
24 december 2018 ’s avonds – Jezeke is geboren Hallelujah, hallo. Jezeke is geboren in een bakske vol met stro
Op Kerstavond zitten we gezellig samen aan de grote tafel. De euforie van deze namiddag is al een beetje over, maar het is de blijde verwachting van het facial team meer dan die van Jezus die mij vandaag recht houdt. Er bestaat iets dat misschien mij nog kan redden. Een plaats waar mensen als ik terecht kunnen en geholpen worden. En alhoewel ik die plaats nog nooit gezien heb en totaal geen idee heb waaraan ik me juist kan verwachten, is na alles wat ik meegemaakt heb, de wetenschap alleen al van het bestaan van zo’n plaats voor mij een ware bevrijding. En dat er dan toch zo’n plaats blijkt te bestaan na het totale debacle van Gasthuisberg een geruststelling van jewelste.
Zoals de voorgaande jaren maak ik in de vooravond het kerstdiner klaar. Of toch het voorgerecht en het hoofdgerecht. Dessert is niet aan mij besteed. Dat laat ik zoals ook altijd over aan Tin en de kinderen. Zij zijn er dan ook veel beter in. Qua hoofdgerecht gaan we dit jaar voor de gevulde paprika’s met couscous en feta van Jeroen Meus. Eigenlijk gaan we altijd voor iets van Jeroen Meus, aka ‘Hij die zijn volk leerde koken’ (terwijl Pascale Naessens vermomd als kok haar volk alleen maar leerde regimen, maar dit even terzijde). Het is een van de lievelingsgerechten van Tin en het feit dat Sam, zoals zovele milieubewuste kinderen tegenwoordig, puur omwille van de lagere belasting van onze planeet, vegetarisch is, helpt ook wel een beetje. Ella, ons allesetertje, krijgt ter compensatie haar absoluut lievelingsvoorgerecht aangeboden: scampi’s met look. Voor mezelf is er de iets duurdere wijn dan normaal die alles af maakt. Een droge witte wijn uit de Pfalz voor bij de scampi’s en een lekkere fruitige rode wijn uit het land van mijn dromen (Viva Italia!) die lekker past bij de rozijntjes en de oosterse kruiden die met de couscous en de feta in de paprika’s eindigen. Zo komt iedereen aan zijn trekken.
Het enthousiasme van de kinderen is ook zoals altijd op Kerstavond zo groot dat het Tin en mij niet te veel moeite kost om minstens gedeeltelijk mee te gaan in de feeststemming. Dat is het voordeel van kinderen hebben: rituelen van oudsher worden automatisch hersteld in hun waarde zonder dat er gezeverd moet worden over waar of niet waar, gelovig of ongelovig, nuttig of onnuttig. Het kindje Jezus werd vandaag geboren verdomme. In een beddeke vol met stro. Wat voor een onmens moet je niet zijn om dat niet te vieren? En het feit dat er op een bepaald moment ook nog wat cadeautjes uitgedeeld worden, is lekker meegenomen. Zelf zijn we, zoals de meeste ouders, medeschuldig aan de overdaad waarmee we vandaag de dag onze kinderen liefhebben, om niet te zeggen versmachten. Sinterklaas is nog maar drie weken geleden en toch krijgen Sam en Ella elk weer een viertal cadeaus. Ok, het zijn wel geen grote cadeaus, het gaat van een boekje of wat prullen tot een broek en wat lekkers. Maar het zijn er wel vier. Sam en Ella hebben dan weer als cadeau voor ons beiden samen een familieportret gemaakt waarop we alle vier in volle glorie afgebeeld staan. Om één of andere reden hebben ze mij wel oranje haar gegeven. Misschien als gevolg van die radio-actieve PET-scan of als anticipatie op al de bestralingen die in de toekomst mogelijks nog gaan volgen. Tin, die de afgelopen dagen zo veel voor mij betekend en gedaan heeft, heeft aanvankelijk geen cadeau, maar stelt dan creatief als ze is een ruilhandel voor; recent aangekochte kleren worden omgetoverd in een kerstcadeau. Zelf krijg ik een prachtige grijze linnen zak met associe handdoeken om mee te gaan zwemmen. En ondanks het feit dat zwemmen voorlopig niet aan de orde is, zoveel fysieke activiteit en vooral contact kan ik niet aan op dit moment, ben ik enorm ontroerd want zwemmen is nu net een stuk van mijn leven geworden dat ik onder geen beding wil verliezen. Het cadeau werkt dan ook als een soort van geloofsbelijdenis in mijn kunnen om dit alles te overleven, bovendien met het behoud van de integriteit van mijn persoon, en het is dat wat mij zo raakt want zelf ben ik daar helemaal niet van overtuigd.
Maar wat deze kerstavond mij vooral brengt, is de geborgenheid van de Heilige Familie. Die van Jezus en die van ons. Want dat is waar de geboorte van Jezus eigenlijk over gaat. Kijk maar naar die kerststal. Er is de geboorte van een kind ja, en dus de start van een nieuw leven en een nieuwe hoop ok, een kind van god zelfs ok, ok, maar vooral is er ook de vorming van een familie daaromheen. Met een Jozef en een Maria, maar ook een os en een ezel in de stal dichtbij datzelfde beddeke met stro, om het kindeke warm te houden. En drie vrienden die op komst zijn om het kindje voor de eerste keer te zien. Dat is Kerstmis vieren: zich koesteren aan de warmte van het eigen nest. En dat kon ik dit jaar wel gebruiken.
25 december 2018 – Kerstmis bij mijn zuster
Al sinds enkele jaren gaan we op Kerstmis naar het familiefeest bij mijn zuster thuis. Familie is misschien wel een beetje overdreven hier. Of het klopt wel voor haar, met al haar kinderen en kleinkinderen allemaal rond de eettafel. Maar het klopt niet voor mij. Grote ontbrekende factor in dit ganse gebeuren is mijn broer en zijn gezin. Sinds enkele jaren hebben wij namelijk ook onze eigen versie van die eeuwig zich herhalende, bijbelse familieruzie. Om een lang verhaal kort te maken, want alle familieruzies zijn veel te lang: overdreven moederliefde voor 1 kind leidde tot een zodanig scheefgetrokken situatie dat op de dag voor de begrafenis van diezelfde moeder één SMS van dat ene kind volstond om de ganse boel te doen ontploffen. En dus zitten we sindsdien op Kerstmis zonder mijn grote broer en zijn gezin aan de Kersttafel. Om op die manier de schijn van een familie toch nog hoog te houden. Of om op die manier, op onze manier, toch nog dat voorbije familieleven te eren. Het is maar hoe je het bekijkt. Zoals alles in het leven.
En de clichés zijn met deze ene familieruzie nog niet voorbij. Zoals zovele Vlaamse families hebben we in deze donkere tijden last van politieke spanningen aan de eettafel, zelfs met Kerstmis, tussen rechts-conservatieve Vlaams-nationalisten en links-progressieve believers; sommigen denken dat het heil ligt in een Vlaamse eilandje voor harde werkers (oeps, nu verraad ik misschien mijn eigen voorkeur) en anderen geloven niet in die zever en willen gewoon een betere wereld, naïef als ze zijn (terug wat zand in de ogen strooien). Met nog andere woorden (als we dan toch bezig zijn): de enen geloven in een conflictmodel waarbij de andere in al zijn onvolmaakte vormen (Waal, werkloze, migrant, misdadiger,…) moet afgetroefd of gecontroleerd worden tot meerdere heil van de uitverkorenen, de anderen in een coöperatief overlegmodel waar door veel te babbelen alles opgelost kan worden (maar die stil vallen bij de vraag wie dat feest gaat betalen). Genoeg spanningen dus om al ettelijke keren tot zware discussies te leiden want mekaar met rust laten, is niet echt hetgeen dat men meestal doet in familiekring. Op een of andere manier is er daar altijd weer een met rust onverenigbaar streven aanwezig om iedereen samen te brengen op hetzelfde niveau, rond dezelfde idee, of toch minstens tot hetzelfde zicht op de dingen. Daarom heb ik dit jaar gevraagd om het niet over politiek te hebben want ik kan het gedoe zelf gewoon niet meer aan.
Als wederdienst, en ook omdat er, in de vorm van een gemeenschappelijke nicht van ons uit Schoten, een mogelijke spion van het tegenkamp van mijn broer aanwezig is, heeft mijn zuster gevraagd het niet over mijn kankergezwel te hebben. Zij vindt dat het aan mij is om te bepalen of, hoe en wanneer ik het nieuws aan mijn broer wil meedelen. En dat hij het niet, gewoon omdat het net nu Kerstmis is, in zijn schoot moet geworpen krijgen. Bovendien is ze er rotsvast van overtuigd dat onze oervlaamse boerengenen ijzersterk zijn en dus alles aankunnen, zelfs kwaadaardige kankergezwellen. Waarom daar vandaag dan zo veel over babbelen? Mij lijkt het alvast een faire deal: het ene kankergezwel in ruil voor het andere op deze heilige dag verzwijgen. Onder de gestipuleerde voorwaarden en omstandigheden kan er een waarlijk Kerst-familiediner plaats vinden. Of is het dankzij al deze voorwaarden en omstandigheden dat we over een echt Vlaams Kerstdiner kunnen spreken? Gelukkig is er toch ook nog wat goede, ouderwetse familieliefde aanwezig om de boel samen te houden.
We beginnen normaal rond een uur of 1. Normaal want wij, de naar het Vlaams-Brabantse hinterland gevluchte emigranten, zijn altijd te laat. Niet alleen moeten we helemaal vanuit Kortenberg komen, maar wij zijn vooral ook gewoon keislecht in op tijd komen. Zo slecht dat toen een keer het uur verzet werd naar 1u30 speciaal om aan ons tegemoet te komen, we opnieuw te laat waren. Het aanpassen van het aanvangsuur bleef dan ook terecht bij een eenmalige try-out. Het diner zelf bestaat steeds uit meerdere gangen, minstens 4, soms 5. Om het helemaal compleet te maken, bestaat elke gang zelf uit meerdere gerechten zodat iedereen telkens kan kiezen waar hij zin in heeft of van alles een beetje kan eten, of veel te veel, zoals ik. Het diner duurt dan ook tot een uur of vijf, met als hoogtepunt, meestal ergens tussen het hoofdgerecht en het dessert in, het geven van de cadeautjes. Het absolute hoogtepunt voor de kinderen dan toch die tegen dan al een uur of drie hebben zitten wachten op deze climax. Het hoogtepunt voor mij van de Kerstfeesten bij mijn zuster thuis is de tweede gang van het diner: de ongemixte, verse groentesoep met balletjes van ons moeder die zij zo goed kan namaken. Wanneer ik die voorgeschoteld krijg, beleef ik mijn jaarlijks proustiaans geluksmoment, word ik teruggekatapulteerd in de tijd en zit ik terug aan de eettafel thuis aan de Kastelein in Turnhout, terwijl ons vader buiten in zijn konijnenkot zit en ons moeder in de keuken staat te roeren in haar potten. Niets kan hier tegenop wat mij betreft.
Misschien dankzij al de voorafgaandelijke afspraken verloopt dit jaar het Kerstdiner gelijkmoedig. Zoals afgesproken komt ook het gezwel amper ter sprake. In die mate zelfs dat op het einde van de dag onze nicht nog altijd niet weet dat het formeel kanker is. Iedereen is wel verbaasd dat ons gezin dit jaar het land niet verlaat tijdens de Kerstperiode. En ze reageren nog meer verbaasd als ze vernemen dat er zelfs al een trip gepland was naar Boedapest. Maar daar stopt de verwondering. Iedereen doet maar waar hij zin in heeft. Het zou zo het motto van de Hoskensen kunnen zijn. Ware het niet dat het ook een gênant gebrek aan interesse in anderen, familie of niet, verheelt. Maar dat onze nicht toch iets in de mot heeft, blijkt wanneer we vertrekken. Terwijl we de deuropening al lang verlaten hebben, roept ze ons totaal onverwachts gezeten aan de tafel met haar sappig Antwerps accent achterna: “Mokt aa gen zeurgen Patriek! Aw oogh zal wèl ielemoal in eurde keumen.” Dat echter alles niet zo maar in orde zal komen, maakt mijn cadeau enkele seconden later al duidelijk in het donker. Van de zes flessen wijn die ik gekregen heb als kerstcadeau, vallen er drie stuk op straat wanneer de doos het begeeft in mijn armen op weg naar de auto. Je mag nog zoveel doen als je wilt alsof er niets aan de hand is, de waarheid haalt je toch altijd terug in.
26 december 2018 – Het zit al in mijn hoofd
Misschien waren we toch beter naar Boedapest gegaan. Het enigste waar ik nog aan kan denken nu dat het vakantie is of ik ziekteverlof heb, één van de twee, ik weet het al niet meer wat het het vandaag is, is dat gezwel en Gasthuisberg en Hartenkoningin. Ik vraag me af of deze laatste ook Kerstvakantie heeft. Misschien op skivakantie is met de kinderen en de kleinkinderen. Ik zie het familieportret voor mijn ogen al verschijnen: allemaal gezellig samen, lekker ingeduffeld, op de latten, in de sneeuw, say cheese. En dan, Patrick? Ook zij hebben recht op hun ontspanning en hun familiemoment tijdens de feestdagen, niet? Dat zou waarschijnlijk, indien aangesproken, de machtige Orde der Geneesheren zeggen. En haar al even ongenaakbare collega-goden van Mount Gasthuisberg. Zeg, na al dat harde werken een gans jaar door. En het dragen van zo veel verantwoordelijkheid op die smalle schouders. Aan een hongerloon waarschijnlijk dan ook nog. Dat ik door al haar geklungel en incompetentie praktisch een jaar heb moeten wachten tot 17 december, exact een week voor Kerstmis, om te weten te komen dat ik een kwaadaardig gezwel heb aan mijn oog, dat is toch niet haar fout? Of wel soms? En dan die foute operatie voorafgegaan door die foute diagnose, gebaseerd op wat geduw met een wijsvinger, is dat soms allemaal haar fout? Ze heeft zelf toch gezegd dat de operatie voorspoedig verlopen is. Dus waar kan zij dan ‘fout’ in zijn? En dat ik nu dan, na dat gans jaar verloren te hebben, thuis zit tijdens de Kerstdagen, te wachten op professionele hulpverlening, is dat ook haar fout soms? Als het iemands fout is, is het mijn eigen fout, neh. Ik had maar geen kanker moeten krijgen. Of niet zo lang moeten wachten om elders hulp te gaan zoeken. Want laat ons eerlijk zijn, het is jouw eigen fout geweest om zo veel vertrouwen te hebben in dat, ook fysiek, verheven instituut Gasthuisberg, niet? Of, nog erger, om jouw eigen instinctief aanvoelen, dat er iets niet klopte met die Professor Ilse Mombaerts, niet gevolgd te hebben. Zo’n terreurregime onder haar assistenten, dat is toch niet meer van deze tijd? Allez, geef maar toe, Patrick Hoskens, gij zijt gewoon zelf een stomme kloot.
Het gezwel zelf blijft maar groeien. Het is alsof het weet dat wij nu weten dat het kanker is, dat zijn tijd bijna op is en dat hij nu nog even een eindspurt inzet. Het begint roder of zelfs blauw te zien. Als ik nu zou bellen naar Gasthuisberg en ze zouden vragen of ‘het rood ziet?’, zou ik moeten antwoorden: “Ja, of eigenlijk niet nee, het ziet er nu al eerder blauw uit.” Wat zouden ze dan zeggen? Wat zou hun ‘professioneel’ script of protocol dan voorschrijven? Bel een keer terug als het geel ziet? Of toch pas als dat blauw terug rood wordt? Hoe is het toch mogelijk dat die mensen daar zo’n zootje van gemaakt hebben? In dat monster van een gebouw boven op die berg vol met geleerde professoren van de KULeuven? Ze zullen mij weg zetten als de uitzondering op de regel waarschijnlijk. Als die ene fout die jammer genoeg ook gebeurt tegenover een gigantische achtergrond van geslaagde interventies. Zelfs met enige verontwaardiging in hun stem zullen ze mij interpelleren. Weet ik wel hoeveel goed werk die mensen op Gasthuisberg niet allemaal verzetten? Hoeveel inspanningen die mensen wel niet leveren om al die noodbehoevenden voort te helpen? Ik ga waarschijnlijk beschaamd moeten zijn dat ik het zelfs aandurf om hun professionalisme in vraag te stellen. Laat staan dat ik hen een proces zou aandoen. Dat zou pas helemaal schandalig zijn. Of ik ga gewoon niet meer weten wat ik zeg. Zot ben ik geworden van die kanker. Hij zit duidelijk al in mijn hoofd.
27 december 2018 – Antwerpen, ’t Stad van Ongs
Ik word zot thuis. En als we dan toch niet naar Boedapest gaan, kunnen we misschien hier in de buurt wat steden bezoeken. Deze keer beslissen we naar Antwerpen te gaan. Gent hebben we enkele dagen geleden na de MRI-scan al bezocht en Brussel kunnen we elke dag bezoeken als we willen. Dus wordt het deze keer Antwerpen. Bovendien zijn wij, Tin en ik, officieel afkomstig uit het Antwerpse. Tenminste als je je Antwerpen zo groot voorstelt als de Antwerpenaars zelf doen. Zo groot als de provincie zelf dus plus linkeroever en omstreken. Minstens. Dus in zekere zin is het voor Tin en mij altijd een beetje thuis komen daar. En omdat we beiden van rommelmarkten en leuke winkeltjes houden – en jammer genoeg voor onze portefeuille onze dochters ondertussen ook – hebben we beslist nog eens de Kloosterstraat en omgeving af te schuimen.
Maar voor dat we dat gaan doen, gaan we eerst nog eens goed ontbijten in de Wasserette op het einde van de Vlaamsekaai. Het eten is net gearriveerd als mijn telefoon plots afgaat. ‘Opa’ verschijnt er op mijn scherm. Opgelucht neem ik op. Veel honger heb ik toch niet. Het is ook een goed excuus om even de drukte te ontvluchten van de draaiende wasmachines en de kwetterende mensen want qua echo zit dat hier toch niet snor in deze grote open ruimte. Voor een goed begrip, ‘Opa’ is de vader van Tin. Mijn grootouders liggen al lang onder de grond. Mijn ouders eigenlijk ook. We hebben haar ouders gisteren via een berichtje ingelicht over de diagnose en nu belt hij om mij een hart onder de riem te steken. Net zoals ik is hij verontwaardigd over de gang van zaken in Gasthuisberg, maar het feit dat ik kanker heb op zich is al even moeilijk te vatten voor hem als voor mij. Ik hoor het aan de onwennigheid in zijn stem. Ook voor hem is het bizar om als grootvader plots zijn schoonzoon moed te moeten inspreken omwille van een ernstige ziekte. Natuurgewijs of eerder chronologiewijs want dat monster, de natuur, doet gewoon zijn goesting, zou het andersom moeten zijn.
Na het telefonisch gesprek verorber ik vlug de rest van het ontbijt en dan vertrekken we eindelijk op onze strooptocht door de Kloosterstraat. Sinds Sam en Ella, beiden, het shoppen ontdekt hebben, staat er geen maat meer op hun kooplust. En het aangename aan de Kloosterstraat is dat de klerenwinkels voortdurend afgewisseld worden met antiek- of pure brocante-zaakjes. Zodat iedereen er wat aan heeft, ook zij die ‘s ochtends hun kleren op een goede twee minuten kunnen aantrekken. Deze keer zijn we vooral op zoek naar een nieuwe bureaulamp voor Sam. Of beter gezegd, een nieuwe oude. Want in deze tijden van vintage zijn de echt nieuwe spullen ofwel veel te duur, ofwel veel te lelijk. Uiteindelijk zullen we er een vinden in zo’n echte brocantehandelaar van de Kloosterstraat. Zo ene met oude hockeysticks in een tinnen doos in het midden van de winkel en een oude houten kajak hangend aan de muur. Zelfs de lamp is duidelijk massavintageproductie. Deze keer is het dus niet gelukt om iets uitzonderlijks te vinden voor een belachelijk lage prijs. Maar we zijn er allen van overtuigd dat deze lamp wel mooi gaat staan op haar bureau in haar slaapkamer. Dus kan het ons niets schelen.
Even verderop is het echter wel raak. En hoe. Ergens, ik weet zelfs niet meer waar het juist was, botsen we op een Kerst pop up store waar een sjacheraar alles aanbiedt aan 1 euro het stuk. Alles wat in de winkel staat dus. Aanwezig zijn, naast heel veel rommel; veel kleren, veel CD’s en DVD’s en veel boeken, meestal tweedehands. Maar wanneer we binnen komen valt mijn oog direct op twee dikke, rode boeken die zich zelfs nog steeds vlak bij elkaar bevinden in een grote kartonnen doos vlak aan de ingang. Ik herken hen direct. Het is de toenmalig zwaar gehypete uitgave van Nietzsche’s verzamelde werken uit mijn studietijd. Toen boeken nog heilig waren. Met een rode kaft rond. Band ein und zwei. Van uitgeverij Hanser. Met Nietzsche’s handtekening erop. Ze maakte enorm furore mid jaren tachtig en stond toen vijf jaar aan een stuk in de etalage van elke zichzelf respecterende boekenwinkel. En enkel deze ingebonden versie was beschikbaar. Zo chique was ze. Zelf had ik niet genoeg geld om ze te kopen. Telkens als ik aan een van die etalages passeerde, staken ze mijn ogen uit. En nu liggen ze hier voor mijn neus aan één euro het stuk. Ik kan het gewoon niet geloven. Gretig pak ik ze vast en begin ze te doorbladeren. Ze zijn nog in goede staat ook nog. Enkel hier en daar vind ik wat lichte potloodstreepjes terug van de vorige eigenaar. Gemakkelijk weg te gommen. Als in een trance ga ik met beide boeken naar de toog waarachter een oudere dame met grijs haar toezicht houdt. Ze probeert waarschijnlijk te vermijden dat de mensen al te veel rommel stelen uit de grote bakken. Zelf voel ik me al een dief bij de gedachte alleen al dat ik die boeken voor één euro het stuk ga kunnen kopen. Ik verwacht dan ook dat ze gaat reageren met “Zedde gaai zot?” wanneer ik vraag of ook die twee rode boeken maar 1 euro kosten. Maar tot mijn grote verbazing knikt ze gewoon met haar hoofd. Snel haal ik een stuk van twee euro tevoorschijn en bied het haar aan. Ik denk dat ze door de gretigheid waarmee ik tewerk ga, door heeft dat er hier een klein foutje is gebeurd door het management want ze aarzelt om het geld aan te nemen. Maar een woord is een woord, toch zeker in deze nijvere havenstad, en dus gaat de deal gewoon door. Apetrots wandel ik de straat op en voor het eerst sinds de diagnose heb ik het gevoel dat er toch nog enige rechtvaardigheid bestaat op deze wereld. De rest van de stadswandeling zit ik constant te neuzen in mijn nieuwe aankoop. En terug op weg naar de auto kan ik het niet laten om ostentatief met de twee rode boeken in mijn handen rond te lopen. Om te stoefen met de kleine schat die ik helemaal alleen gevonden heb en waar ik 100% recht op heb om die mee naar huis te nemen. En niet alleen omdat ik ze gekocht heb.
28 december 2018 – Vriendenbezoek
Wel hartverwarmend tijdens deze helse periode, zijn de goede vrienden die op ziekenbezoek komen, vaak met de ganse familie. Sommigen zijn nog nooit zo ‘altegaar’ afgekomen, anderen nog nooit zonder te komen eten. Maar nu komen ze allen af tijdens de namiddag. Om plechtig samen aan de tafel te zitten en te praten. Het is alsof de koffietafels van vroeger, met de tantes en de nonkels, terug zijn, maar dan zonder de tantes en de nonkels, en, meestal, zonder de taarten. Af en toe kunnen we het wel niet laten om bij de bakker naast de deur een lekkere frambozentaart met witte chocolade te gaan halen. Maar meestal houden we het op koffie en wat kleine versnaperingen zoals koekjes en chocolade. Meer is er niet nodig want het draait allemaal rond het praten. Waarover we praten is daarbij niet zo belangrijk. Het is het praten zelf dat telt. Dat we kunnen praten eigenlijk. En dat we het doen natuurlijk. Vrank en vrij. Maar vooral ook met liefde. Het is geen neutraal gebeuren dat praten. Het is een liefdesbetuiging. Elk woord, zelfs het meest onbeduidende, heeft belang en wordt gewikt en gewogen. Zelfs het afscheidswoord “tot de volgende keer”, kent een buitensporig belang want zal er nog wel een volgende keer zijn en zo ja, waar? Is dat geen uiting van een overdreven en absoluut geloof in mijn kunnen, dat ik dit alles sowieso ga overleven? Of is het een belofte? Een belofte om mij altijd op te zoeken, aan deze én aan gene kant van de dood. Wij gaan mekaar nooit in de steek laten, wij. Wij gaan er altijd zijn voor elkaar.
Een ander fenomeen dat zich voordoet tijdens deze vlucht in de nacht – op het eerste zicht een contradictie want de grondlaag is een totaal gebrek aan tijd (er is maar één ding dat telt en dat is zo snel mogelijk van dat gezwel afraken): die zeeën van tijd. Waar de afgelopen jaren een amorfe massa van plichten en bezigheden waren met tijd als de belangrijkste ontbrekende factor, zijn er nu plots zeeën van tijd. Het sleutelwoord hier is zeeën. Want het zicht is even weids als de zee, wanneer je terugkijkt op je ganse leven, op die lange periode die je kinder- en studietijd is tot en met de komst van je eigen kinderen en de roller coaster die je dan wacht. Maar het is vooral ook in de diepte, in het duiken, dat er nu plots zo veel tijd voorhanden is. Oneindig veel tijd. Zelfs seconden duren nu soms eeuwenlang. Of anders is het gewoon je beleving die anders is en krijgen de dingen waar je normaliter nauwelijks tijd voor hebt nu alle aandacht. Die boeddhisten of die shinto-Japanners zouden waarschijnlijk beginnen over die regendruppel die langzaam over de ruit naar beneden rolt. Maar wat mij als westerling opvalt is dat tijdens het vriendenbezoek zelfs koffie zetten en uitgieten uren mag duren. En elke druppel van die vers gemaakte koffie is meer waard dan alle regendruppels en zelfs alle koffies van het afgelopen jaar samen. Strelen met taal, dat is het, dat samen zijn en praten. Soms bekruipt mij wel het akelige gevoel dat het ook een manier is van afscheid nemen. Dat de kans dat we mekaar zo samen aan tafel nog eens terug gaan zien plots veel kleiner is geworden dan hij ooit geweest is. Dat het niet langer enkel van ons afhangt. En dat aan gene kant naar alle waarschijnlijkheid niet zoveel meer te beleven valt. Dan wordt de wanhoop weer eventjes groot. Maar dat gevoel overvalt me meestal wel pas achteraf. Als ze in de auto stappen en al wuivend vanuit de wagen terug vertrekken. Tijdens de bezoeken zelf kan ik me laven aan de weldaad van het samenzijn en even geloven dat alles in orde gaat komen. Want met zo’n vrienden kan dat niet anders.
29 december 2018 – Van waar komt het?
Het thema dat volgens de boekskes iedereen bezig houdt die de diagnose ‘kanker’ te horen krijgt, houdt mij in deze Kerstperiode ook bezig: waar komt die kanker in godsnaam vandaan? Naast de allesverterende wanhoop en de zich opstapelende haatgevoelens naar een zekere Ilse Mombaerts (‘Professor’ is ze niet langer waardig genoemd te worden, vind ik) en het arrogante Gasthuisberg toe, is het mijn belangrijkste tijdverdrijf op dit moment. Niet dat ik daar constant mee bezig ben. Integendeel zelfs. Er is maar één ding dat constant is en dat is de wanhoop. Die is altijd aanwezig. Dan, op de tweede plaats, komt de haat en de kwaadheid. Die slaagt er zelfs in om af en toe de wanhoop te doorbreken. En pas daarna, op de laatste plaats, komen de mogelijke oorzaken van de kanker. Die springen telkens weer als individuele feitjes onverwacht in mijn hoofd. Begeleid door de vraag: “Zou het dat soms kunnen zijn?” Het duurt dan een minuut of twee om het ding te overwegen, te bekijken langs alle mogelijke kanten en dan te catalogeren als totaal irrelevant want die kanker zit daar toch al aan mijn oog. De wanhoop terug toe te laten en alles te laten overspoelen als de tsunami dat dat monster telkens weer is. Bijkomend probleem bij dit alles: de lijst van mogelijke oorzaken die eindeloos is en dus niet afgewerkt geraakt. Bovendien blijft alles terugkomen. Dingen die je op een bepaald moment afschrijft als onzin komen even later dan toch weer terug als absolute zekerheden. En zo gaat het maar door.
Ik wil jullie echter de belangrijkste van deze bespiegelingen niet onthouden. Als het iets aantoont is het hoe belachelijk een mens wel niet kan zijn en dat is toch een les die we altijd en onder alle omstandigheden moeten blijven onthouden. Daarom, de theorieën die opgeld doen tijdens deze langste nacht, zijn de volgende:
- Zou het van het zwemmen kunnen komen? Zoals eerder gezegd heb ik door het zwemmen, door mijn spannend Speedo Merit zwembrilletje, het gezwel voor het eerst ontdekt, begin dit jaar al. Bij het afzetten van dat brilletje was er plots die pijnlijke bobbel. Zou het kunnen dat al die brilletjes, die ik ooit versleten heb, te hard spanden en een of andere smeerlapperij klem gezet hebben in een traankanaal? Iets dat daar zo ambetant van werd dat het op de duur geopteerd heeft voor het opstarten van een goede oude kankercelproductie? Iedereen die ooit gezwommen heeft met een zwembrilletje, weet wat ik bedoel, met de rode randen van het zwembrilletje die afgedrukt staan op je gezicht rond je pijnlijke oogballen. Of zat er soms vuiligheid in het zwembad en werd dat samengedrukt in mijn traanzakje aan de linkerkant? Een tijdje geleden is mijn favoriet zwembad in ieder geval een tijdje gesloten geweest omdat het valse plafond begon in te storten. En dat daar rommel in kan zitten zoals asbest is algemeen geweten.
- Of zou het kunnen dat het van de vakantie in Corsica komt, twee jaar geleden? Van die laatste dag aan de zee? Zoals zo vaak gingen we d’r nog eens één keer, de laatste keer, voor een goei bruin coucheke op het strand en ik herinner me alsof het gisteren was dat net op het moment dat we terug op weg naar onze tent vertrokken hoog in de bergen, we zaten net in de wagen, ik een hele korte, maar heel intense pijn voelde aan de zijkant van mijn neus, de linkerzijkant bovendien. Zo intens alvast dat ik ernaar greep met mijn hand en dat ik erover begon te praten tegen Tin. Het was alsof er plots een naald in de zijkant van mijn neus werd gestoken. Even snel als hij gekomen was, was hij echter weer weg en sindsdien heb ik er totaal niet meer aan gedacht. Tot nu.
- Of zou het nog verder terug gaan in de tijd en van mijn vader komen die als belangrijkste hobby zijn konijnen in zijn konijnenkot had? En die die lustig inspoot met alles wat hij dacht dat ze nodig hadden? Tegen de konijnenziekte enzovoort? In die gloriejaren van de pharmaindustrie, de jaren ‘60 en ‘70? En elke zondagmiddag aten wij konijn aan de grote eettafel. Superlekker, maar god weet wat er allemaal in zat. Ik heb in ieder geval nooit bij ons thuis een dierenarts gezien.
- Of zou het van Tsjernobyl komen? Toen ik in de nacht van 1 Mei 1986, aan het begin van dat verlengd weekend, in de gietende regen terug naar huis fietste aan de Kastelein, lichtjes aangeschoten wel? Om dan pas de dag nadien op de radio te horen dat er die nacht een radioactieve wolk over ons land getrokken was, afkomstig uit de steppen van de Sovjet-Unie. Niet langer ernstig radioactief, werd er in één adem aan toegevoegd, maar toch verzwegen tot dan door de Europese en nationale bewindvoerders. Waarom mensen ongerust maken als het niet nodig is, niet?
- Of komt het van het snutten? Ik hoor nu al iedereen denken: het snutten? Maar sinds een jaar of twee al probeer ik, wanneer ik met de fiets naar het werk ga of terug, te leren snutten zoals mijn grootvader zaliger dat deed; zo met de duim van een hand het ene neusgat toeknijpen en dan zo hard als mogelijk blazen door het andere gat. Zodat je de snot lekker weg ziet vliegen. Alleen moet je je hand op tijd weg trekken of ze hangt zelf helemaal vol met slijm. En dat is niet de bedoeling. Alhoewel. Als ik het echt zoals Vaderhoskens wilde doen had ik de snot misschien net wel moeten opvangen. Want hij deed dat onder andere wanneer hij een groot stuk grond moest omschuppen en de geruchten gaan dat hij dan zijn snot gebruikte om de grip van zijn handen stevig te houden. De volgende generatie, die tufte gewoon in zijn handen, om hetzelfde doel te bereiken. En mijn generatie vind dat allemaal, snutten én tuffen, nu al veel te vies. Jakkes, wat al die boeren voor ons allemaal niet deden. Zo snel gaat dat. Maar ik heb het dus nooit echt goed gekunnen, zo vliegend snot snutten. Rechts ging het wel. Daar lukte het me al een tijdje om er een stevige snottebel door te jagen. Maar links is het nog altijd alsof die riolering in mijn neus niet goed in mekaar steekt. Dat er ergens een obstakel zit dat alles blokkeert. En misschien is dat wel dat gezwel en heb ik dat gewoon wakker geschud met al mijn gesnut?
- Of komt het soms van die ene keer dat ik wat centen nodig had en, zonder enige kennis of ervaring, de houten vloeren van een burgerwoning uit de jaren vijftig heb zitten proper maken met een schuurmachine? Omdat daar een zwarte smurrie ophing die vroeger diende om de linoleum perfect te doen aansluiten? Allemaal in het zwart natuurlijk, maar deze halsdaad is ondertussen zeker verjaard, dus ik mag dat hier rustig bekennen. Allez, als op ontwijking van de belastingen tot in de miljoenen of zelfs miljarden euros een verjaringstermijn van slechts enkele jaren staat, zal zo’n student die wat bijverdient zich geen zorgen moeten maken, veronderstel ik. En dan zeker een student zonder enige ervaring. Want het was pas nadat de dochter van de nieuwe huiseigenaars even was langs gekomen dat ik plots een mondmasker en een stofbril kreeg aangeboden.
- Of zou het dan toch nog van mijn roken komen? Tot bijna 20 jaar geleden was ik een verstokte roker. Net zoals alle mannelijke en de meeste vrouwelijke leden van de familie. Maar toen, in 1999, na een jaar of twee verminderen, had ik er plots helemaal genoeg van. En iets wat ik nooit voor mogelijk gehouden had, gebeurde dan toch: ik stopte met roken. Volledig. Maar hier vraag me nu af of ik daar wel goed aan gedaan heb. Mijn vader en mijn oudere broer zijn ook dikwijls gestopt. Maar altijd terug begonnen. Zij hebben echter geen kanker gekregen. Misschien is roken ook wel ergens goed tegen kanker? Is dat hoesten ‘s morgens, alsof je ter plekke ofwel gaat stikken in je slijmen ofwel een hartaanval gaat krijgen terwijl je probeert hen open te rijten met lucht, eigenlijk gezond? Kwestie van de luchtwegen eens goed open te zetten en leeg te blazen? Een beetje zoals met die nieuwe Dyson stofzuigers tegenwoordig? Daar heb je ook geen stofzakken meer nodig.
En zo blijven alle mogelijke oorzaken maar malen door mijn hoofd. Steeds weer opnieuw. Enkel de theorie van ‘het niet genoeg geweend hebben’, heb ik ondertussen kunnen laten varen. Wat dat is pas echt totale onzin. Alsof ik niet genoeg afgezien zou hebben in dit met chemische spul alom vervuild, slijkerig tranendal. Daar zal ik eens goed mee lachen, zie.
30 december 2018 – De langste nacht
Goed, ik weet dat er mensen op aan het werken zijn. En dat we nog altijd maar de eerste week van de Kerstvakantie zijn. Maar ik heb nog altijd niets van hen gehoord. En zolang ik niets van hen gehoord heb, weet ik toch ook niet zeker of ze mij wel echt gaan kunnen helpen? Is die joekel van een gezwel naast mijn linkeroog bijvoorbeeld nog wel ‘behandelbaar’? Zelfs zonder uitzaaiingen? Want het is niet omdat het ding primair is dat er plots geen probleem meer zou zijn, of wel soms? Ze kunnen in ieder geval moeilijk mijn kop afzagen om zo verdere verspreiding te voorkomen. En zelfs als er nu nog geen uitzaaiingen zijn, hoe zit dat met die microschilfers? Die onnoemelijk kleine kankercelletjes die op de duur los komen van het moederschip en zich daarna verspreiden door het lichaam via het lymfestelsel of de bloedvaten? Of hoe zit het met die fase tussen één gezwel op één plaats en vele gezwellen op verschillende plaatsen? God zij dank heb ik blijkbaar nu nog geen gezwellen op andere plaatsen, maar misschien zit mijn lichaam op dit moment al vol met van die schilfers, op zoek naar een nieuwe locatie om zich te nestelen en zich nadien lekker tegoed te doen aan mijn organisme. Zot ben ik aan het worden van al deze vragen en angsten in mijn hoofd.
Ettelijke keren sta ik op het punt om te mailen, of nog erger, te bellen naar Yvo of Willem. Maar telkens geneer ik me dood. Ze hebben al zoveel gedaan voor mij en ook voor hen is het nu Kerstvakantie. Wat ga ik dan wat beginnen mailen of bellen en hen lastig vallen omdat het allemaal niet snel genoeg zou gaan? Omdat ik geen tijd meer zou hebben om te wachten? Waarom zouden zij in de Kerstvakantie de rommel snel snel moeten opkuisen die die incompetente en arrogante Ilse Mombaerts en dat Gasthuisberg van mijn kloten, dat monster van een medisch instituut van de KU Leuven boven op de berg, veroorzaakt hebben? Die hun werk eerst al niet goed gedaan hebben en daarna alles gewoon hebben laten aanmodderen?
Hetgeen het helemaal ondraaglijk maakt, is dat er sinds kort weer een nieuwe gewaarwording bijgekomen is. Sinds een dag of drie ervaar ik ter hoogte van mijn wenkbrauw zo van die elektrische zenuwspasmen. Alsof er zich daar een kikker bevindt die gevivisecteerd is en waar men nu met elektrische schokken probeert te checken of een van die kikkerbillen zich nog samentrekt zoals het hoort. En soms wordt het nog erger want dan heb ik het gevoel dat het niet gewoon in de wenkbrauw zit maar nog dieper; in de sinus al of zo. En is die kanker zich al een weg aan het banen richting hersenen. Of zich al minstens in het bot van de oogkas aan het ingraven. En hoe doen ze dat, een oogkas wegzagen? Hoe maak je een gat in een holte? Waarschijnlijk maken ze het gat gewoon groter. Met de laser, zoals in Star Wars. Bot of geen bot, zelfs titanium gaat dat ding lossendoor. En valt er dan soms niets uit? Een stuk van de hersenen? Het stuk met mijn taalknobbels? En is het gedaan met mijn polyglot gekoketteer? Of nog erger, mijn kritisch vermogen? En word ik voor een jaar of twee nog een kwijlend debieltje? Voor zover ik dat al niet ben.
Gelukkig zijn Tin en de kinderen er om mij wat af te leiden. Ook thuis. Want je kan niet elke dag een stad bezoeken. Het is vreemd hoe dat zelfs maar half uitgesproken zinnen of half uitgevoerde huishoudelijke taken zo veel rust kunnen brengen. Gewoon omdat ze door jezelf of je huisgenoten geopperd of uitgevoerd worden. Gewoon de wetenschap dat dit allemaal gebeurt en dat je daaraan participeert, al is het maar door aanwezig te zijn, geeft zin aan het leven. Meer hoeft dat niet te zijn dat leven. Al die grote dromen stellen niets voor in vergelijking met dat vuil bestek in die afwasbak en dat stuk taart dat daar staat uit te drogen. De stomste huishoudelijke taak geeft meer zin aan dit leven dan Eerste Minister zijn of CEO van om het even welk bedrijf. Ik heb eigenlijk altijd al geweten dat die huisvrouwen stiekem gelijk hadden. Thuis is waar het te doen is. Al de rest is opvulling. Het is daar dat ons leven zin en structuur krijgt, bepaalt wordt wie of wat we zijn. Maar ik heb tot nu toe wel nooit beseft dat ik tot op zo’n microniveau bepaald word door mijn directe omgeving. Die idee dat we allemaal los staan van elkaar, eilandjes zijn voor elkaar, klopt dus maar gedeeltelijk. Ja, het klopt als het gaat over onze diepste verlangens. We weten zelf al niet zo goed wat we allemaal wel willen. Laat staan dat we zouden kunnen controleren wat er allemaal in ons omgaat. Wie zou er dan in staat zijn om, in deze omstandigheden, zijn of haar zielenroerselen op tafel te leggen en even voor te leggen aan al die dierbaren? Kwade tongen beweren steevast dat we niet durven. Maar het is geen kwestie van durf. Het is een kwestie van onmacht. We delen wat we kunnen maar veel is het niet. En uiteindelijk doen we allemaal toch gewoon onze goesting. Maar dat van die eilandjes klopt dus niet als het gaat over onze identiteit, over wie of wat we zijn, over waarom we de dingen doen zoals we ze doen. Zonder de anderen zijn we een vat chaos, vol angsten en dromen. Het zijn zij die zeggen wie we zijn. Zelf lullen we er maar wat op los.
31 december 2018 – Tristan en Isolde
Het is weer zover. Weer loopt een jaar op zijn einde. En omdat we niet in Boedapest zitten, hebben we aan Tim en Isa gevraagd of we bij hen oudejaar mogen komen vieren. De afgelopen jaren, als we dan toch een keer niet het land verlaten hadden, ik schat dat het nu de derde keer is op bijna twaalf jaar tijd, waren zij telkens het ideale Plan B voor ons. En wij ook voor hen, denk ik. Ideaal omwille van, zoals zo vaak bij die jonge gezinnen, de kinderen: zij hebben d’r twee en wij hebben d’r twee, van ongeveer dezelfde leeftijd en alle vier zijn het lieve, zorgzame en fantasierijke kinderen. Geen opgefokte kinderen die absoluut hun superioriteit willen bewijzen door dingen kapot te maken. Met gedoogsteun van de trotse ouders. Neen, vier kinderen die kunnen communiceren en heel goed met elkaar kunnen opschieten. Ideaal ook omwille van de afstand. Zij wonen in Schaarbeek, wij in Kortenberg. Ik schat, in vogelvlucht, op maximum 10 kilometer afstand van mekaar. Met zo’n korte afstand behoort enige alcoholconsumptie tot de mogelijkheden. En zeg nu zelf, hoe oudejaar vieren zonder alcohol? Zeker als de gastheer ook nog eens over een fantastische wijnkelder beschikt. Want ideaal ook omwille van de locatie. Oudejaar vieren we altijd bij Tim en Isa thuis. In hun prachtig herenhuis. Niet dat ons huis niet mooi is. Maar dat van hun past toch iets beter bij de feestelijke aangelegenheid die oudejaarsavond toch is. In ruil, dat is door de jaren zo’n beetje stilzwijgend overeengekomen, organiseren wij minstens één keer per jaar een fantastische barbecue bij ons thuis. Want wij hebben misschien geen herenhuis maar wel een prachtige tuin in de zomer, daar bij ons op den verre boerenbuiten.
Ideaal ook omwille van de kookkunsten van Tim en Isa. Tim is een getalenteerd amateur-kok die zelf ook graag veel en lekker eet. Zo een van die mensen ook die zo veel mag eten als hij wilt, hij blijft even slank. Maar vooral, vooral, vooral, is Isa van Italiaanse afkomst. En niet zomaar van Italiaanse afkomst, maar afkomstig van de mooiste stad van la mia Italia: Siena! Wat betekent dat ze minstens de primo piatto voor eigen rekening neemt en dat tegen dat het hoofdgerecht op tafel verschijnt ik al in de zevende hemel zit. Het toeval wilt dat Tim – alhoewel is dat wel toeval? Ik denk het niet. Ik denk dat dat pure lotsbestemming is – afkomstig is van de mooiste stad van België: Brugge. Of neen, correctie, eigenlijk is hij afkomstig van Nieuwpoort, maar hij is naar de middelbare school gegaan in Brugge en zoals bijna alle West-Vlamingen beschouwt hij Brugge toch als zijn referentiestad. Een beetje zoals Tin en ik met Antwerpen van Ongs doen. En dat Isa net van Siena komt en Wim net van Brugge, dat moet dus echt het fatum zijn. Want beide steden zijn niet alleen de mooiste van hun land, ze zijn ook van alle steden in hun land min of meer de naam waardig, het meest verstard in de tijd. Waar dat je in Brugge elk moment een jonkvrouwe met zo’n middeleeuwse punthoed op verwacht in een bootje op de reien vergezeld van enkele zwanen, verwacht je in Siena elk moment zo’n ridder of een condottiero op een paard die met kletterende hoefijzers en wapperende banier door de straten dendert op zoek naar de zoveelste veldslag met Firenze.
Bovendien is er geen volk waarmee wij, Vlamingen, meer gemeenschappelijk hebben, dan met de Italianen. Wij delen dezelfde aandoenlijke naïviteit, dezelfde openheid naar de rest van de wereld toe, houden beiden ontzettend veel van lekker eten en verafschuwen chi chi maniertjes, stammen allemaal af van boeren want de nobelen zijn al lang verdwenen met de noorderzon, en zijn meer bezig met de verschillen en conflicten tussen onze eigen steden en regio’s dan met die ene allesoverkoepelende staat die ons allemaal niet zoveel zegt, behalve als het voetbal is. En dit allemaal geldt des te meer voor de fiere Toscanen en West-Vlamingen. Bovendien gaan deze twee bevolkingsgroepen dan ook nog eens beide gebukt onder dezelfde zware historisch-culturele verantwoordelijkheden, zoals, om er maar één te noemen, de geboortewieg zijn van hun respectievelijk taalgebied. Het officiële Italiaans zijnde oorspronkelijk het Toscaans en wij Vlamingen en vooral de Nederlanders, die zonder verloren zouden zijn, kunnen enkel God en misschien ook Brabant danken dat de gutturale keelklanken, de g en vooral de h, toch behouden gebleven zijn in het Nederlands ondanks dingen als de ‘Geilige Heest.’
Van leden van zo’n trotse volkeren kun je niet verwachten dat bescheidenheid hun grootste troef is. Wat op zijn beurt dan weer leidt tot de nodige, af en toe rumoerige conflicten. Voeg daar nog een stevige scheut koppigheid aan toe en ik kan jullie verzekeren dat een mens zich bij Tim en Isa nooit verveelt. De meest hoogoplopende discussies gaan natuurlijk net over al die dingen die hen zo na aan het hart liggen. Vergelijkingen tussen Brugge en Siena zijn dan ook uit den boze. En het onderwerp koken wordt liefst ook vermeden. Hetgeen niet zo eenvoudig is aan zo’n rijkelijk gevulde feesttafel. Maar in tegenstelling tot hun twee oerhelden – als echte Wagnerfanaten, tot en met bezoekjes aan zijn muziektempel te Bayreuth, inclusief het Bayreuthfestival zelf – Tristan und Isolde, hebben Tim en Isa tot nu toe alle interculturele spanningen overleefd. Waarvoor iedereen die hen kent de schikgodinnen dankbaar is.
Tim en ik hebben elkaar leren kennen bij het opstartende Telenet toen we daar samen werkten op de marketingafdeling rond de eeuwwisseling. Zelfs de euro bestond nog niet. Zo ver gaan wij terug in de tijd. Lange tijd was hij een van de bergwandelaars ook. Maar sinds zijn knie begint op te zwellen voor niets is hij afgehaakt. Liever dat dan naar de dokter gaan, zegt hij zonder woorden. Dat hij een goede vriend ging worden was echter vanaf het begin duidelijk. We houden beiden van intellectuele uitdagingen, zoals een stevige discussie over een boeiend onderwerp op tijd en stond, aangevuld met een scheut intermenselijke lichaamswarmte, liefst zonder elkaar aan te raken. Wat niet wilt zeggen dat er geen verschillen zijn. Zo zit hij tijdens het werk altijd piekfijn in het maatpak. Terwijl ik al eens in een t-shirt durf te verschijnen op kantoor. En waar dat de Hoskensen allemaal dezelfde boerenstam hebben die terug gaat tot in Retie of Corsendonk, stamt hij rechtstreeks af van een lange rij notabele tandartsen.
Maar onze vriendschap is een wetenschappelijk bewijs dat inhoud belangrijker is dan vorm. En alhoewel de discussies tussen ons soms best pittig kunnen worden, blijft een gevoel van mateloze liefde altijd overheersen. Soms sluipt er wel enige twijfel in onze relatie. Omdat wij elkaar ook niet zo vaak zien. Drukkertje druk dat we zijn. Maar als ik hem en zijn brede lach dan terug zie, vooral die opgeblazen breedsmoelkikkerlach van hem waarmee hij aangeeft iets belachelijk te vinden, wakkert mijn liefde telkens weer op en heb ik alleen maar zin om hem te knuffelen. En anders zijn er onze bezigheden wel die ons telkens weer op een of andere manier doen samen vallen. Zo was zijn laatste exploot op zich al voldoende reden voor mij om hem te blijven koesteren: zeg nu zelf, iemand die een Japans kunstboek over de psychologische impact van kleuren begint te lezen met de hulp van Google Translate, aan een tempo van één pagina per dag, die moet toch al even zot zijn als ikzelf?
Wat Tim en Isa als koppel vooral uitzonderlijk maakt is de warmte die ze samen uitstralen. Hier, in dit huis, wordt niemand veroordeeld of zelfs beoordeeld. Tenzij het een klootzak of een trut is. Dan moeten ze niet meer terug komen. Maar voor de rest: alles kan en alles mag want we zijn allen mensen, zwak en lief tegelijkertijd. Wat voor Tin, en dus ook voor mij, ontzettend belangrijk is. Want hierdoor gebeuren er in die mooie stadswoning geen lelijke dingen, zoals een kind dat net iets te grof op zijn plaats gezet wordt of gewoon straal genegeerd wordt terwijl het om aandacht schreeuwt, of een vuile opmerking langs de neus weg gelanceerd wordt maar toch met de bedoeling om goed te raken in de onderbuik, hetgeen bij Tin, hypersensitief als ze is, enorm uitvergroot wordt alsof ze een gevoelsversterker heeft zitten in haar hoofd. In die mate zelfs dat ze er zelf van kapot is. Ook als het allemaal gericht is aan een hamster die in een hoek van de kamer in haar rad onverschillig wat staat rond te draaien.
Ook nu weer klikt het bijzonder goed tussen ons allemaal. De kinderen vallen na een half uurtje aperitieven al niet meer te bekennen en Tim en Isa zijn weer zo lief en warm dat we ons al direct lekker thuis voelen. Natuurlijk komt mijn ziekte ter sprake en vooral wat er allemaal misgelopen is in Gasthuisberg, maar Isa weet me al direct met grote stelligheid te zeggen dat kanker in de regio van het oog goed te genezen valt omdat om een of andere reden er minder snel een metastase van komt. Dixit haar moeder toch. Zelf geloof ik er niet veel van en zeg dat ook, zeg dat alles wat er misgelopen is bij Gasthuisberg misschien wel mijn leven gaat kosten, een jaar tijdverlies plus de verkeerde operatie is toch meer dan genoeg voor een meer ingewikkelde vorm van metastase of niet soms, maar ik ben haar gewoon dankbaar voor de woorden van hoop. Het eten is zoals altijd weer superlekker en de wijn nog beter. Rond een uur of elf is er een optreden van hun zoontje van 8 jaar die viool leert. Het blijft verbazen met wat voor een sérieux hij het instrument onder zijn kin stopt en dan een gans stuk te berde brengt zonder te stoppen. Een kind van acht jaar. Zou dat aangeboren zijn, zo’n gedisciplineerd inlevingsvermogen? En om twaalf uur volgt natuurlijk de grote apotheose. Sinds de verbouwingen aan hun huis hebben ze een groot dakterras van waar je zicht hebt op de Brusiliatoren en dus het vuurwerk boven het Josaphatpark kunt aanschouwen. Zoals steeds worden de kinderen hyperenthousiast wanneer we aan het aftellen beginnen. En wanneer het vuurwerk dan eindelijk losbarst, vliegen ook de kusjes en de wensen in het rond. Het is hier dat ik even het masker van de avond moet los laten en even uit mijn rol val. Want terwijl Tim en Isa hun uiterste best doen om vrolijk en met de champagne in het hand het Nieuwe Jaar welkom te heten, kan ik het niet laten om me de vraag te stellen of dit niet het laatste Nieuwjaarsvuurwerk gaat zijn voor mij? Of ik er volgend jaar nog wel bij zal zijn, bij deze vrolijke feestbende? En wat gaat dit nieuwe jaar voor mij allemaal niet in petto hebben? ‘Een Gelukkig Nieuwjaar’ lijkt mij in ieder geval in deze omstandigheden een vreemd ding om te wensen. Maar ze zouden Tim en Isa niet zijn als ze zichzelf die vraag ook niet zouden stellen. Ik zie en voel ze kijken in het donker naar mij, met behoedzame ogen, hun gelaat half opgelicht door het vele vuurwerk. Kijken of het wel lukt en of het wel past nu al dat gevier en al die toasts. Tin, die, die ziet zelfs zonder te kijken dat ik het even moeilijk heb.
