ik voel zo aan dat je die niet meer open krijgt. Ik draai me terug om, naar die rug, deins terug tot tegen de muur en grijp mijn haar vast. Ik vraag: “Kwaadaardig? Zoals in ‘kanker’? Heb ik kanker?” “Ik vrees van wel,” antwoordt hij, “of u hebt toch een kwaadaardige tumor daar, ja.” Het dringt nog altijd niet door. Kanker? Ik? Mijn ouders hebben nooit kanker gehad. In mijn familie zijn er enkele kankergevallen geweest. Maar telkens op oudere leeftijd. Ouderdomskanker, zo noemden wij vroeger de ziekte van mijn grootvader. 87 is hij geworden. Maar kanker op vijftigjarige leeftijd? Nooit. Of toch niet dat ik weet. Dan kan dit toch niet? Ik sta daar nog steeds tegen de muur met mijn handen in mijn haar. Dokter Decock heeft zich ondertussen wel helemaal omgedraaid en bekijkt me met grotere ogen dan ik gewoon ben van hem. Hij lijkt ook een beetje zenuwachtig want hij zit te draaien met een pen of iets anders in zijn handen. 

Blijkbaar heb ik mijn laatste conclusie luidop uitgesproken want Dokter Decock reageert: “Toch is het zo, mijnheer Hoskens. Eerlijk gezegd had ik dit ook niet verwacht. Dat komt niet zo vaak voor op die plaats in een menselijk lichaam. Maar de CT-scan maakte me wel een beetje ongerust. Zo’n rare vorm had ik ook nog nooit gezien. Misschien dat u dat toen wel gemerkt hebt?” De stem van dokter Decock klinkt steeds verder en verder weg. Het is alsof ik met een lift aan het afdalen ben in een tunnel en dat hij boven is blijven staan. Ik kijk om mij heen en zie toch opnieuw de langgerekte bureau tegen de muur, het vertrouwde computerscherm, de consultatiezetel links onder het raam waar het zo aangenaam dansen was. Dat ziet er allemaal nog altijd hetzelfde uit. Wat is er hier dan net gebeurd? Dokter Decock is blijven voort babbelen. Hij zegt nog vanalles maar ik zit blijkbaar al redelijk ver in die tunnel. Ik beslis om terug in de zetel te gaan zitten. Door mezelf vast te haken aan een van die objecten hier kan ik misschien gemakkelijker terugkeren. Dan hoor ik mezelf vragen met nog steeds de handen in mijn haar: “Ga ik dan dood gaan? Ga ik sterven aan die tumor? Is dat hetgeen u bedoelt met ‘kwaadaardig’?” De vraag overvalt hem blijkbaar. Hij kijkt even in het rond en zegt dan: “Neen, u gaat nu niet sterven.”

Die nu stoort mij mateloos. Dus herhaal ik: “Ga ik sterven aan die tumor? Door die trut?! Wat heeft die allemaal niet gedaan???” Even val ik stil want het besef van wat er allemaal gebeurd is, slaat verder toe. Terwijl ik me vastklamp aan de zetel zie ik alles terug langs flitsen: die maanden van wachten, de operatie in Leuven, hoe nadien het ding in mijn oog ontplofte, hoe ik moest aandringen om hulp te krijgen… en dan nog niets kreeg buiten wat antibiotica en cortisone. “En ik was daar keivroeg bij!,” roep ik plots terug uit met mijn handen opnieuw ergens boven mijn oren. “Dankzij mijn zwembrilletje! Dankzij het zwemmen! Dat was een keiklein bobbeltje toen ik voor het eerst naar die onnozel oogartsen ging! En ziet dat nu! Hoe groot dat gezwel niet is! Is dat kanker???” Dokter Decock kan het even niet meer aan of anders voelt hij zich aangesproken door die ‘onnozel oogartsen’ want hij zegt: “Sorry, mijnheer Hoskens, ik ben dit ook niet gewoon. Om zo’n slecht nieuws te brengen bedoel ik. Maar u gaat nu niet sterven. We moeten nu zien wat de volgende stappen zijn in uw behandeling. Ok?” Ik voel me een beetje aangesproken als een schoolkind dat iets fouts gezegd heeft in de klas en terecht gewezen wordt. Maar ik ben geen schoolkind. En ik heb niets fouts gezegd of gedaan. Dokter Decock voelt, denk ik, de plotse vijandigheid en beslist een time out in te lassen. Hij zegt: “Wilt u anders even bekomen? Even op uzelf zijn? Anders kunt u even naar een bureau iets verder in de gang? Ik weet dat die nu vrij is. U kunt daar misschien ook een telefoontje plegen?”

7-8 december 2018 – Sprekende neutrino’s op weg naar een kijkoperatie

Ongelooflijk. Het verschil met Gasthuisberg blijft me verbijsteren. De vrouw van het verplichte elektrocardiogram, de man van de echografie van mijn hart, het administratief en verplegend personeel richting kijkoperatie, allen, zijn de vriendelijkheid zelve. En, toch even zeggen, niet in die fake american flashy teeth style kind of way. Het zijn telkens gewoon mensen, die goed of te weinig geslapen hebben, kinderen of hobby’s hebben of beiden, zoals wij allen. Wat een verschil met die wandelende en pratende machines van Gasthuisberg. En als zelfs de verpleegster hier zich persoonlijk komt voorstellen voor de operatie valt mijn mond helemaal open. In Gasthuisberg stelt niemand zich voor. Vragen ze je gewoon om op de tafel te gaan liggen. Enkel als je zelf moeilijk begint te doen en wat vragen begint te stellen, gaan zij ook een keer moeite doen. En de situatie van het verplegend personeel in Gasthuisberg is nog erger. Die mogen hun mond zelfs niet open trekken in aanwezigheid van al die geleerde mensen. Dat zijn idealiter neutrino’s, die alomtegenwoordig zijn en als een zwarte, anonieme massa tussen al die overbelichte atomen doorheen glijden, liefst zonder dat iemand er last van heeft. 

Decock zelf zie ik voor én na de operatie. Die hooghartige en zelfvoldane professor Mombaerts heb ik bij de operatie in Sint-Pieter geen enkele keer te zien gekregen. Ik blijf me zelfs afvragen of zijzelf die verkeerde operatie wel degelijk uitgevoerd heeft. Misschien had ze het uitbesteed aan een van hare vele assistentes en heeft ze gewoon niet het lef om het toe te geven. Of vindt ze dat het niet mijn zaken zijn. Ik zou het alvast niet kunnen zeggen want ik heb haar gewoon niet gezien. Dit alles betekent dat de eindscore Decock-Mombaerts enkel en alleen al op het vlak van communicatie tijdens een operatie 2-0 wordt. Voor de operatie kwam Decock langs om te kijken of alles goed ging. Toegegeven, eigenlijk dus om mij gerust te stellen. Maar waarvoor dank. Na de operatie kwam hij terug langs. Ditmaal om te zeggen dat de operatie goed verlopen was. Ik herinner me vaag dat ik nog vanuit mijn slaap vroeg of “het er goed uitzag daar binnen?” En dat hij antwoordde “Ja, ik denk het wel. Het ziet er in ieder geval uit als een witte, consistente massa.” Maar hij kwam dus opnieuw langs. Waarvoor opnieuw dank. 

Ok, die wachtkamer voor de operatie (in Gasthuisberg was dat tegen de muur van een gang), die alles weg heeft van een sjieke kapsalon, inclusief lederen zetels waarvan de beensteunen omhoogklappen als je achterover leunt, is er misschien een beetje over. Zelfs de boekskes liggen klaar op de rand van de kleine bijzettafeltjes. Het doet bij mij in ieder geval de vraag rijzen, en sorry als het een beetje kleinerend klinkt, of er hier soms veel plastische chirurgie of van die vermageringsoperaties enzo plaats vinden.

Deze keer is het van de specialisten de anesthesist die de meeste indruk op mij weet te maken. Hier is het geen waterpijprokende groene rups, maar een viriele veertiger met een donkere baritonstem. Zo’n stem waarvan je als je lang genoeg ernaar luistert in slaap kunt vallen. Niet omdat het allemaal maar wat saai is wat hij weet te vertellen, maar gewoon door het timbre en het ritme waarmee hij spreekt. Deze anesthesist heeft eigenlijk geen verdovingsmiddelen nodig. Die stem alleen al is voldoende voor mij. Bovendien straalt hij ook nog eens enorm veel warmte uit. Hij lijkt oprecht begaan met mij en gaat, denk ik, zeker mee kijken met dokter Decock. Niets gaat aan zijn aandacht ontsnappen. Bijna hadden we onze poëzieboeken uitgewisseld. Het was alleen niet zo praktisch om te doen op die steriele operatietafel.

Als ik op zaterdag terug wakker word in de ochtend, blijkt dat ik een prachtig zicht heb vanuit mijn kamer op een parkje met dennenbomen naast het ziekenhuis. Terwijl de daken van het ziekenhuis zelf dan weer grasvelden lijken te zijn, op hun beurt volledig geïntegreerd in de natuur. Alleen de verpleger waarvan ik ‘s ochtends bij mijn vertrek afscheid neem, heeft diezelfde vreemde blik in zijn ogen als de krullenbol van radiologie. Bij hem is blijkbaar het zicht van mijn gezwollen oog alleen al voldoende om die op te roepen.

4 december 2018 14u00 – Mijn tweede consultatie bij Christian Decock

Wanneer ik in zijn bureau binnen kom, zit hij opnieuw met zijn rug naar mij toegekeerd naar zijn computerscherm te kijken. Misschien is dit zijn favoriete manier om mensen te ontvangen? Zodat de spits afgebeten wordt door een rug in een paar hemdsmouwen? Maar zodra ik ga zitten in de consultatiezetel schiet hij toch in gang. Hij zegt: “Dag Mijnheer Hoskens, ik vrees dat die weefselvorming bij u er toch iets anders uitziet dan bij die andere man het geval was. Komt u even kijken.” En hij nodigt mij uit om ook naar zijn computerscherm te komen kijken. “Kijk, ziet u? Bij die andere man, die Turk, weet u nog?, daar zat ook veel littekenweefsel, maar dat bevondt zich enkel aan de oppervlakte waar het litteken zich ook bevond. Bij u gaat het weefsel ook in de diepte. En het is al een serieuse bobbel, zoals u kunt zien, bijna net zo groot als uw oog. Ziet u?” Ja, ik zie alles op de CT-scan: in spiegelbeeld, een grote, witte bobbel een beetje rechtsonder van mijn linker oog dat dus op zijn beurt ook rechts staat. En zijn uitleg klinkt wederom superlogisch en zo rustig dat het allemaal bijna vanzelfsprekend lijkt. Maar in mijn onderbuik voel ik toch wel weer enige onrust opkomen want wat betekent dit nu weer voor mij en mijn behandeling? Dus vraag ik het hem. 

“Wel,” antwoordt hij, “ik had jou verleden keer gezegd dat we, afhankelijk van de resultaten van de CT-scan, misschien wat bijkomend onderzoek gingen moeten doen, niet?” Dat kan ik alleen maar beamen. “Wel, mijnheer Hoskens, ik vrees dat dit nu het geval is. Als het ok is voor u, zou ik eigenlijk twee dingen willen doen nu: een kijkoperatie doen, om zelf eens te kunnen zien hoe dat er binnen uitziet en tegelijkertijd een biopsie te laten uitvoeren om het weefsel zelf een keer grondig te onderzoeken. Is dat ok voor u?” Ik voel dat we al terug aan het dansen zijn. Maar het voelt wel nog niet aan als een wals. Of we blokkeren voorlopig nog na stap 1. Ik overweeg vlug even mijn opties en stel vast dat ik er eigenlijk geen meer heb. Terug gaan naar die Professor Mombaerts of zelfs dat gedrocht Gasthuisberg is totaal onaanvaardbaar. En hier heb ik tenminste het gevoel dat ze weten wat ze aan het doen zijn. Dus antwoord ik: “Als u denkt dat dat nodig is, dan moet dat maar, dokter Decock. Zegt u maar wat u van mij verwacht.” “Wel, mijnheer Hoskens, de eerste vraag is hoe dat we deze kijkoperatie gaan doen. In principe kunnen we dat enkel met lokale verdoving doen, maar ik weet niet of u dat ziet zitten?” Ik antwoord dat ik niet zo’n held ben als het gaat over snijden in mijn lichaam, dat ik misschien toch liever algemene verdoving zou hebben, indien mogelijk. “Dat is geen probleem, mijnheer Hoskens, dan doen we het onder algemene verdoving. Volgende vraag wordt wanneer?” Het lijkt alsof hij alles al voorzien heeft want in een adem gaat hij door: “Zou eventueel nu vrijdagavond voor u gaan? U moet dan hier zijn tegen een uur of 3 om u in te schrijven en zo. De operatie zelf zou dan om 5 uur kunnen plaats vinden.” Ik vind het voorstel wel grappig want net die vrijdag in de ochtend heb ik mijn al geplande opvolgingsafspraak met Hartenkoningin. Dat betekent niet alleen twee ziekenhuisbezoeken voor mijn eigen persoon op 1 dag, een unicum in een mensenleven lijkt mij, maar vooral ook dat ik die arrogante ijskoningin eens goed op haar plaats ga kunnen zetten na maanden van wachten op enige constructieve bijdrage van haar aan mijn leven. “Ah, stelt u nu voor om iets te doen? Laat maar, ik heb al iemand anders gevonden om het te doen. EN die weet tenminste ook wat hij doet. Dat is lekker meegenomen, vindt u niet?” Zoiets zie ik me al zeggen tegen haar.

Maar de idee van weer onder het mes te moeten, stoot me wel af. Al gaat het maar om een kleine kijkoperatie. Dus vraag ik aan Dokter Decock of hijzelf de operatie gaat uitvoeren. “Ja, natuurlijk,” antwoordt hij. En hoe lang ze gaat duren. “Een uurtje maximum.” En of ik moet blijven slapen in het ziekenhuis dan. “Best wel, denk ik. Als de operatie vroeger op de dag kon plaats vinden, was dat misschien niet nodig geweest. Maar nu, als we de operatie om 5 uur ‘s avonds doen, gaat u denk ik toch iets te groggy zijn om diezelfde avond nog terug naar huis te gaan. En u gaat pas ergens of ten vroegste rond een uur of zeven terug uit de verdoving komen, denk ik. Begrijpt u?” Dat begrijp ik. Dus beslis ik er op advies van de dokter een kijkoperatie met overnachting van te maken. Dan komt die blauwe pyjama, die we samen met heel de familie waren gaan kopen in den Inno van Leuven in september, enkele dagen voor de operatie van Professor Mombaerts, toch nog van pas. Toen had ik uiteindelijk de ganse dag en nacht doorgebracht in het bebloede operatiekleedje met de onmogelijke knopjes. En had ik zelfs de kans niet gekregen hem aan te trekken. Hier gaat dat misschien wel lukken.

4 december 2018 ‘s middags – AZ Maria Middelares

Dit is de tweede keer dat ik in het AZ Maria Middelares ben. Verleden keer was het al laat en donker en was ik zo gefocused op mijn zo belangrijke consultatie bij Christian Decock dat ik niet veel opgemerkt heb van het ziekenhuis zelf. Maar deze keer is het nog volop dag. Bovendien was ik de vorige keer snel snel van het werk in Brussel naar hier gereden en was ik maar net op tijd. Nu was ik zelfs een half uur te vroeg. Zo rustig was het op de baan. En vergeleken met het vorige bezoek ben ik veel relaxter. Voor het eerst sinds lang heb ik het gevoel voortgeholpen te worden en dat geeft terug wat ademruimte en tijd voor andere dingen. Naast dit alles verhoogt vandaag het aantal contactpunten met het ziekenhuis zich aanzienlijk. Ik moet niet enkel op consultatie komen, maar ook een CT-scan laten uitvoeren en nadien een uur hier zien te overbruggen in afwachting van de eigenlijke consultatie. Tijd genoeg dus om alles een keer goed te observeren. 

Twee dingen vallen me op. Het ziekenhuis is in al zijn spiksplinternieuwigheid supersimpel en dus supertoegankelijk georganiseerd. Vanuit de ene, grote, centrale patio worden de patiënten of bezoekers efficiënt uitgestuurd over het ganse gebouw. Wat een verschil met Gasthuisberg dat een reusachtig doolhof is met al zijn onderdelen en specialisaties. Natuurlijk, de schaal van beide gezondheidszorgondernemingen is volledig anders. In Gasthuisberg werken er meer dan 10,000 mensen. Hier misschien een goede 2,000? Maximum? Dus dit zal, minstens gedeeltelijk, het verschil verklaren. Het is gewoon gemakkelijker om een kleinere groep van mensen met een beperkt werkingsgebied te organiseren dan een hele grote groep van mensen die verondersteld wordt het ganse menselijke lichaam van a tot z klinisch te beheersen.

Maar er is nog een tweede ding dat mij nu pas enorm opvalt. Verleden keer had ik buiten Decock enkel nog zijn exotisch ogende secretaresse en zijn goedlachse, rossige assistent ontmoet en veronderstelde ik dat alleen binnen de bubbel van de door hem geleide praktijk zo’n gemoedelijke sfeer kon heersen. Maar nu stel ik tot mijn grote verbazing vast hoe vriendelijk de mensen hier allemaal wel niet zijn. En dit is pas echt een schokkende ontdekking na Gasthuisberg. In tegenstelling tot daar ben je in dit AZ geen nummer, dat door het gigantische, veelarmige monster eventjes opgeslokt wordt om nadien terug uitgespuwd te worden op straat, met een been minder of een extra neusgat of een gezwollen oog zoals ik. Hier word je behandeld als een mens. Bovendien lijkt dit te gelden voor de ganse organisatie; de mensen aan de receptie zijn supervriendelijk, het verplegend personeel is supervriendelijk, zelfs de specialisten hier blijken later telkens en allen weer supervriendelijk te zijn. Alleen al voor het personeel zou ik naar dit ziekenhuis komen als ik hier in de buurt zou wonen. 

En dit is geen kwestie van schaal meer. Dit is puur bedrijfscultuur. En, opnieuw, voor mij, na mijn wedervaren bij Gasthuisberg, is dit een ware cultuurschok. In de volle betekenis van het woord. In het begin vraag ik me zelfs af of ik niet aan het dromen ben en van Wonderland terecht gekomen ben in Dromenland. Die hoge, open patio baadt met al zijn witte muren en glazen partijen in ieder geval ook in zo’n felwit licht. Dus dat zou wel kunnen kloppen. Maar als ik dan in mijn armen pits, merk ik dat het toch geen droom is. Het is alsof in Gasthuisberg met al zijn specialismen en onderdelen een afstand met de patiënt ontstaan is die hem alleen maar verder ontmenselijkt heeft. Je bent geen mens, je bent een oog, of een hart, of een been, of nog een ander op zichzelf staand lichaamsonderdeel. En op dit zo al moeilijk te beheersen mechanisme van specialisatie heeft er zich dan ook nog, misschien ook via de associatie met de KU Leuven, zelf ook al niet gespeend van enige grootheidswaanzin, een arrogantie geënt binnen alle geledingen van de organisatie. Want van boven tot onder op die berg is ieder individueel alleen maar verantwoordelijk voor dat ene kleine stukje dat onder hun functiebeschrijving valt. En zolang ze maar in dat ene kleine stukje de allerbeste zijn, als het enigszins kan de beste van de wereld, is het goed. Hoe dit echter past in een groter geheel dat uiteindelijk uitmondt in een mensenleven, met kinderen, vrienden, een beroep en andere sociale vertakkingen, daar wordt totaal geen rekening meer mee gehouden. Daar staat dit AZ tegenover: hier heeft men wel op een of andere manier een end-to-end benadering van de patiënt als mens weten te bewaren. En dus wordt er hier wel tegen een persoon gesproken, niet een wandelende zak van organen. De tegenstelling kan niet groter zijn. Ze, UZ Gasthuisberg te Leuven en AZ Maria Middelares te Gent bevinden zich beide op de tegenpolen van dit spectrum: groot, anoniem en onpersoonlijk versus klein, met naam en toenaam (er wordt net niet naar mijn koosnaam gevraagd) en menselijk. 

Met verwonderde ogen sta ik, na de lunch in het open restaurant achteraan, in de grote hal rondom mij te kijken om dan plots een witte pancarte op te merken achter de receptie met daarop in blauwe letters: ‘AZ Maria Middelares Gent: GezondheidsZorg met een Ziel’. Dat is de nagel op de kop, vind ik. Dit ziekenhuis staat voor iets en heeft een ziel. Het is geen gedrocht dat met haken en ogen aan mekaar hangt met daar een rode lijn voor cardiologie en daar een gele voor radiologie en daar een groene voor neonatologie. Het is één organisatie met één cultuur die door al de onderdelen ervan gedeeld wordt. Zelfs die oerkatholieke naam, Maria Middelares, belichaamt voor een atheïst als mij volledig dat wat het is. Deze organisatie brengt effectief genade en verlossing naar die lijdende mensen hier in alle bescheidenheid, ontdaan van alle maskers, sociale tierelantijntjes en extreme afhankelijkheidsrelaties. We zijn allen één. Nu is het misschien de beurt aan jou, maar de volgende keer is het misschien de beurt aan mij. Zo wordt er hier omgegaan met elkaar. Eerlijk gezegd, ik was vergeten dat zo’n plekken bestonden. 

4 december 2018 12u30 – CT scan

Dit is mijn eerste scan ever. Om een of andere reden moet ik voortdurend denken aan A Space Odyssey 2001 van Kubrick. En dan vooral aan die scenes op het einde van de film waar die astronaut ook in een soort van capsule ligt en dan eerst wat lichtflitsen ziet passeren om dan wat sprongen eerst naar het verleden en dan zelfs naar de verre toekomst te maken. Zoiets verwacht ik.

De dame die me ontvangt behoort opnieuw tot het rondborstige type en heeft prachtig krullend haar. Nog nooit zoveel fysiek contact gehad met onbekende vrouwen in gans mijn leven, valt me plots in. Om het helemaal af te maken, zegt ze dat ik me volledig moet uitkleden. Op mijn slipje en sokken na. Die mag ik aanhouden. In het hokje zelf hangt er ook nog een papiertje omhoog waarop gezegd wordt dat ook alles van metaal hangende aan het lichaam verwijderd moet worden indien mogelijk. Die indien mogelijk zal misschien op die ene stifttand van titanium slagen die zich van voor in mijn gebit bevindt. Maar die ring en die smartwatch moeten dus ook weg. Er wordt wel bij gezegd dat het ziekenhuis zelf geen enkele aansprakelijkheid aanvaardt voor verdwenen voorwerpen in de loop van het onderzoek. Hetgeen ook wel logisch is want anders zou je hier naartoe kunnen komen, in het kleedhokje gaan en dan nadien gewoon klacht indienen dat die ene armband van puur goud met diamanten in, een erfstuk van die glorieuze opa, verdwenen is. En wie gaat dat vergoeden? Maar bon, bij afwezigheid van zo’n erfstukken, noch fysiek noch virtueel (in mijn familie droegen stamvaders nooit armbanden, en al zeker niet van goud of met diamanten in, stel je voor dat die van je arm zouden vallen terwijl je in het patattenveld onkruid stond te wieden), beslis ik mijn spullen in mijn zak met boek en portefeuille te steken en ze zo mee te smokkelen in het onderzoekslokaal.

De rondborstige dame doet de deur aan de andere kant open en checkt of mijn vestimentaire code in orde is. Wanneer ze terug weg kijkt, kan ik opgelucht mijn adem loslaten. Ze wijst naar een ligbank iets verder in de gang achter de deur en vraagt me om daar op te gaan liggen en een beetje tot rust te komen terwijl ik wacht. Geschrokken kijk ik vlug naar beneden om te verifiëren of er daar soms van enige ongerustheid sprake is. Als blijkt van niet, vraag ik vlug: “Tot rust komen? Wat bedoelt u daarmee?” “Gewoon even gaan liggen. Even op adem komen. Ik ga zo snel ik kan u komen voorbereiden voor de scan.” “Ah, ok,” antwoord ik beduusd.

Als ze terugkomt, heeft ze een doosje in haar handen. En uit het doosje haalt ze een plastieken verpakking met daarin een infuus. In snelheid genomen vraag ik wat ze gaat doen. “Ik ga deze infuus plaatsen zodat we straks vlak voor de scan een contrastvloeistof kunnen toedienen. Dat is om beter te kunnen zien wat waar zit. Begrijpt u?,” vraagt ze vriendelijk. De uitleg is maar zozo, maar ik herinner me plots dat ik heel lang geleden, toen ik nog maar een jaar of acht was, een röntgenfoto van mijn nieren heb moeten laten maken omdat ik regelmatig last had van nierontstekingen. Dat was op een glazen plaat dat ik moest liggen, als ik me goed herinner. Dus dat was geen scan. Maar daar heb ik ook wel een contrastvloeistof toegediend gekregen. Met een gigantische spuit. In mijn herinnering groter dan mijn arm zelf. Het zou nadien een van mijn grootste jeugdtrauma’s worden. Dus vraag ik nu even of dat nu ook met zo’n grote spuit zal zijn. De krullen beginnen te lachen: “Neen hoor, helemaal niet. Die contrastvloeistof zal u via dit infuus toegediend worden. En van de rest zal u gewoon niets zien want u zal dan al in de tunnel liggen.” “De tunnel?” “De scan. Het enige wat wel een beetje vreemd zal zijn is dat u het plots, maar wel maar even, heel warm zult krijgen. Niet van de scan. Maar van de contrastvloeistof. Die is gemaakt op basis van jodium. Hetgeen vroeger vooral ook nog gebruikt werd als ontsmettingsmiddel, herinnert u zich dat nog?” Ik antwoord van wel. “Dat is gewoon een van de neveneffecten. Niets van aantrekken voor de rest.” “Ik kan al niet wachten,” antwoord ik met een grimas.

Over de scan zelf kunnen we kort blijven. Wat behouden bleef van mijn verwachtingen was het capsulegevoel want het is echt wel een lange buis waar je volautomatisch in geschoven wordt. Het is alleen vreemd dat ze aan de andere kant weer open is, maar dan zie je daar boven je hoofd allerlei digitale lichtjes oplichten met bewegende letters en cijfertjes zodat je toch volledig in de ruimtetriptrip kunt blijven. En als je dan, na een tijdje, nadat ook die contrastvloeistof in je lijf gespoten is, er terug in verdwijnt en alles van metaal om je heen begint draaien, ben je helemaal vertrokken met je Sojoez. Wat niet bleef behouden van mijn verwachtingen waren de lichtflitsen en de bijhorende flash-backs of flash-forwards. Eigenlijk lig je maar wat te liggen. Ongerust over alles wat er rondom jou aan het gebeuren is. Met een infuus in je arm. Te wachten tot dat het gedaan is. 

Wanneer het afgelopen is, is het plots een mannelijke verpleger of radioloog die mij helpt om terug los en recht te komen. Niet dat ik op dat moment veel zin heb in extra stimuli in de vorm van rondzwevende nimfen. Maar bij het verlaten van de scanruimte zie ik de leuke krullebol wel raar opkijken vanuit het aparte lokaal met de vijfdubbelige beglazing. Niet dat ik er veel uit opmaak, maar de frivoliteit lijkt volledig weg. En die vreemde lege blik in haar ogen waarmee ze mij nakijkt blijft ook hangen om een of andere reden.