10 oktober 2018 – Major Tom to Ground Control

“Hallo? Met de dienst oftalmologie van Gasthuisberg?”

“Dag Mevrouw, u spreekt met Patrick Hoskens. Ik ben onlangs, een tweetal weken geleden, geopereerd door uw diensten in Sint-Pieter aan een ontstoken traanzakje. Maar het probleem is dat ik het gevoel heb dat de wonde niet juist evolueert. Zo heb ik de indruk dat ze eerder dikker wordt dan dunner. En dat kan toch niet de bedoeling zijn, of wel soms?”

“Wanneer bent u juist geopereerd, mijnheer Hoskens?”

“Op 26 september.”

“En wie was uw behandelende arts? Ik probeer uw dossier hier terug te vinden.”

“Professor Ilse Mombaerts.”

“Dank u… Wacht, mijnheer Hoskens, ik stel voor dat ik een keer check met de dokter van wacht wat we het beste doen. Hebt u even tijd?”

“Ja hoor, ik wacht wel.”

“Ik ben zo terug. Ok?”

“Ok.”

“Mijnheer Hoskens, ik ben terug. Ik heb net even overlegd met de dokter en ze vraagt of die verdikking waarover u spreekt rood ziet.”

“Neen, ik denk het niet, neen. Allez, ik vind toch van niet.”

“En doet het pijn?” 

“Neen, helemaal niet. En trouwens nu u dat vraagt, dat vind ik ook bizar aan die wonde sinds die operatie. Die heeft dus op geen enkel moment pijn gedaan. Ik heb dus helemaal niets gevoeld van die operatie. Kan het zijn dat die wondlijm die u gebruikt hebt, pijnstillende eigenschappen heeft?”

“Dat weet ik zo niet, mijnheer Hoskens. Maar u zegt dus dat u op dit moment totaal geen pijn hebt aan die wonde?”

“Ja, totaal niet, ik voel helemaal niets daar.”

“Ok. Belt u dan een keer terug wanneer het pijn doet.”

“Sorry?”

“De dokter zegt dat zolang het niet rood ziet of pijn doet er volgens haar niets aan de hand is. Dus laat ons iets weten wanneer het wel pijn begint te doen.”

“Dus ik moet wachten tot dat het pijn doet. Is het dat wat u zegt?”

“We denken dat er niet echt een probleem is, mijnheer Hoskens. Maar als het pijn begint te doen, kunt u ons zeker terug contacteren. Ok?”

“Tja, dat zal dan wel moeten zeker?”

“Dag mijnheer Hoskens.”

“Dag mevrouw.”

Rambo, Iron Man, ze zouden de boel doen ontploffen. Letterlijk.

Eind september / Begin oktober 2018 – de onverwachte communicatie tools van een bedrijf dat op jaarbasis een omzet van meer dan 1 miljard euro realiseert (pour les vieux schnocks comme moi: meer dan 40 miljard oude Belgische frankskens)

Wonderland blijft me verbazen. Als ik na thuiskomst die ontslagbrief nog eens goed bekijk, stel ik vast dat hij eigenlijk uit drie brieven bestaat: de ontslagbrief zelf, een bevestigingsbrief voor de opvolgingsafspraak op 21 december (wat dus pas binnen een goede 3 maanden is) en een kinderachtige tekening op een oranje papierblad – van stripogen uit de jaren ‘50, de eerste uitgaves van Michel Vaillant of zoiets, met enkele simpele tips en tricks voor de onnozel kinderen over hoe om te gaan met de wondlijm die gebruikt werd tijdens de operatie. Maar ik vind dus geen woord, maar dan ook geen woord, terug over het verloop van het herstel. Of over wat dan een typisch herstelverloop zou zijn. Er is een operatie geweest en dan is er drie maanden later een opvolgingsafspraak. Over alles wat er tussenin zou moeten gebeuren, kan gebeuren, zal gebeuren, totale stilte, niets, rien de knots. Wat er dan weer wel in staat in de ontslagbrief zijn dingen zoals ‘we verrichtten op 26-09-2018 een externe dacryocystorhinostomie’ of ‘wegens ernstige totale stenose canaliculus inferior’. Dingen waar je dus geen jota van begrijpt. Zelfs niet met de hulp van Google. Het is alsof er volgens hen maar één ding kan gebeuren en dat is totale genezing met één grote sprong: nu ben je ziek en nu ben je genezen. En ze lanceren enkele spreuken in het Latijn om de periode tussenin ineens te overbruggen. Pure magie, dat is het. 

Nu, uiteindelijk zou dat nog altijd ok zijn, als alles goed zou verlopen. Maar het is net hier dat het schoentje wringt: er klopt iets niet. Ondanks het feit dat ik strikt alle richtlijnen opvolg; er komt geen druppel water aan dat oog; in bad zit ik in een bodempje water van 5 centimeter hoog en als ik mijn mooie krulhaar was, hangt heel mijn hoofd naar achter alsof ik achterwaarts geguillotineerd wordt; twee keer per dag breng ik een Tobradexoogdruppel aan, als ze het niet te druk hebben met de hulp van een van mijn drie assistentes; na twintig jaar intensief zwemmen passeer ik alleen nog maar aan zwembaden terwijl mijn hele lijf en ziel mij naar binnen roept; en ga zo maar door…, evolueert de wonde op een bizarre manier. Of bizar is het eigenlijk niet, het is heel simpel: ze wordt dikker in plaats van dunner. Of nog anders gezegd, in plaats van geleidelijk aan te ‘normaliseren’, wordt het precies erger. Precies, want zeker weet ik het ook niet. Want ik probeer dus een typisch herstelverloop te vinden om mee te kunnen vergelijken, maar vind nergens iets terug. Zelfs niet op Google. Met als menselijk en dus logisch gevolg (of is het andersom? wat zou de Slaapmuis hier gezegd hebben?) dat Tin en ik aan het speculeren slaan. Misschien is het normaal dat die wonde eerst dikker wordt? Om dan nadien spectaculair terug dunner te worden? Misschien wordt die wondlijm geleidelijk aan opgenomen door de huid en volgt nadien een geweldige afslankingsgolf door pure transpiratie-deshydratatie? Misschien ziet dat er alleen gewoon wat slecht uit maar is dat de nieuwe, trendy look van een linkeroog a la Gasthuisbergs? Misschien zijn wij getweeën gewoon ondankbare panikeurs? 

Na twee weken afwachten beslis ik toch een keer te bellen naar dat telefoonnummer dat vermeld wordt in de ontslagbrief voor noodgevallen. Of eigenlijk een van de drie telefoonnummers die vermeld worden helemaal onderaan de brief. Als een reikende hand met drie vingers. Want dat er misschien dan toch postoperatief een probleem kan zijn, dat wordt dan toch niet formeel ontkend. Je weet maar nooit, lijken die laatste zinnetjes op het document te zeggen. Of, ‘voor het geval dat’. Het eerste nummer kan je bellen tot 17 uur – ik vermoed op weekdagen. Het tweede nadien, na 17 uur – ik vermoed ook op weekdagen. En het derde als je rechtstreeks de oogarts van wacht via de telefooncentrale van het ziekenhuis wilt contacteren. Die laatste kun je, hoop ik voor mensen die echt een groot probleem hebben, altijd contacteren. Ik check even het uur. Ik ben op weg van het werk naar huis en het is 18u04. En het is een woensdag. Dus zal het het tweede nummer worden. Het leven kan soms toch eenvoudig zijn.

27 september 2018 – Terug naar huis

“En? Is ze geweest?” “Neen, ik heb haar niet gezien.” “Allez, dat meent ge toch niet?!” Tin is nog steeds kwaad over hoe zij en de kinderen me gisteren hier aantroffen in bed. En dat de Hartenkoningin dan ook nog eens voortdurend haar kat stuurt, niet de Kolderkat, maar haar eigen niet-geïnteresseerde en niet-betrokken kat, maakt haar helemaal razend. Ik probeer wat rust en kalmte te brengen in de kamer. “Een van haar assistentes is gisterenavond laat langs gekomen. Ze heeft me gezegd dat we ons geen zorgen moesten maken. Dat de operatie goed verlopen is. En dat dat bobbeltje, net zoals die verdikking, de komende dagen en weken geleidelijk aan weg zal gaan.” Tin wilt echter van geen wijken weten. Ze stelt voor om toch te wachten op professor Mombaerts en haar eens goed ons gedacht te zeggen. “Ja maar, Tin, voor hetzelfde geld komt die hier pas door rond een uur of twee. Wil je daar op wachten?” Ze begint te twijfelen. “En om wat te bereiken? Om haar te zeggen dat ze in het vervolg die patiënten van haar een beetje proper moet achterlaten? Om haar te zeggen dat ze dat bolletje gemist heeft? Denk je dat ze mij dan terug gaan opereren? En bovenal, ze hebben zelf gezegd dat alles goed verlopen is. Dat het nu gewoon een kwestie van tijd is voor dat alles zich hersteld heeft. Zij zullen toch wel weten wat ze zeggen, zeker? Dat is hier wel een universitaire kliniek, hoor. En niet zomaar een, maar ook nog eens de grootste van België.” Het feit dat het de grootste is van België kan Tin duidelijk niets schelen, maar de verwijzing naar al die kennis die zich hier ergens moet ophouden in deze lokalen lijkt wel te werken. Om mijn woorden nog wat kracht bij te zetten, open ik de ontslagbrief en lees haar voor wat daar staat: “Kijk Tin, dat zeggen ze hier: ‘De ingreep verliep vlot. Postoperatief was het verloop onverwikkeld.’ Ok?” Terwijl haar ogen het document scannen, zie ik het laatste verzet van Tin uit diezelfde ogen wegebben. Zelf wil ik om eerlijk te zijn gewoon zo snel als mogelijk weg uit het ziekenhuis. Eén dag en één nacht is ruim voldoende voor mij om mijn vijfentwintigjaarlijkse portie ziekenhuisverblijf – het was de tweede keer in mijn leven dat ik geopereerd werd – te nuttigen. Daarnaast is er die door mijn ouders ingelepelde burgerlijke gehoorzaamheid die me voor de zoveelste keer in mijn leven de das omdoet. Een echte held, zoals Rambo of Iron Man, zou het kot afbreken en ze met de revolver in de hand dwingen om te doen wat ze moeten doen. Ik niet. Ik ga gewoon braaf naar huis.

Maar Tin vindt dat blijkbaar wel stoer zo’n kaduuk oog. Of anders is het allemaal gewoon haar manier om terug een beetje balans of carrément eigenwaarde te brengen in ons leven. Want, zonder dit op voorhand afgesproken te hebben, eindigen we na een korte wandeling door de stad in de Portobello op de Bondgenotenlaan. En Tin vindt blijkbaar dat ik iets verdiend heb. De nieuwe collectie is net gearriveerd en een dure leren pilotenjas en dito stevige schoenen bekrachtigen na een kwartiertje shoppen mijn nieuw imago van cafévechter. Bij het afhandelen van de aankoop, krijgen we nog een gratis parkeerticket voor één uur in de parking onder het Ladeuzeplein aangeboden. Hetgeen mij d’r aan doet denken dat mijn auto daar buiten ergens, in die boze en gevaarlijke wereld, nog staat – zonder ticket. Als we aan de wagen aankomen, rond een uur of 11, stel ik vast dat ik niet een, maar twee boetes al achter mijn ruitenwisser heb zitten. Ik had het moeten weten. De snelheid waarmee het leger parkeerwachters in Leuven boetes uitschrijft, is hallucinant. Geen wonder dat Leuven als een van de weinige uitzonderingen op al die noodlijdende Vlaamse steden en gemeenten, of zo wordt het aan ons toch voorgesteld sinds de liberalisering van die netwerkgebonden sectoren van elektriciteit en telecommunicatie, een ruimschoots positieve begroting kan voorleggen. Maar gastvrij kun je dat openlucht-shopping-center met benefits toch niet meer noemen. 

26 september 2018 2.3 – Professor Mombaerts, waer bestu bleven?

Het is al een uur of zeven, buiten is het al terug donker aan het worden, als er een dokter verschijnt aan mijn bed. Deze keer ééntje van middelbare leeftijd. En ook een beetje molliger dan je zou verwachten van iemand die zo’n stresserend beroep uitoefent; een driedubbele kin lijkt mij alvast moeilijk te verenigen met overdreven veel slikbewegingen, maar ik kan me vergissen. Ze brengt me wel heuglijke tijdingen; de operatie is goed verlopen en er zijn geen complicaties geweest. Ze verontschuldigt professor Mombaerts want die slaagt er niet in om, net zo min als voor de operatie, na de operatie nog even langs te komen. Om het voor mij gemakkelijk te maken heeft de Hertogin ook ineens mijn ontslagbrief meegebracht. Op die manier kan ik morgenvroeg vertrekken wanneer ik wil, verkondigt ze met een brede glimlach, want Professor Mombaerts zal ook morgen ten vroegste pas rond de middag kunnen langs komen. En wanneer juist valt allemaal heel moeilijk te voorspellen, zo wordt er stilletjes en met een plechtige stem aan toegevoegd. Er is duidelijk niemand in dit Wonderland die het zo druk heeft als Hartenkoningin met al die hoofden die afgekapt moeten worden.

Waarschijnlijk dacht de Hertogin zelf op twee minuten mijn kamer binnen en buiten te gaan, maar ik ben verplicht om haar nu toch een vervelende vraag te stellen. En dus vraag ik hoe dat het komt dat ik dat bobbeltje nog altijd voel. “Het bobbeltje waar alles mee begonnen is?” Deze vraag had ze duidelijk niet verwacht. Ik zie haar aarzelen want het is al laat, ook voor haar. Ze vraagt: “Welk bobbeltje, mijnheer Hoskens?” Voor de zoveelste keer wijs ik op het bobbeltje in mijn linkerooghoek. Ze komt een beetje dichterbij maar niet te dicht. En in tegenstelling tot al die vorige doktoren begint ze er ook niet op te duwen. Ze zucht vanop een respectabele afstand terwijl ze de ontslagbrief als een schild voor haar iets te breed uitgezette borst houdt. Dan zegt ze vlug: “Dat zal wel geen probleem zijn, mijnheer Hoskens. Anders zou professor Mombaerts er wel iets van gezegd hebben.” “Ja, maar ik begrijp het niet,” probeer ik voorzichtig, “als ik één ding verwacht had na deze operatie, was het wel dat dat bobbeltje weg zou zijn. En het zit er nog steeds. Krak op dezelfde plaats en op dezelfde manier. Het is alsof er helemaal niets gebeurd is.” Ik denk dat haar kinderen thuis aan het wachten zijn of zo want ze wordt nerveuzer en nerveuzer. Ze haast zich dan ook om te zeggen: “Ik vermoed dat dat bobbeltje de komende dagen en weken wel zal verdwijnen. Ik zou me daar niet te veel zorgen over maken, mijnheer Hoskens.”

Ze doet haar best om, zoals opgedragen vermoed ik, mij gerust te stellen maar toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat ze er zelf ook niet helemaal gerust in is. “En die verdikking? Daar waar al die lijm aan hangt?” “Dat gaat ook geleidelijk aan weg gaan, mijnheer Hoskens. Niet vergeten, u bent pas geopereerd hein! U moet de wonde wat tijd geven om zich te herstellen.” Tja, hier heeft ze natuurlijk een punt, de Hertogin. Bovendien wordt er gezegd dat de operatie goed verlopen is, dat alles gelopen is zoals het moest en hoorde. En wie zijn wij om die specialisten in vraag te stellen? Het is niet echt woord tegen woord, of wel soms? En dus zelfs als je dat zou willen doen, hoe zou je dat dan kunnen doen? Zonder dat je het risico loopt dat je hoofd afgekapt wordt? Dat laatste lijkt mij als vazal van Hartenkoningin ook een constante zorg van de Hertogin, met of zonder driedubbele kin. Daarom vraag ik nog snel of ik die antibiotica van voor de operatie moet verder nemen of niet, want zo wordt ons dat geleerd, antibiotica nemen; de ganse kuur moet erdoor. Deze keer is het haar beurt om verontwaardigd te zijn: “Ah neen, mijnheer Hoskens, de ontsteking is toch weg nu, niet?” Ik wil nog inbrengen dat het bolletje dan toch niet weg is, als de Hertogin haar schild laat zakken, hem op het nachtkastje naast mijn bed legt en spoorslags de kamer verlaat. Die twee minuten hebben duidelijk al veel te lang geduurd.

26 september 2018 2.2 – Tin en de kinderen op bezoek

Rond een uur of één vallen ze binnen. Het is woensdagmiddag en dus hebben ze deze namiddag, op die belachelijk vele hobby’s na, vrij. Onderweg hebben ze broodjes gekocht in een broodjeszaak die er goed uitzag. Ze hadden gedacht voor mij ook een broodje mee te brengen maar god zij dank hebben ze het niet gedaan want ik heb zelfs al een middagmaal gekregen en opgegeten. Het smaakte me want al dat nuchter blijven is niet mijn sterkste kant.

Maar ook de honger van Tin en de kinderen blijkt van korte duur te zijn, want wanneer ze binnen komen verschieten ze zich letterlijk dood. Ze dachten hier een vader/partner aan te treffen zonder enige merkbare impact van een kleine routineoperatie maar in de plaats daarvan zien ze voor zich een dik opgezwollen en kaduuk staande ooghoek. Daarnaast is er het bloed dat zich blijkbaar nog steeds bevindt op mijn wang, zijkant hoofd en hals. Ook mijn haar zit vol met aangekoekt bloed, zelfs op het hoofdkussen ligt er nog opgedroogd bloed. Tin is in alle staten. Ze vindt dat dat allemaal op niets trekt. “Kunnen ze dat niet een keer opkuisen na zo’n operatie?,” vraagt ze gechoqueerd. Ook Sam en Ella vinden het allemaal maar niets. Hun sterke papa zo, door onbekenden geveld en overduidelijk gewond, aantreffen in een bed, daar hadden ze duidelijk niet op gerekend. Tin, zoals altijd daadkrachtig, begint al met de hulp van Sam en Ella, mij proper te maken. De kinderen maken papieren zakdoeken nat in de badkamer en Tin schuurt en schrobt met de natte proppen om al het bloed weg te krijgen.

Zelf ben ik volledig overdonderd. Ik was nog niet uit mijn bed geraakt en had dus nog niets gemerkt of gezien van bloed of zwelling of wat dan ook. Integendeel, ik had fantastisch nieuws voor mijn gezin dacht ik, want ik had niets van pijn gevoeld en zelfs nu nog, nu de verdoving grotendeels uitgewerkt was, voelde ik nog altijd niets van die wonde. En ik had zelfs nog geen pijnstiller moeten bijvragen! Mij leek dit tot op dat moment de beste operatie ooit. Maar plots ongerust door hun reactie begin ik me nu toch eens even goed te onderzoeken. In het bed wel nog altijd. Recht staan en wandelen wil ik nog even uitstellen tot die studentenrestaurantworst met boontjes en puree wat gezakt is. Allemaal samen betekent dit mijn ooghoek voorzichtig wat aftasten. Ik voel eerst de lijm. Op de tast lijkt die d’r inderdaad goed dik op te liggen. Dat zal die verdikking wel zijn zeker? Ik tast verder. En dan, ja, dan is er een serieuze schok, het bobbeltje ter hoogte van mijn oogkas zit er nog steeds. Ik voel het als voordien parmantig zijn kop opsteken onder de huid. Eerste gedachte: “Wat is me dat nu weer voor ne zever?” Tweede gedachte, nog erger: “Ze hebben zich misschien niet van oog vergist, maar wel van plaats?” En beide gedachten verhogen alleen maar de onrust. Dus begin ik erover tegen Tin. “Allez, Patrick, dat meent ge toch niet? Waarvoor hebben ze jou dan geopereerd?” “Voor een ontstoken traanzakje.” “Ja, maar hoe kan het dat die bobbel er dan nog altijd zit?” “Ja, dat weet ik ook niet.” “Heb je de dokter al gezien?” “Neen, maar normaliter komt die langs in de loop van dag.” “Die Professor Mombaerts? Die die operatie gedaan heeft?” “Dat weet ik niet. Ik hoop het. Nu ben ik toch ongerust moet ik zeggen.” “Vraagt maar eens goed wat er aan de hand is. En zegt ook maar dat het een schande is hoe je d’r hier bij ligt. Met al dat bloed en zo. En los daarvan ziet dat oog er toch ook wat raar uit.” In zo’n dingen heeft ze altijd gelijk mijn hartendiefje.

De broodjes vallen ondertussen tegen. Ze zijn niet zo krokant als ze leken. En ook de verse groentjes proeven niet zo vers. Ter compensatie stel ik Tin voor dat ze de broodpudding van mijn middagmaal opeet. Als zoetebek van de familie laat ze zich dat geen twee keer vertellen. Nadat we afgesproken hebben dat Tin mij de volgende dag rond een uur of negen ‘s ochtends komt afhalen, eenmaal wanneer die verplichte ene dag en nacht ziekenhuisopname achter de rug is, vertrekt ze terug met de kinderen. Ella moet naar haar les drama om 3 uur en Sam naar de muziekschool om 4. Die jeugd van tegenwoordig gaat nog een burn-out op hobby’s krijgen als ze niet oppassen. Maar eerst krijg ik nog een dikke kus en knuffel van alle drie.

ReplyForward

26 september 2018 2.1 – de Piepkleine Slaapmuis

Ik word wakker in een kleine kamer waar nog een drietal andere bedden staan. Zelf lig ik ook terug in mijn bed. De vroedvrouw voor pasgeopereerden – ik weet niet wat de geijkte term is voor deze beroepscategorie – loopt rond tussen de bedden en brengt verlichting toe waar mogelijk. Zelf vind ik hier wakker worden niet zo moeilijk. Ik heb totaal geen pijn. Of nog straffer, ik voel helemaal niets van de operatie. Het enigste wat ik voel, is hoe ik nog lekker onder invloed van de verdoving langzaam wakker wordt. De stem van de vroedvrouw komt van ver weg. Ik voel meer dan dat ik het hoor dat ze naast mijn bed staat. Ze vraagt hoe het gaat. Ik antwoord: “Fantastisch!” Ze moet lachen met mijn antwoord. Nu vraagt ze of ik pijn heb. “Ik voel helemaal niets!,” geeuw ik terug zo luid als ik kan. Dat is blijkbaar opnieuw het juiste antwoord. Met een gniffel verdwijnt ze terug in de coulissen.

Na een tijdje komt ze terug. Ze is al terug wat mens geworden. Haar stem en haar lichaam zijn al wat meer één. Hierdoor heb ik nu toch al door dat ze bijzonder klein is. Ze komt amper boven het bed uit. Maar haar echt zien doe ik nog altijd niet. Daarvoor kost het te veel moeite om mijn ogen open te doen en te houden. “We gaan u binnen een kwartiertje of zo terug naar uw kamer doen, mijnheer Hoskens. Ok?,” zegt ze nu met een iets luidere stem. “Wat uur is het?,” vraag ik benieuwd. “Ongeveer half 10.” Half 10? Amai, dat is toch snel gegaan, lijkt mij. Rond 8 uur zijn ze aan mij begonnen, herinner ik me.  Als je de tijd aftrekt voor het in slaap doen en het terug wakker worden, dan hebben ze misschien een half uur gehad om hun ding te doen. Heb ik daarvoor zo lang moeten wachten? ‘Och, zolang het maar goed gedaan is,’ zeggen wij, ondermaansen, dan, niet? En misschien moesten ze die vier andere ontstoken traanzakjes nog afwerken voor het middageten? “Is alles goed verlopen?,” vraag ik nog even aan de kleine Slaapmuis. Die luciditeit heb ik toch nog ondanks de vermoeidheid. “Dat weet ik niet, mijnheer Hoskens, dat moet u aan de dokter vragen. Maar ik vermoed van wel, anders zou u niet zo snel hier geraakt zijn.” Dat lijkt mij inderdaad een logische conclusie. Maar voor ik terug indommel, fluistert de Slaapmuis ook nog in mijn oor: “U ademt wel mooi wanneer u slaapt, mijnheer Hoskens. Of u slaapt mooi terwijl u ademt, wat eigenlijk hetzelfde betekent,” hetgeen me al een pak minder logisch lijkt.

Even later hoor ik vreemde stemmen. Dus stemmen die ik nog nooit eerder gehoord heb. Ik versta wel niet wat ze zeggen. Stil spreken is duidelijk een must in dit dromenland. Dan hoor ik de Slaapmuis plots met piepende stem zeggen: “Mijnheer Hoskens? Ja hoor, die is klaar om mee te gaan.” En zonder dat ik iets gevraagd heb, zonder dat ik er ook maar iets mee te maken heb, begint mijn bed te bewegen. Ik hoor de wieltjes knarsen en zie terug die lampen in het plafond aan mij voorbijflitsen. De Slaapmuis heb ik niet meer gezien. Maar dat is misschien maar goed ook, besef ik, nu dat ze al begint te flirten met mij. Toch luister ik nu even naar mijn adem en hij klinkt inderdaad mooi, zo gelijkmatig van ritme zo, in en uit, geen gereutel of vocht op de longen, gewoon lekker. Ik kan d’r wel in komen dat ze daar op valt, op zo’n rustige, prachtige adem. En al zeker zo’n slaapmuis, die niets liever doet dan slapen.

26 september 2018 1.4 – de Rups met de waterpijp

Het vervoer van patiënten naar de operatiekamer, ondergronds waarschijnlijk, wordt dan weer verzorgd door jonge krachten. Plots staat er een blonde, stevige freule, aan mijn bed met de boodschap dat ze mij met bed en al naar beneden zal rijden. Ik bied aan zelf te wandelen aangezien ik niet kreupel of bedlegerig ben, maar krijg te horen dat dit standard practice is, dat ik mijn bed onder geen enkel beding mag verlaten – dat het trouwens de moment is om nog vlug een keer naar het toilet te gaan als ik dat zou willen – en dat het haar taak is om mij intact, met bed en al, af te leveren aan het operatiekwartier. Ik druk mijn bewondering uit voor zoveel verantwoordelijkheidszin en laat mij weg voeren door de gangen van het oude ziekenhuis. Af en toe passeren we ander verplegend personeel of andere patiënten op zoek naar hun kamer. De enige constante tijdens de ganse trip zijn de lampen in het plafond die systematisch blijven voorbijglijden boven mijn hoofd.

De tocht duurt niet zo heel lang. Na een vijftal minuten schat ik, waaronder een rit met de dienstlift richting onderwereld verzorgd door mijn persoonlijke walkure, word ik geparkeerd tegen de muur van een gang. Maar in die gang is er al iets meer circulatie en deze keer is het enkel nog personeel in van die groene operatiepakjes. Hetgeen mij doet beseffen dat ik me al in de danger zone bevind. Na een tijdje verschijnt er een jong en bijzonder knap groen operatiepakje naast mijn bed. Ze stelt zich voor als de anesthesiste van de dag. En is het door haar groene pakje, of gewoon haar jonge leeftijd (ze ziet er gewoon te jong uit om al anesthesist te zijn), maar de oude man in mij vraagt zich af hoe deze rups eruit zal zien als ze ooit een vlinder wordt. De groene rups vraagt daarentegen naar mijn naam en geboortedatum. Maar ik heb totaal niet het gevoel dat zij het zelf niet weet. Het voelt eerder aan alsof ze checkt of ik het wel nog weet. Ik vraag me af wat er zou gebeuren als ik plots een andere naam of geboortedatum zou opgeven, of dat enig verschil zou maken, maar bedenk me dan dat lachen met afhankelijkheidsrelaties iets voor sadomasochisten is. Daarna vraagt ze of ik die ochtend iets gegeten heb. Verontwaardigd antwoord ik: “Neen, natuurlijk niet!” Zelfs het kleinste kind weet toch dat je een operatie nuchter moet aanvangen? De knappe rups reageert tevreden op mijn verontwaardiging en vind duidelijk dat ik dat goed doe, mezelf klaar maken voor een operatie. Ik verwacht dat ze mij nu een waterpijp in de mond gaat stoppen maar in de plaats daarvan reikt ze mij nog een pilletje aan. Een spierverslapper deze keer, als ik het goed begrijp.

Na weer enkele minuten wachten in de gang, ik voel de spieren al slap worden, zo slap dat alle interesse in rupsen en aanverwanten verdwenen is, word ik de operatiekamer binnen gereden. Buiten de rups met de waterpijp bevinden er zich nog twee groene pakjes in de kamer. Nu mag ik eindelijk mijn bed verlaten. Om twee stappen verder vastgegespt te worden aan de operatietafel. Maar nog steeds is er geen Hartenkoningin te zien. Dus vraag ik even of iemand van hen misschien assistent is van professor Mombaerts? Want dat ik graag nog even zou willen horen wat ze nu juist gaan doen daar aan mijn neus? Even is er een beetje stilte. Ik zie de anesthesiste en de groene pakjes met elkaar enkele blikken van verstandhouding uitwisselen. Dan neemt de oudste van de aanwezigen het woord: “Mijn naam is Lieve Slegers, mijnheer Hoskens. Ik ben hier als hoofd van de verpleegkundige staf bij uw operatie vandaag. En wij moeten ervoor zorgen dat u nu rustig inslaapt. Maar ik vrees dat de specialisten pas straks gaan komen. Weet u niet waaraan u geopereerd wordt?” Ik antwoord: “Jawel, aan een ontstoken traanzakje. Maar wat ik graag nog wilde weten voor de operatie is wat jullie nu juist gingen doen. Op het internet heb ik iets gevonden over buisjes die erin gestoken zouden worden, enzovoort…” “Het spijt me mijnheer Hoskens, maar zoals gezegd, de specialisten komen straks pas en wij weten niet wat ze juist gaan doen.” Ik merk dat ze aan de uitdrukking in mijn ogen zien dat ik er niet bij kan dat er zoveel onwetendheid verenigd is in één kamer van een universitair ziekenhuis. En dan die term die door hen zelf gebruikt wordt: de ‘specialisten’. Vergeet de mannen en de vrouwen, de blanken en de zwarten, de Vlamingen en de Walen, de christenen en de islamieten, Yin en Yang, de wereld bestaat uit ‘specialisten’ en ‘niet-specialisten’, waarvan de eerste 0,001% van de wereldbevolking uitmaakt en de tweede de rest (voor diegenen die niet goed kunnen tellen: 99,999%). Ik wil de groene pakjes nog strijdvaardig interpelleren met de dooddoener: “Spreken jullie eigenlijk wel met elkaar?,” maar om te vermijden dat het toch nog gaat mis lopen die afhankelijkheidsrelatie daar op die tafel – stel je voor, subiet beveelt Hartenkoningin mijn hoofd af te kappen terwijl ik onder volledige verdoving ben – zeg ik vlug: “Dan is het maar zo. Zie dan maar dat jullie mij goed in slaap doen. Die specialisten zullen wel weten wat zij moeten doen zeker?” Als ik het mij goed herinner, is dit het laatste dat ik gezegd heb.

ReplyForward

26 september 2018 1.3 – de Koddige Kolderkat

Ik begin net weg te doezelen als er terug op de deur geklopt wordt. Deze keer is het geen verpleegster, maar een heuse jonge hipsterdokter, te herkennen aan zijn witte doktersjas en het piekende snorhaar boven op zijn natte bovenlip. Eerst denk ik dat hij een beetje verlegen is, maar dan zie ik dat hij zijn gezicht wat afwendt om een uitbundige grimas te verbergen. Net wanneer ik die toch wel heel brede lach opmerk, debiteert hij op een plechtige manier tegen de muur naast mij maar nog altijd met die lach op of, accurater gezegd, om zijn gezicht: “Dag, mijnheer Hoskens, bent u nog steeds van plan de operatie te laten uitvoeren?” Totaal perplex antwoord ik: “Waarom zou ik de operatie niet meer laten uitvoeren?” “Ik weet het niet. Het kan toch zijn dat u van gedachten veranderd bent?” Ik wil al vragen waarom ik van gedachten veranderd zou zijn, of er soms redenen zijn om van gedacht te veranderen, of de operaties hier in dit half verlaten gebouw misschien op geen kloten trekken en of dat hij soms deel uitmaakt van een geheime verzetsgroep tegen Hartenkoningin, als hij mij met zijn vreemde lach onderbreekt: “Ik check gewoon even of de operatie met uw instemming plaats vindt.” Nog steeds stomverbaasd antwoord ik: “Ja natuurlijk, anders zou ik hier toch niet zijn? Ziet u hier soms mensen staan die mij hier tegen mijn wil vast houden?” “Zolang dat dan maar duidelijk is, hein Mijnheer Hoskens,” antwoordt hij met trillende snorharen. 

Voor ik terug kan reageren, vraagt hij nu: “En aan welk oog wilt u juist geopereerd worden?” Opnieuw kijk ik verbaasd op. Lezen die hun medische dossiers niet of zo? Of hebben ze daar geen toegang toe? “Ziet u dat dan niet? Dat oog met het bobbeltje ernaast. Die verdikking daar?,” en ik wijs op mijn linkeroog. “Wilt u uw bril even afzetten, mijnheer?” Ik hoop dat er dan toch nog een onderzoek gaat plaats vinden, neem mijn bril voorzichtig af en plaats hem op het nachtkastje naast mijn bed. Maar wanneer ik mijn hoofd terug ophef staat de Kolderkat plots daar met een stift hoog opgeheven in zijn rechterhand. Zonder veel plichtplegingen, laat staan het vragen van een toestemming, tekent hij een overdreven grote pijl op mijn voorhoofd, boven mijn linkeroog. Wanneer ik hem erover aanspreek, antwoordt hij met, wat ik veronderstel, een knipoog onder goede verstaanders moet zijn: “We zouden niet willen dat ze zich van oog vergissen hein.” Opnieuw verschijnt die brede grimas op zijn gezicht en terwijl ik gebiologeerd toekijk, gaat het door mijn hoofd dat het inderdaad geruststellend is dat ze door die pijl zich niet meer gaan kunnen vergissen van oog, maar dat door die pijl mij net zo goed het gevoel besluipt van straks ergens op een lopende band te liggen. Misschien dat ik daarom zo lang heb moeten wachten of dat er nog een bijkomend uitstel is geweest? Ze hebben misschien beslist om die vijf ontstoken traanzakjes van deze contreien samen aan te pakken? En volgen er na mij nog drie patienten met een pijl boven hun rechteroog en nog ene met een pijl boven zijn linkeroog, zoals ik? De Koddige Kolderkat gaat ondertussen achterwaarts terug naar de deur. Ik overweeg nog even hem te vragen wat er nu juist gaat gebeuren tijdens de operatie maar bedenk me dat wat er ook uit die lachende mond komt, het nooit au serieux genomen kan worden. Hij ziet de twijfel in mijn ogen en besluit dat de moment gekomen is om mij aan te moedigen. “Ik wens u nog een goede operatie mijnheer Hoskens!”, roept hij luid met twee opgestoken duimen en verdwijnt dan breed grijnzend in het deurgat. 

Ik bekijk me nog eens goed in de spiegel van de badkamer. Met een beetje goede wil kan die belachelijk grote pijl dan toch gezien worden als een concreet bewijs dat ik hier wel in goede handen ben; ze hebben zelfs al truukjes bedacht om te vermijden dat ze zich van oog vergissen. Daarom beslis ik om vlug een foto te nemen van mijn gezicht met pijl en al om hem naar Tin en de kinderen te sturen en hen zo gerust te stellen. Zelf ben ik er blijkbaar nog altijd niet helemaal gerust in want als ik mijn ogen terug sluit om even verder te rusten, zie ik voortdurend die bizarre, wijde lach van de Kolderkat voor mijn ogen zwemmen. 

26 september 2018 1.2 – Schoppen troef!


Boven op de derde verdieping, dezelfde verdieping waar ik een week geleden moest zijn voor mijn antibioticavoorschrift, word ik welkom geheten door drie oudere verpleegsters met zwart haar. Later zal blijken dat de meesten onder hen heel hun leven op Sint-Pieter gewerkt hebben en nu enorm opzien tegen de verhuis naar, wat ze zelf noemen, het ‘onpersoonlijke’ Gasthuisberg. Maar nu verwijzen ze mij plichtsbewust door naar mijn privé-kamer. Dat is een van de voordelen van een hospitalisatieverzekering als je d’r een hebt: dat je zonder problemen, zonder angst te hebben voor al te hoge aanrekeningen, een individuele kamer kunt vragen. En als je op het punt staat zelf geopereerd te worden is de zorg of dat goed is voor de sociale zekerheid niet jouw zorg. Jouw zorg is rustig te kunnen bekomen van de operatie en de verdoving, liefst met een TV om gedrogeerd naar te staren helemaal voor jou alleen.

Er is echter één probleem: ik ben mijn smartwatch vergeten in mijn auto. En ik wilde net via die smartwatch proberen te registreren wat de impact van de operatie, van de algemene verdoving, enz… op mijn hartslag, stressniveau, enz… ging zijn. Dus vraag ik vlug aan de verpleegster die mij vergezeld heeft of ik niet nog vlug even terug mag naar de auto. Mijn vraag heeft echter een bijzonder vreemde uitwerking op haar. Ze begint onrustig om zich heen en achter zich te kijken. Alsof er daar elk moment iemand kan opduiken. “Wacht, ik zal het eens gaan vragen,” zegt ze na enkele pirouettes. Na een tijdje keren ze alle drie samen terug. Om beurten nemen ze de verdediging op zich. “A. Het probleem is mijnheer dat u stipt om 8 uur op het operatiekwartier moet zijn. B. Bovendien gaan ze misschien zelfs vragen of u niet wat vroeger kunt komen want u staat als eerste op de wachtlijst voor het OK. C. Dus we zouden liever hebben dat u hier blijft.” Dit had ik allemaal wel niet verwacht. Er gaan dan toch niet eerst nog wat onderzoeken moeten gebeuren voor de eigenlijke operatie. Ik ga gewoon ineens en als eerste op de operatietafel terecht komen. Niet dat ik dat niet wil. Het wachten heeft lang genoeg geduurd naar mijn gevoel. Maar die smartwatch wil ik wel bij mij hebben. Dus reageer ik: “Maar ik ben net hier. En het is nog maar twintig na zeven. En mijn auto staat hier maar op twee minuten vandaan.” De drie anciens van Sint-Pieter kijken elkaar bezorgd aan. Ik vraag me af of het van Hartenkoningin is dat ze zo’n schrik hebben. Of zou er hier ergens anders nog een afdelingshoofd rond lopen? Met veel moeite slaag ik erin om de drie schoppen kaarten te overtuigen.

Ik ben nog sneller terug van de wagen dan ikzelf verwacht had. En als de lift er iets te lang over doet om naar beneden te komen, beslis ik vlug met de trappen naar boven te gaan. Het trappenhuis bevindt zich net om de hoek. Wanneer ik de deur open kom ik terecht in weer een andere wereld en deze keer zelfs geen wonderland, maar de donkere kant van Sint-Pieter: de verdiepingen die al sinds begin jaren tachtig, niet in onbruik geraakt zijn, maar zelfs nooit in gebruik geraakt zijn. De trappenhal zelf ligt er om te beginnen al vuil en bestoft bij. En wanneer ik op een van de tussenverdiepingen eens ga piepen in een van de leegstaande gangen kom ik terecht in een apocalyptische omgeving. De vuiligheid stapelt zich nog wat verder op, tot in kleine hoopjes. En hier en daar liggen er plastieken darmen op de grond terwijl elektrische draden hangen te bengelen uit het plafond. De aanblik oogt zo desolaat dat ik me vlug terug omdraai en verder haast naar de schoppen kaarten. De opluchting bij hen, als ik terug kom, is bijzonder groot. Als beloning krijg ik samen met een kalmeringspilletje een kleed voor de operatie aangereikt en word gevraagd dit aan te trekken en alle exogene objecten verbonden aan mijn lichaam, zoals ringen, kettingen, horloges, enz., te verwijderen en op een veilige plaats weg te bergen. Dat opvolgen van mijn hartslag en stressniveau tijdens de operatie met mijn Garmin sporthorloge zal dus niet lukken, besef ik nu.

Na een tijdje komt een van de verpleegsters even kijken hoe het gaat en tot mijn grote schaamte moet ik bekennen dat het niet zo goed gaat. Voor die ene keer in mijn leven dat ik een kleed moet aantrekken, lukt het me niet. Niet alleen krijg ik niet alle plastiek tsjoepkes, die het kleed moeten sluiten, toegeknepen, ik slaag er zelfs niet in de voor- en de achterkant of de boven- en de onderkant van elkaar te onderscheiden. Ik sta daar wat hulpeloos in mijn onderbroek te prullen en de ervaren verpleegster heeft het onmiddellijk door. In een wip heeft the professional mij zedig aangekleed. Ik profiteer van de gelegenheid om te vragen of ik Ilse Mombaerts nog ga zien voor de operatie. “Ik denk het niet mijnheer, of toch niet hier, misschien in de operatiekamer?” “Ik hoop van wel,” antwoord ik ,”ik zou toch graag willen weten wat ze nu juist gaat doen vooraleer ze het doet.” De schoppen kaart kijkt niet echt verbaasd op. Ik vermoed dat Hartenkoningin niet echt voor haar uitmuntende communicatie bekend staat. “Misschien ziet u haar nog in de operatiekamer, mijnheer,” herhaalt ze nog een keer. Verder aandringen heeft duidelijk geen zin en inderdaad, bedenk ik, ik zal Hartenkoningin wel te zien krijgen vlak voor de operatie. Of is het bij wet toegestaan om zomaar in mensen te beginnen snijden zonder eerst beleefd goedendag gezegd te hebben? Zo’n manier van werken lijkt mij regelrecht in te druisen tegen mijn burgerrechten. Deze nieuwgevonden wetenschap stelt mij gerust. Die lieve schoppen kaart daarentegen is er nog niet helemaal gerust in. Ze kijkt me even zorgelijk aan en raadt me dan aan al op het bed te gaan liggen en het kalmeringspilletje zijn werk te laten doen.

26 september 2018 1.1 – Sinte Pieter

Eindelijk is het zo ver. Vandaag vindt de langverwachte operatie plaats. Eindelijk ga ik van dat vervelende bobbeltje afgeraken. Ik ben om zes uur opgestaan om zeker op tijd te zijn. En ik heb net mijn auto geparkeerd aan het kleine verbindingsstraatje tussen het Sint-Jacobsplein en de Brusselsestraat. Ik heb nog getwijfeld om een parkeerticket te nemen maar ontdekte dan dat ik toch maar voor maximum 4 uur er een kon nemen terwijl een ticket verplicht is in Leuven van 9 uur ‘s ochtends tot 9 uur ‘s avonds. Aangezien ik verwacht word de ganse dag in het ziekenhuis te blijven tot de volgende ochtend heeft dat dan ook totaal geen zin lijkt mij. Dus beslis ik mijn wagen zo achter te laten tijdens mijn korte verblijf in het ziekenhuis. Het ergste wat er kan gebeuren is dat ik een parkeerboete krijg. En er zijn vandaag ergere dingen die kunnen gebeuren. 

Wanneer ik binnen stap in het gebouw, is het nog steeds pikkedonker. Door het nakende einde van het Sint-Pieter-ziekenhuis, al de diensten worden binnenkort geïntegreerd in de mastodont Gasthuisberg, ligt de ingang er in het donker maar troosteloos bij. Ik moet zelfs de toegang forceren want de deuren zijn nog niet helemaal open. Gelukkig staan er rechts enkele bordjes ‘Verboden Toegang’ langs waar je toch binnen geraakt. Het onthaal bestaat uit een grote glazen bureau onmiddellijk achter de ingang. Ik stap binnen, maar wordt nors doorverwezen – het is nog maar 6u52; ik ben 8 minuten te vroeg godbetert – naar de wachtruimte achter het onthaal. Wachtruimte is wel niet het juiste woord tenzij in een cirkel geplaatste stoelen in een grote hal met arduinen vloer als een ‘ruimte’ gedefinieerd wordt. Blijkbaar ben ik wel niet de enigste die extra vroeg is moeten komen. Er zitten nog 12 wachtenden voor me. Samen zitten we, als in een kerk, te wachten tot moeder overste ons binnen roept in het glazen lokaaltje. Ik hoop wel dat we niet eerst ook nog te biecht gaan moeten gaan, want als Sinte Pieter te weten komt wat ik allemaal heb uitgespookt, geraak ik nooit binnen.

Ik zit braaf te wachten tot het mijn beurt is als ik plots dan toch als eerste opgeroepen wordt. Misschien dat de pikorde bepaald wordt door de leeftijd of de activiteitsgraad van de patient want de gemiddelde leeftijd van de andere wachtenden is volgens mij 70 en ze zien d’r allemaal pensioengerechtigd uit. Nu dat het 7 uur is, is moeder overste blij van mij te mogen ontvangen. Als dan ook nog eens het woord ‘hospitalisatieverzekering’ valt, gaat het allemaal wel heel vlot. En om het derdebetalerssysteem te activeren moet ik alleen nog als bewijs de bevestigingsbrief tonen die de verzekeringsmaatschappij van het werk mij gestuurd heeft. Nog nooit eerder heb ik van dit alles gebruik moeten maken, maar nu is het wel handig moet ik zeggen. Moeder overste gaat alvast helemaal akkoord. Ze wijst met haar pafferige vinger naar het verre, donkere einde van de hal. Ik word verwacht boven op de derde verdieping, zegt ze.