
Rarara wie benne kik?
Is er iemand die al weet?
Hoe ik heet?
18 januari 2021 – The horror. The horror.
De meeste mensen zien nooit kanker. Het zit in hun longen, in hun prostaat, in hun borsten. In het beste geval zien ze, naast een opgeheven stilo van een witte geschelpte, een rare vlek op een CT-scan. Ze worden eraan geopereerd. Maar ook dan krijgen ze het gezwel niet te zien. Het verdwijnt heimelijk in de hellekrochten, de onderbuik van het ziekenhuis. Het wordt meegenomen naar de labo’s onder de grond voor biosecties, uitgevoerd door pathologen, die niets anders doen dan dat na als student begonnen te zijn met die kikkerbillen. Maar de patiënten zelf krijgen het zelfs dan nooit te zien.
Maar ik heb het gezien. Ik heb gezien hoe het explodeerde in mijn oogkas na die totale blunder van een operatie van een van die diensthoofden ophtalmologie van Gasthuisberg, met name Ilse Mombaerts. Hoe het zich nadien een weg zocht in die engte. Hoe de aders erop kwamen te liggen omdat die kankercellen naast suiker ook bloed zuipen. Alles eigenlijk wat energie brengt aan een menselijk lichaam, opvreten. Wat ineens verklaart waarom die kankerpatiënten in latere fases met zo veel gewichtsverlies te maken krijgen. Zelf zit ik ondertussen aan min 10 kilo of mijn derde nieuwe gaatje in mijn broeksriem. Alleen is het nu nog niet duidelijk of dat op dit moment ligt aan de kanker of het verlies aan eet- en levenslust gecombineerd met het stoppen met drinken van alcohol. Niet dat ik voorheen een alcoholicus was. Maar die 1 à 2 flessen rode wijn per week, aangevuld met af en toe een sterk biertje, valt toch niet te verwaarlozen als bron van calorieën. En neen, niet dat ik nu geen goesting meer heb, integendeel, maar het bevalt me gewoon niet meer zo.
Ik heb letterlijk aan den lijve ervaren hoe agressief dat gezwel wel niet was. Hoe dat het zich door niets liet tegen houden. Niet door een oog, niet door wat kliertjes die zich toevallig in de buurt bevonden, zelfs niet door een oogkas annex schedel. En hoe het in deze ‘situ’ exponentieel groeide, sinds Corona en twee besmettingsgolven verder een vertrouwd begrip voor ons allen. Het begint piepklein, om daarna langzaam groter te worden, om dan, na de prutsoperatie van Mombaerts, te groeien aan een tempo dat enkel als angstaanjagend kan bestempeld worden.
Ik weet dan ook beter dan wie ook dat ik gedoemd ben. Dat het gewoon een kwestie van tijd is tot dat de boel ontploft. En deze keer gaat er niet veel meer aan te doen zijn. Bij die MRI van verleden jaar augustus was de assistente radiotherapie bezig over 6 ‘incidenties’ in mijn hersenen; 5 kleinere en 1 ‘iets grotere’. 6 verschillende plaatsen dus in mijn hersenen waar er zich toen al tumoren aan het vormen waren. De bestralingen gaan hen in het beste geval wat afremmen, of zelfs afblokken, maar meer zit er niet in. Zelfs als de radiotherapie succesvol is, is het dus gewoon wachten op de volgende plaats waar zich een tumor zal ontwikkelen. Kortom, ik ben een vogel voor de kat. En afgaande op de agressiviteit van dit type tumor zal het allemaal niet heel lang duren.
En dit alles ondanks het feit dat ik onmiddellijk medische hulp gezocht heb. Onmiddellijk. Vanaf dag 1. Ik wist alleen niet dat het kanker was. Dus ging ik naar een oogarts. Deze fout zal mij nu mijn leven kosten. En het heeft mij nu al bijna twee jaar mijn linkeroog gekost. Met dank aan een oogarts. Maar als je een probleem hebt aan je oog, dan ga je toch naar een oogarts? Als er ook maar een vermoeden van kanker was geweest, het kleinst mogelijke vermoeden, had ik onmiddellijk mijn twee engelbewaarders van het UZ Gent gecontacteerd, had ik hen gevraagd wat te doen. Maar dat was er niet, zo’n vermoeden, zelfs geen flauw idee. Dus ging ik naar de oogarts. En eigenlijk was dat nog een goede oogarts want al na twee consultaties vermoedde die kanker. Alleen zegde ze het niet tegen mij. Durfde ze het niet te zeggen tegen mij. In de plaats daarvan stuurde ze mij met een doorverwijzingsbrief naar een professor van Gasthuisberg met een vraag naar ‘meer beeldvorming’. En daar is alles, maar dan ook alles, van begin tot het eind, volledig verkeerd gelopen.
Ongelooflijk. Wie had ooit gedacht dat zoiets kon gebeuren in zo’n universitair ziekenhuis, een ziekenhuis met zo’n reputatie? Iemand die zo’n ereloon vraagt en krijgt, die moet toch weten wat ie doet? En ik kan me nu al voorstellen wat voor een excuses ze gaan verzinnen om toch maar te zeggen dat het allemaal eenmalig was, een jammerlijk ongeval dat nooit meer zal gebeuren. Dingen zoals: “Ja, maar sindsdien hebben we checks ingebouwd om er zeker van te zijn dat dergelijke verwijzingsbrieven correct opgevolgd worden,” of “Ja, maar we hebben de organisatie van oogheelkunde helemaal aangepast en werken daar nu in teams zodat één persoon niet langer op zijn eentje zo’n foute beslissingen kan nemen,” blah, blah, blah, blah,…
Het enigste probleem is dat, wat er met mij gebeurd is, in tegenstelling tot wat zij met al hun verpletterende almacht zullen beweren, GEEN ongeval was. Dat wat met mij gebeurd is, geen ‘pech hebben’ was. Maar het gevolg van een structureel falen. Dat het hier dus niet gaat over een menselijke fout begaan door één prof, per toeval ook en dan toch een mens. Dat hier alles zo zeer is fout gelopen in elk stadium van mijn ‘case’ dat men enkel van mismanagement kan spreken, mismanagement getolereerd door en zelfs met de goedkeuring van dat dikbetaalde supermanagement van Gasthuisberg.
Misschien omdat die dienst ophtalmologie lekker veel geld opbracht met al die gepensioneerden die aan het staar moeten geopereerd worden. Als er zoveel geld mee gemoeid is, mag er toch af en toe wel een ongelukje gebeuren, misschien? Die ziekenhuizen zijn zo non-transparant dat ik er maar het raden naar heb. Maar wat ik wel met zekerheid kan stellen, is dat wat zeker meegespeeld heeft, is dat hetgeen dat mij helemaal gedood heeft, dat het mes het diepst geduwd heeft, niets anders was dan die mateloze arrogantie die dat vervloekte Gasthuisberg zo kenmerkt. Die arrogantie die maakt dat zij als halfgoden hun staf en patiënten behandelen. Denken dat ze kunnen beslissen over leven en dood zonder zich ook maar enige zorgen te moeten maken over eventuele repercussies. Zij zijn heer en meester, de grootsten en de besten en iedereen moet zijn mond houden als zij spreken en braaf luisteren. Wij mogen al blij zijn als ze willen spreken. Zo erg is het gesteld met die witte jassen van Gasthuisberg.
Met mij willen ze alvast duidelijk niet meer spreken. Het is trouwens, zoals ik al tot in den treure aangeklaagd heb, ook niet aan hen om met mij te spreken. Wat denk ik wel zeg. Zagevent. En wat valt er trouwens ook nog te zeggen tegen iemand die gaat sterven door jouw schuld? “Het spijt ons,” zou een mooie start zijn, maar redt het natuurlijk niet. Dus maken ze gewoon gebruik van hun absolute machtspositie in ons Vlaams zorglandschap en plegen overholen machtsmisbruik door mij dood te spreken. Iemand die dood gaat, dat heeft toch ook geen zin om daar nog iets mee te bespreken. Dat is gewoon tijdverlies. Die moet gewoon dood gaan en een beetje consequent blijven.
Maar met de rest van België willen ze eventueel nog wel ooit een keer overleggen. Van hun heilige berg afdalen om vanuit de goedheid van hun hart aan ons moeilijke dingen uit te leggen. Op één of andere geheime vergadering in een achterkamer want de gewone mensen kunnen zo’n dingen niet aan, zijn te lomp om te begrijpen hoe alles in mekaar zit. Of misschien ondertussen toch al iets publieker, op de televisie of één of ander internetplatform of zo. Om uit te leggen hoe moeilijk hun werk wel niet is. Hoe vlug er wel geen fouten kunnen gebeuren. Dat zij ook maar mensen zijn. En dat zij dus ook alleen maar hun best kunnen doen. Meer kun je toch niet verwachten? Verwachten jullie dan echt meer?
Wel, euh, nu je het dan toch vraagt, om te beginnen, wat denk je van medische slachtoffers op een menselijke en correcte manier behandelen? En medisch geklungel dat de dood tot gevolg heeft in alle transparantie onderzoeken en conform publiek afstraffen? Net zo publiekelijk als dat ik publiekelijk ga sterven door datzelfde geklungel? Lijkt dat jullie wat? Hallo? Hallo?! Zijn jullie daar nog?!!
21 januari 2021 – De eed van Hippocrates is een vod boven op die berg
Shit happens
Dat zeggen de klootzakjes van deze wereld
Maar wat ik heb meegemaakt is geen shit happens
Dat is gewoon schandalig
Kanker krijgen
Dat is shit happens
Hoe dat ik behandeld ben geweest in dat vreselijk arrogante Gasthuisberg
Dat is gewoon schandalig
Doorverwijzingsbrief straal genegeerd
Compleet foute diagnose gebaseerd op verwaand fingerspitzengefühl
Veel te late operatie een flagrante ramp
Alleen de metastase van het gezwel weten ze tot een goed einde te brengen
Maar geen onvertogen woord
Geen onnuttige mening
Geen angst en geen zorg
Je bestaat gewoon niet meer
Als een hoopske stront
Als een stuk vuil
Als een leeg blikske
Smijten ze jou weg
Verwaarloosbare mensen
Verwaarloosbare Belgen
Verwaarloosbare Vlamingen
In de 21ste eeuw
Zet je schrap
Houd je klaar
Ze smijten je weg
Alsof het niks is
25 januari 2021 – De heilige boontjes hebben d’r weeral eens niets mee te maken
Hoera! De eerste geschreven reactie op mijn blog uit de medische wereld is binnen! Op het scherm van mijn iPhone verschijnt onder het Gmail-logo de blijde aankondiging: ‘Dokter X Replies to my blogs. En dan de aanvang van een mail met: “Goedendag, ik ben geen…”’ Daar stopt de ingekorte notificatie.
Ik heb het scherm maar vluchtig bekeken maar krijg het al direct koud en warm tegelijkertijd van binnen. Eindelijk, eindelijk, een reactie op mijn blog van een medicus die ik persoonlijk niet ken, maar die nu ofwel in naam van de tegenpartij contact met mij opneemt om te zeggen dat het genoeg geweest is, ofwel bewogen door de tekst, toch even de behoefte voelt om ten persoonlijke titel mij te zeggen hoe afschuwelijk het niet is wat er met mij gebeurd is. Die zich wilt distantiëren van al die wanpraktijken in Gasthuisberg en zijn solidariteit wilt betuigen met een gewone burger, een echt en bestaand nu nog eventjes levend medisch slachtoffer. Welke van de twee het ook is, het blijft ongemeen spannend na zo lang wachten.
Aanvankelijk durf ik de mail dan ook niet te openen maar dan, omdat ik de spanning gewoon niet langer aan kan, open ik hem vol verwachting. Nu pas valt me de naam in het mailadres op. Het is dezelfde naam als een van de artsen die mij recentelijk behandeld heeft. Het is de eerste teleurstelling: het is dan toch nog een medicus die ik al wel persoonlijk ken. Waarom zou hij mij mailen? Om te zeggen wat hij van mijn blog vindt?
Maar als ik dan het eigenlijke bericht begin te lezen transformeert de teleurstelling wederom in een blijde verwachting. Het bericht begint net met de mededeling dat hij helemaal niet de dokter is die mij behandeld heeft, dat hij hem zelfs totaal niet kent, “Goedendag, ik ben geen familie van deze dokter”, maar toch dezelfde naam heeft, alleen wordt zijn naam met twee woorden geschreven. Dat hij ook een totaal andere specialisatie heeft gevolgd dan de dokter die mij behandeld heeft, laat hij mij weten, maar dat, en hier komt de aap uit de mouw, in mijn blog zijn naam in twee woorden ook voorkomt en dat door deze naamsverwarring mensen die hem opzoeken op het internet bij mijn blog terecht komen. En hier komt het addertje piepen: “Uw blog kwetst wanneer mensen op google zoeken naar mij. Gelieve de nodige aanpassingen te doen.” De eerste teleurstelling verdwijnt in het niets bij de rillingen die nu door mij heen gaan.
Het eerste wat ik doe is checken of het wel klopt wat hij zegt. En inderdaad de dokter die mij behandeld heeft, komt tot nu toe al zo’n twintig keer voor in de blog en op één plaats is de naam verkeerd gespeld. Daar valt dus niets tegen in te brengen. En ik kan me ook wel voorstellen dat zo’n naamsverwarring best vervelend moet zijn als je patiënten over de vloer krijgt die zelfs jouw specialisatie als arts niet kennen.
Maar wat heel de ervaring bijzonder wrang maakt, is de manier waarop ook deze dokter weer totaal zonder ook maar enige empathie zijn handen in onschuld wast want hij heeft natuurlijk weeral een keer niets te maken met wat zijn confraters allemaal uitsteken. Terwijl dat zij en heel hun kaste al lang de regels van het fatsoen overschreden hebben. Hoe lang is dit ontkennen en systematisch doodzwijgen van medische slachtoffers al niet bezig in dit land? En dan, als je het zelf probeert tersprake te brengen, bijvoorbeeld op het moment wanneer men jou zegt dat je terminaal ziek bent, dat er zich zes ‘incidenties’ in je hersenen bevinden, die dooddoener van een reactie: “Het heeft geen zin om over het verleden te spreken, mijnheer Hoskens. Laat ons ons focussen op wat we nu moeten doen.” Alsof daarmee de kous af is. Ze kennen geen schaamte deze mensen van het medische beroep. Alles hebben ze over voor een perfect witte jas.
Wat het bericht van de eerwaarde heer dokter nog schrijnender maakt, is dat de dokter wiens homoniem hij bijna is in mijn blog, de meest geloofde en geprezen dokter is van gans die blog, op Professor Vermeersch na dan, de man met de Gouden Handen. Dat als er nu één iemand was wiens associatie waarmee totaal niet als kwetsend ervaren kon worden het net wel deze dokter moest zijn. Wat wilt zeggen dat de eerwaarde dokter zelf niet eens de moeite genomen heeft om de blog, al is het maar cursief, te lezen. Gewoon een blog met de vermelding ‘medische fout’ in de titel en zijn naam erin is voldoende om van zijne tak beginnen te maken. Tja, beroepseer en zo zeker? Of hoezeer dat dat ongeschonden blazoen nauw aan het hart ligt bij die medici: zij zijn allen perfect en staan daarom boven de wet. Bovendien gebeuren er in hun supercleane en gesteriliseerde wereld geen vuile, vieze of ongehoorde dingen. En mensen die beweren van wel, die mag je met een gerust hart negeren. Het zijn gewoon onruststokers.
Maar privacy en GDPR-gewijs valt hier niets tegen in te brengen en dus verander ik snel de naam op die ene plaats. Onmiddellijk daarna stuur ik een antwoord op zijn bericht dat ik de nodige aanpassingen gedaan heb en dat ik hoop dat hij zich niet langer gekwetst voelt. Het heeft geen zin om te beginnen over hoe gekwetst ik wel niet ben en niet gewoon voel. Dat ik, in tegenstelling tot zijn valse en pompeuze beroepseer, fysiek dodelijk gekwetst ben. Hij zou het toch niet begrijpen.
15 februari 2021 – Vrouwe Justitia is in dit land ook al op sterven na dood
Wat volgt is een update van het bomenfront. Om alles accuraat weer te geven, belooft het wel een beetje technisch te worden. Dus vraag ik jullie, beste lezers, om een beetje geduld te oefenen bij het lezen van deze nieuwe post. En vergeef mij als ik u gaandeweg ergens verlies. Niet dat dat zo erg is; verliezen is de laatste tijd my middle name.
De expertise van de zes bij ons onrechtmatig verwijderde bomen (5 oude en 1 jonge boom) heeft ondertussen plaats gevonden. Stel je hierbij de volgende scene voor in onze achtertuin. Aanwezig: 1 expert, 2 advocaten van de tegenpartij, 1 bomenexpert van de tegenpartij, 3 leden van de tegenpartij, onze advocaat, geen bomenexpert van ons want die heeft al een andere afspraak zegt hij, Tin en ik. Er is een tafel klaar gezet met wat water en glazen om van te drinken. Er zijn echter niet genoeg glazen voor zo’n grote groep mensen, maar dat is niet erg, want er zal niet gedronken worden. Misschien omdat ze zelf door hebben dat het misplaatst zou zijn. Misschien omdat vanaf in het begin de vijandigheden starten.
Vooraleer de expertise zelfs van start kan gaan, kondigt de oudste van de twee advocaten van de tegenpartij al aan dat ze in beroep gaan tegen het tussenvonnis dat de rechter van de burgerrechtbank geveld heeft. Het tussenvonnis dat stelt dat de bomen zich wel degelijk op onze eigendom bevonden. De expert zegt dat hijzelf geen enkele uitspraak over de eigendom van de bomen mag doen, dat dat niet aan hem is en vraagt aan de tegenpartij of het dan nog wel zin heeft om de expertise die dag voort te zetten.
Zelf zit ik midden in mijn postbestralingsfase; de ellendigheid druipt er gewoon vanaf, sijpelt uit elke voeg en opening, in mijn lichaam en in de grond. Alleen al de aankondiging van het beroep, dat die mensen vijf jaar na de feiten nog steeds niet willen inzien dat ze een grove fout gemaakt hebben, doet me wankelen op mijn benen, zo slecht ben ik eraan toe. Ik verwacht en hoop echter dat de bomenshow al afgelopen is en dat de expertise afgeblazen wordt.
Tot mijn verrassing laat de tegenpartij echter de expertise toch doorgaan. Misschien omdat ze al in de mot hebben dat de expert van de rechtbank er ene van de oude stempel is: zo ene van ‘een boom is maar een boom, we gaan dat hier niet te lang laten duren en, ik weet niet hoe dat het met u zit, maar mijn pensioen zit eraan te komen, dus doucement allemaal.’
Dan volgt er een nieuwe verrassing: als start van de expertise vraagt de expert eerst aan de tegenpartij, de verweerders, misschien omwille van het fysiek grotere aantal aanwezigen, om te zeggen wat er gebeurd is. Ik had verwacht dat zo’n expert die al een provisie van 2000 euro heeft ontvangen op zijn minst op de hoogte zou zijn van het dossier. Maar blijkbaar is het de bedoeling dat wij alles voor de zoveelste keer van nul opstarten.
De tegenpartij laat eerst hun bomenexpert aan het woord, een jonge ket van één of ander bosbedrijf, die als centrale stelling heeft dat de uniforme methode voor de waardebepaling van bomen van het Vlaams agentschap Natuur en Bos niet gebruikt mag worden in dit geval want dat de bomen duidelijk deel uitmaakten van het bos achter onze eigendom. Hij verwijst hierbij vooral naar de vegetatie die zich in de buurt van de resterende stronken bevindt. Kadaster of landmeterverslagen zijn in zijn abstract betoog totaal irrelevant. Het is de omringende vegetatie die bepaalt wat bij wat hoort. Terloops maakt hij van de gelegenheid gebruik om de waarde van de bomen, die hij nooit gezien kan hebben, zo jong is hij, zo maar, losjes uit de pols, te reduceren tot zo’n 500 euro per stuk, min 250 euro kost voor het restafval, dus blijft over zo’n 250 euro per boom. Wanneer hun boomexpert gedaan heeft met zijn tactiek van de verschroeide aarde, volgt er nog een kakafonie aan tegenwerpingen van de tegenpartij, gaande van “het kan toch niet dat die bomen eind 2015 verwijderd geweest zijn, we zijn ondertussen al vijf jaar later” (deuh…) tot “we hebben die bomen als een dienst voor de buren verwijderd, zodat ze d’r geen last van zouden hebben.” Bij het aanhoren van de laatste objectie kunnen noch Tin, noch ik, het laten om te beginnen te roepen dat we zo’ne zever in onze eigen tuin niet moeten hebben en dat ze veel beter hun verontschuldigingen zouden aanbieden.
Als iedereen terug wat gekalmeerd is, is het onze beurt. Onze advocate doet haar best om een coherent verhaal op te hangen, benadrukt dat de bomen onze eigendom zijn volgens het kadaster en twee beëdigde landmeterverslagen, dat de verwijdering van de bomen ongemeen brutaal verlopen is, zonder ook maar enige verwittiging, en dat de schade aan onze eigendom aanzienlijk is. Dat het bedoeling is om deze schade nu samen te bepalen.
Op mijn voorstel begeeft de ganse groep zich dan naar boven, op de weg naast de talud waar onze eigendom op uitkomt, de voetweg die boven de afscheiding vormt tussen onze eigendom en het bos. Tin zegt achteraf dat ze de expert hierbij hoort zeggen: “O, er is hier een weg. Daar moet ik toch wel rekening mee houden.” De bestralingstinnitus in mijn oren die ondertussen op volle kracht aan het gaan is, zorgt ervoor dat ik het zelf niet meer hoor. Maar ik maak wel gebruik van het moment om nadrukkelijk de expert te wijzen op de weg en daarmee de brutaliteit van de daad; die houthakkers zijn letterlijk de voetweg overgestoken om de bomen aan onze kant van de weg, beneden aan de talud, en op onze eigendom, om te zagen en mee te nemen. En dit zonder ook maar enige verwittiging. De gekrulde jonge held van de tegenpartij wijst nog op wat vegetatie en het feit dat er toch twee stronken staan die nog nieuwe scheuten krijgen. Die bomen gaan doorgroeien stelt hij hoopvol. Dat we vijftig tot tachtig jaar gaan moeten wachten tot de oorspronkelijke staat hersteld zal zijn, laat hij onvermeld.
Hier van boven op de helling is ook duidelijk te zien dat de bomen op een lijn staan en wel degelijk de afbakening van ons terrein vormen. Op het moment dat ik de expert hierop wijs, begint de tegenpartij luidop en opnieuw de eigendom van de bomen in vraag te stellen. Waarschijnlijk omdat het al dan niet in lijn staan van de bomen een enorme impact heeft op de waarde van de bomen. Opnieuw dient de expert hen erop te wijzen dat hij niet de bevoegdheid heeft om uitspraak te doen over de eigendom van de bomen en enkel daar is om de schade te bepalen.
De expert meet ook opnieuw, na de politie 3 jaar geleden al en onze boomexpert 2 jaar geleden al de omtrek van de boomstronken en spuit in fluoroze verf een getal van 1 tot 6 op de stronken. Dan zegt hij plots dat het normaliter ook de bedoeling was om te zien of er geen verzoening mogelijk was maar, stelt hij, omdat het verschil zo groot is, 1250 euro versus 50000 euro, lijkt de kans hem bijzonder klein op zo’n verzoening. Daar wordt instemmend op gereageerd en na ongeveer drie kwartier verlaat de expert al even plots als hij verschenen was ons terrein. Ik zie de krullebol hem nog nalopen, maar de expert schudt driftig met het hoofd en beschouwt de expertise als afgesloten.
Je zou dan denken, nu is de lijdensweg eindelijk afgelopen. Wel, niets is minder waar, beste lezers. Want wat volgt op een expertise, is een expertiseverslag en ook dat verloopt in meerdere fasen. Allereerst stuurt de expert een voorlopig verslag. In ons geval betekent dat een vod van een document – ik schat dat het maken van dit document de expert maximum een uur werk heeft gekost – waarin gewoon de informatie oraal doorgegeven door beide partijen tijdens de expertise hernomen wordt, gevolgd door een eerste waardebepaling van de bomen waarbij geen enkele verklaring voor het uiteindelijke resultaat vermeld wordt. Wel goed voor ons: de expert stelt dat de uniforme methode wel degelijk mag en zelfs moet gebruikt worden. Slecht voor ons: de expert verlaagt als man van de oude stempel, ongewis van het vernieuwde belang van bomen, ongevoelig voor argumenten die verder gaan dan de houtwaarde op zich, verschillende parameters in de formule ten nadele van ons waardoor de waarde van de bomen niet eens de helft van de door ons geschatte waarde bedraagt, zelfs niet een derde of een vierde, maar nog maar een vijfde. Het komt erop neer dat een boom van vijftig tot tachtig jaar, 25 tot 30 meter hoog, met een diameter van 37 tot 80cm, nog zo’n 2000 euro waard is en niet meer. Elke maand zien we wel ergens een politicus die een boom aan het planten is maar bestaande, gezonde, bijna een eeuw oude bomen die onrechtmatig op het goed van een andere burger verwijderd worden, dat kost aan de daders zo goed als niets. Ik denk zelfs dat wij, als we het zelf gedaan hadden zonder kapvergunning, dat we er dan een hogere boete voor gekregen zouden hebben. De geleden herstel- en minschade wordt door de expert nu dat hij toch bezig is ook zonder boe of bah nog herleid van 10,000 naar een miezerige 1,500 euro. Terwijl er ondertussen al schade aan de talud zichtbaar is, aldus de expert zelf in zijn verslag. En somme, het voorlopig expertiseverslag is wat ons betreft helemaal niet rechtvaardig maar een compromis à la belge waarbij de daders zoals steeds zoveel als mogelijk worden ontzien en de slachtoffers met een habbekrats het riet in gestuurd worden.
Maar, maar, maar,… dan volgt de tweede ronde. En in deze ronde mogen beide partijen kritische opmerkingen maken. Idee is dat de expert dan deze opmerkingen verwerkt in zijn verslag om zo tot een definitief expertiseverslag te komen. Zowel mijn advocate als ik zetten ons ijverig aan het werk, vragen waarom de verschillende parameters verlaagd werden en plaatsen verschillende kritische kanttekeningen bij het voorlopig verslag. De tegenpartij blijft deze keer in gebreke. Buiten een herhaling van reeds eerder gehanteerde argumenten en enkele randopmerkingen wordt er door hen niet veel weerwerk geboden. Het vooruitzicht op een beroep lijkt voldoende voor hen om nu al af te haken. Hoopvol kijken mijn advocate en ik dan ook uit naar het definitieve verslag.
Dat blijkt, hoe kan het ook anders, echter weer een grote teleurstelling te zijn. Elke kritische opmerking van elke partij, zowel de onze als de tegenpartij, wordt afgewezen. Er verandert dus totaal niets meer tussen het voorlopige en definitieve verslag. En waar dat de expert in het voorlopige verslag geen enkele uitleg boodt voor al zijn keuzes en beslissingen voegt hij nu bij elke afwijzing als een echte deus ex machina de ontbrekende argumentatie van het voorlopig verslag toe. Sommige hiervan wel heel bizar zijnde: zo stelt de expert onomwonden dat de bomen niet in één lijn onze eigendom afbakenden want dat ze op verschillende tijdstippen aangeplant waren. Wat dus betekent dat als je aanspraak wilt maken op een ernstige compensatie voor gestolen bomen die je eigendom afbakenden, je best ervoor zorgt, retroactief, dat ze zeventig jaar geleden tegelijkertijd aangeplant werden. Kortom het is allemaal een maat voor niets geweest. Het is gewoon een spelletje dat opgevoerd wordt en dat post factum een indruk van superprofessionalisme moet geven.
Over superprofessionalisme gesproken, wat wel prachtig is, is het uiteindelijke gedrukte expertiseverslag dat we eventjes later via de post aangetekend mogen ontvangen. Geen kat dat het ooit nog gaat lezen maar het is een gerelieerd document van 68 pagina’s geworden. De eerste indruk is er een van ‘amaai, daar is veel werk ingestoken.’ Maar nader onderzoek maakt duidelijk dat het naast enkele inhoudstafels de door onszelf (26 pagina’s) en de boomexpert van de tegenpartij geleverde extra documentatie (13 pagina’s), het gewoon het voorlopige verslag opnieuw bevat (11 pagina’s) en een copy paste, letterlijk, van al onze nagestuurde kritische bedenkingen en de ultrakorte antwoorden van de expert (8 pagina’s – 3 van de tegenpartij – 5 van ons). Kortom het is eigenlijk een naslagwerk van al de moeite die vooral wij, de slachtoffers, ons getroost hebben de afgelopen jaren om recht te bekomen. En niet meer dan dat. Buiten het inbinden zal het de expert opnieuw maximum 1 uur werk gekost hebben.
Misschien is het omwille van dat reliëren, maar de expert stuurt samen met het definitieve verslag wel een extra factuur door voor al het geleverde werk. Bovenop de provisie van 2000 euro rekent hij nog eens 500 euro extra aan als kost. Wat dus betekent dat die expert voor een expertise waaraan hij hoogstens 5 uur in totaal gewerkt heeft, verplaatsing inbegrepen (ter info: hijzelf beweert er in totaal 24,5 uur aan gewerkt te hebben), een prijs vraagt die een pak hoger is dan wat wij voor één van onze bomen gaan krijgen. Als we het geld dat de tegenpartij ontvangen moet hebben voor het hout van de bomen mee tellen, gaat het zelfs over twee zulke bomen. Of zoals reeds eerder gezegd: de parasieten van het gerechtelijk circus vreten zich vet terwijl de burgers, de slachtoffers, in de kou gelaten worden. En oh ja, nu mogen jullie nog eens een laatste keer raden wie dat als ‘meest gereden partij’ in deze publieke commedia dell’arte de extra factuur gaat mogen betalen.
Een expert wraken is echter om miserie vragen. Dan start alles terug van nul en dat kunnen wij in de gegeven omstandigheden niet meer aan. Dus heeft mijn advocate twee weken geleden gevraagd aan de tegenpartij of het nu goed geweest is? Of ze akkoord gaan met het afhandelen van het dossier op basis van de tot nu toe gevallen beslissingen? Als antwoord hebben ze die dag zelf nog hun beroep ingediend. Naast de frustratie over het zoveelste uitstel is het vooral weer de boertige weigering van de tegenpartij om te aanvaarden dat ze een serieuze fout begaan hebben die als een rode lap op mij werkt. Na de ontvangst van het beroep ontstaat er een korte discussie met onze advocate: “Natuurlijk mogen die in beroep gaan, Isolde. Maar met wat voor een argumenten? Krak dezelfde als de eerste keer blijkbaar. En het eerste argument dat ze aanvoeren blijft die onnozele Ferrarisatlas uit de tijd van de Oostenrijkse Nederlanden. En dan nog wat bla bla bla uit de oude doos, zoals dat bij twijfel de eigendom gaat naar de mensen die boven aan de talud wonen – alleen is er met die beëdigde landmeterverslagen geen twijfel en bovendien dateert dat toewijzingsprincipe ook alweer waarschijnlijk nog van de tijd dat de Heren boven woonden en de armen beneden, daar waar de stront als vanouds naartoe ging.”
En voor diegenen die nog eens lekker kreupel willen liggen, samen met de formele kennisgeving van het beroep ontvangen we ook een leuke brief van het Hof van Beroep waarin we opgeroepen worden om een nieuwe verzoeningspoging te ondernemen want dat er, houd jullie vast beste lezers, een achterstand van meerdere jaren is (ik herhaal: MEERDERE JAREN!!!) in de behandeling van dergelijke dossiers. Hetgeen niets minder is dan de openlijke erkenning van het totale failliet van onze rechtsstaat. Als iemand vindt dat ik overdrijf: concreet betekent dit dat je als slachtoffer in dit land na al jaren procederen de keuze krijgt, ofwel aanvaard je een nog mildere straf voor de daders dan het inmiddels al voorgestelde compromis à la belge (waarom anders in beroep gaan?), ofwel moet je nog eens ettelijke jaren wachten. Keer op keer zijn het dus de burgers die weerstand durven te bieden aan wandaden die incasseren moeten en afgestraft worden in dit land. Terwijl dat gewoon recht moet gesproken worden. Waarom denken die rechters eigenlijk dat er een beroep op hen gedaan wordt? Om een koffietafel te organiseren? Er dient recht gesproken te worden, onnozelaars, geen groepstherapiesessies georganiseerd te worden. Ik zeg jullie, als nuchtere vaststelling, en dit zonder ook maar enig politiek motief: justitie is een totale ramp in dit apenland. Zeggen dat alles ok is met dat Belgisch gerecht, of zelfs gewoon meevalt, dat is pas misdadig.
Het beroep betekent in ons ‘geval’ dat we er minstens zeven jaar over gaan doen om ons eigendomsrecht, zoals vastgelegd in twee proces-verbalen van beëdigde landmeters, waarvan één verkregen via de notariële akte bij de aankoop van onze woning, te doen gelden via een rechterlijke uitspraak. En dit als reactie op een bijzonder brutale daad van zogenaamde buren zonder ook maar enig respect voor anderen. Minstens zeven jaar in totaal. Voor enkele onnozele bomen. Voor een ordinaire diefstal. Iets wat normaliter als een strafzaak had moeten behandeld worden door het gerecht.
Want het gaat hier nog maar over een rechtszaak voor de burgerrechtbank; hetgeen historisch als de lichtere variant van rechtspraak in dit land beschouwd wordt. Ziek zijn die mensen die denken dat zoiets normaal of zelfs gewoon aanvaardbaar is. Al die verloren tijd en moeite opdat die van het gerecht toch maar als perfecte en heilige doetjes met vlinderstrikjes of een foulardke rond hun nek de grote jan kunnen uithangen. Net zoals die medische specialisten staan ze boven al dat gewoel en gewroet van het gemene volk. Gemakzuchtig elitarisme pur sang, dat is het. En dan verschiet men dat de mensen niet langer in het systeem geloven. Of dat er extremistische partijen ontstaan. Ikzelf ga het einde van het proces sowieso niet meer mee kunnen maken. Daarom, zouden ze mij postuum recht kunnen doen? Of ga ik echt moeten sterven als een van de vele burgerslachtoffers van onze failliete welvaartsstaat waarin door het verstek van de elites alleen de hardste roepers en de grootste bullebakken met veel poen nog winnen?
22 februari 2021 – Kroniek van een miskende moord
Op deze Europese Dag van het Slachtoffer deze nieuwe post op mijn blog. Opdat slachtoffers van mis- en wandaden niet langer miskend, maar erkend worden. Opdat zij zich niet langer alleen en geïsoleerd voelen met al hun lijden. Overgeleverd aan de grillen van het lot. Zonder enige vorm van rechtsbescherming.
Normaliter, in een rechtsstaat waar dat de burgers verzekerd zouden zijn van hun rechten, zou ik nu perfect een strafklacht moeten kunnen indienen. Een strafklacht voor onvrijwillige doodslag door slagen en verwondingen. Want dat is wat er gebeurd is: ik, een burger van dit land, ben vermoord door de incompetente ophtalmologe Ilse Mombaerts van dat ontzettend pedante, gargantueske monster boven op die berg, genaamd Gasthuisberg. Ondanks alle moderne hulpmiddelen die professionele zorgverleners ter beschikking staan, ken ik door haar vele fouten een gruwelijk levenseinde. Ik ga vroegtijdig sterven aan iets dat indien correct behandeld, vermeden had kunnen worden. Ben nu al twee jaar een oog en al het weefsel daarrond kwijt. Heb een zware chemokuur gekregen. Heb al een tweede operatie achter de rug waarbij klieren onder de kaaklijn verwijderd werden. Mijn volledige hersenpan is al één keer bestraald geweest. En ik zit nu te wachten op de verdere ontwikkeling van de ziekte. Kroniek van een miskende moord, dat is mijn leven geworden. En, op mensen die mij kennen na, geen kat die zich d’r iets van aantrekt. En al zeker de verantwoordelijken zelf niet.
Maar dat gaat dus allemaal niet in dit land, omdat in deze justitiecultuur, slachtoffers niet als slachtoffers maar als onmondige en weerloze sukkelaars behandeld worden. Sukkelaars die van niets weten en eigenlijk gewoon pech hebben gehad want zelfs de goorste klootzakken zijn in dit land volgens diezelfde conservatieve tsjevencultuur mensen van goede wil. Alles wordt hier met de mantel der liefde in alle stilte bedekt omdat het nog de enige manier is om de illusie in stand te houden dat alles hier correct verloopt. Alleen als het niet anders kan, als er op sociale media veel lawaai gemaakt wordt of er dan toch plots een opwelling van sociaal verzet ontstaat, anders gesteld op de zeldzame momenten dat de stront komt boven drijven, zullen ze nog eens wat moeite doen daar bij Justitie. En fake news is er al genoeg. Nog een schreeuwlelijk erbovenop is het laatste dat die brave Vlamingen nodig hebben.
Bovendien raden zelfs mijn eigen advocaten het dus ten zeerste af. Niet alleen zijn die strafrechters, geloof het of niet, nog minder in staat dan die van de burgerrechtbank om een rechtvaardige schadevergoeding te bepalen voor de slachtoffers van wan- en misdaden. Zoals reeds eerder gezegd, het is meer dan symbolisch dat net dat paneel van het Lam Gods verdwenen is ergens in de stinkende modder van dit katholieke vaderland. Maar kiezen voor een strafzaak is, zo wordt mij gezegd, vooral ook kiezen voor onzekerheid: je geeft een klacht af aan het begin van een lange, donkere tunnel en je wacht af wat er aan de andere kant uitkomt. En dit alles conform nog door Napoleon opgestelde spelregels. Het is hoogst onzeker wat daar de uitkomst van is en een veroordeling te pakken krijgen in een strafzaak rond medische fouten, hoe klaar als zonneschijn ook, is dan ook zo goed als onmogelijk met de Orde der Geneesheren die hier in België als een echte kaste al die geneeskundige specialisten in die mate indekt en afdekt dat het pijn doet aan de ogen. Niet alleen Vrouwe Justitia moet naast een mondmasker ook nog een blinddoek dragen in dit land, maar alle burgers van dit land.
Daarnaast is de kans niet irreëel dat het parket van Leuven gewoon meegaat in het toedekken van de vele potten, vermits hun hoge vriendjes van het nabijgelegen berggebied vol met konijnenpijpen betrokken partij zijn. En als we een strafklacht indienen komen we, met mij woonachtig te Kortenberg en de feiten zich voorgedaan hebbende in Leuven, automatisch terecht bij dat parket, zegt mijn advocaat medische fouten. Dan verdwijnt alles in die duistere coulissen van het Belgisch gerecht, eindigt mijn dossier in donkere kamers waar allerlei louche medische specialisten de meest aberrante beslissingen nemen zonder ook maar enige mogelijkheid van beroep of al zijn het maar wat kritische bedenkingen. Superprofessioneel gefoefel, net zoals die boomexpert hier heeft gepleegd ten huize Hoskens. Het zou me niet verbazen als dat we, net zoals bij die boomexpert er retroactief voor hadden moeten zorgen dat die bomen van 40 tot 80 jaar oud op hetzelfde tijdstip in lijn geplant waren geweest, hun conclusie gewoon gaat zijn dat ik retroactief gezien beter ineens naar een oncoloog was gegaan in plaats van naar een opthalmoloog. Retroactieve dooddoeners dus die de verantwoordelijkheid voor wat er gebeurd is weeral eens eenzijdig bij de slachtoffers leggen. Met de conformistische steun van de goegemeente en in dat rijke en onbesproken Leuven zelfs de onuitgesproken dank van Gasthuisberg. Hooggeplaatsten begrijpen elkaar gewoon beter. Zelfs zonder iets te zeggen.
En ook net zoals bij de bomen, waar ze resoluut en zonder dralen naar hun onnoemelijke werklast verwezen zullen hebben, zal het zoveelste medische dossier dat binnen komt bij hen ongetwijfeld enkel een zucht van verveling ontlokken: “Weeral ene van die zieken die vindt dat hem zwaar onrecht aangedaan is, ZUCHT.” Om dat te behandelen naast al die andere dossiers die ze al op hun bureau hebben liggen, is wat te veel gevraagd van het goede. En zo’n medisch dossier betreft toch ook maar één burger, één individu. Zo één individuutje kan telkens weer niet opwegen tegen al die echte roofmoorden en al die wansmakelijke dopen die die conservatieve studentenkringen in Leuven absoluut willen organiseren. Het jammerlijke lot van één naïeve burger weegt niet op tegen al die zware misdaad. Zelfs als het er ondertussen al velen zijn; met al die enorm verschillende ziektegeschiedenissen is het eenvoudig ze apart te houden. Dus moeten we, om toch aanspraak te kunnen maken op een beetje rechtspraak in dit land, terugvallen, net als voor de bomen, op de al even abominabel werkende standaardprocedure voor de burgerrechtbank.
We gaan dus opnieuwe meerdere rondes rond een tafel moeten gaan zitten met een tegenpartij om persoonlijk met hen te zitten discuteren over wat ze volgens ons wel gedaan hebben en volgens hen niet. Om te luisteren naar al de groteske bullshit die zij, de ongenaakbaren, toch maar kunnen bedenken om tegen ons te zeggen dat ze niets verkeerd gedaan hebben. Enig fatsoen moeten we hierbij niet verwachten. Bij de bomen was het de arrogante verwijzing naar de Ferrarisatlas, een atlas nog gemaakt in opdracht van de Oostenrijkse Nederlanders eind achttiende eeuw, die als verweer van de tegenpartij ons, de slachtoffers van hun brutale daad, nog maar eens een keer, voor de zoveelste keer, naar adem deed happen. In het geval van Mombaerts is er de stelling zoals verkondigd in dat schrijven van MS Amlin dat het misschien wel dankzij de volledig onverantwoorde operatie van Mombaerts is, dat de kanker ontdekt is geweest. Hoe moet je op zo’n ontiegelijke huichelarij reageren als de walging voor zoveel mateloze arrogantie alleen al je mond doet vol lopen?
We gaan net zoals voor de bomen uiteindelijk een belachelijke waarde op het verloren gedeelte en de restwaarde van mijn leven plakken, een waarde die langs geen kanten de echte waarde ervan reflecteert. Niet alleen voor mij, maar voor iedereen die een beetje ogen in zijn kop heeft. Maar ja, “een correcte waardebepaling zou het failliet van onze zo fantastische ziekenzorg betekenen!,” brult keer op keer verontwaardigd en unisono die geheime sekte van de Orde der Geneesheren. Een Nederlandse Amerikaan, varkenskop of niet, met een zure bom of niet, die zie je al van verre schaterlachen met ons, achterlijke Belgen.
Om dan op het einde mogelijks weer een beroep rond de oren gesmeten te krijgen waar mijn nazaten weer ineens een paar jaren zoet mee gaan zijn. Net zoals bij de bomen. Hoogstwaarschijnlijk zal ik er zelf bijna niets meer van meemaken, maar om Tin en de kinderen zoveel mogelijk ellende te besparen heb ik alvast besloten om aan een van mijn vrienden te vragen als gevolmachtigde voor het hele proces op te treden na mijn dood. Tot dergelijke extreme maatregelen ben je in dit apenland als slachtoffer verplicht over te gaan. Opdat naast al het andere leed dat geleden moet worden, het ganse verwerkingsproces dat doorlopen moet worden, de overblijvers alles verder aankunnen, gewoon verder kunnen leven. Terwijl de daders in hun vuistje zitten te lachen met het zoveelste uitstel dat ze verkregen hebben of, zoals in het geval van Mombaerts, nog veel erger, hun beroep verder zitten uit te oefenen alsof er nooit, niets, nada, nihil gebeurd is. Straffeloosheid rules in Belgium.
Het heeft dan ook niet veel gescheeld of we waren uit pure onmacht toch vertrokken geweest voor een heuse strafklacht. Mijn advocaat medische fouten was in volle Corona lockdown een tijdje – lees: een maand of drie – verdwenen van de aardbol. Niemand van ons, noch mijn ‘gewone’ advocate, noch ikzelf, kreeg hem nog te pakken. Noch via mail, noch via telefonische oproepen mét spraakberichten. Een gevolg van het gebrek aan dergelijke advocaten, al even reëel en toch kunstmatig gecreëerd als het schrijnend gebrek aan medische specialisten. Penurieën die elkaar wederzijds versterken en ervoor zorgen dat er voor de happy few sowieso een groot stuk koek van de meritocratie overblijft. Of, als dat beter begrijpbaar is, veel geld voor enkelen ten koste van velen.
In afwezigheid van mijn nieuwe raadsman konden mijn wraakgevoelens welig woelen. En ik voelde me ook wel schuldig naar de rest van mijn landgenoten toe. Vond dat de enige manier om correct te reageren op alles wat er gebeurd was, een strafklacht voor doodslag was. Ik had ondertussen ook al een telefoon ontvangen van iemand anders die door Mombaerts mismeesterd was en die op het internet op mijn blog gestoten was. En dacht dus dat het nu mijn burgerplicht was om er ineens een strafzaak van te maken. Want het meest afschuwelijke aan het huidige degoutante systeem is dat die ‘Professor’ Ilse Mombaerts, terwijl ze overduidelijk incompetent en levensgevaarlijk is, ongestoord en ongestraft haar beroep verder zit uit te oefenen in dat gereputeerde UZ Leuven. En op die manier verder slachtoffers maakt aan de lopende band. Want dat ik de enigste ben, daar geloof ik ondertussen geen jota meer van.
Ik was bovendien van plan om mijn nieuwe post met de aankondiging van een strafzaak met veel bombarderie ‘Systeemtest’ te noemen. Maar verschillende vrienden wezen me d’r op dat ik niet moest volharden in mijn Don Quichote rol, dat het geen zin had om vanuit een soort naïef geloof in hoe de wereld zou moeten zijn maar niet is, mezelf en vooral ook mijn vrouw en kinderen, in de voet te schieten. En al zeker niet als de echte eindverantwoordelijken voor wat er allemaal gebeurd is, dat dikbetaalde management van het UZ Leuven, als zelfs die niet doen wat ze zouden moeten doen en Mombaerts gewoon voort laten klungelen. Als justitie het vertikt om op een ernstige manier om te springen met medische slachtoffers. En de politiek door de wet van de kleine getallen ook al niet wakker ligt van dat weerzinwekkend wanbeleid in die zo geroemde gezondheidszorg. Het is niet langer aan mij om te bewijzen dat het allemaal op niets trekt, zeggen mijn vrienden; dat ik dat al ten overvloede bewezen heb. En dat het systeem dus niet langer getest moet worden, want dat het duidelijk toch al zo rot als moes is.
Ik verwacht dan ook niets meer van onze justitie. Of neen, ik verwacht het omgekeerde van wat ik zou moeten verwachten van onze justitie: ik verwacht dat ze, niet als derde macht, maar als één van de gevestigde machten, op alle mogelijke manieren mijn rechtszaak vakkundig de nek gaan proberen om te wringen. Dat verwacht ik van ‘onze’ Justitie. De enigste mensen die nog vertrouwen hebben in onze justitie, zijn de mensen met veel geld. Zij die ook daar verder de bullebak kunnen uithangen. En aangezien mijn tegenstander de triple entente van de megalodons Gasthuisberg, MS Amlin en Orde der Geneesheren is, allen kapitaalkrachtig en met een serieuze couche eigendunk erbovenop, blijft de kans op succes ook voor een burgerrechtbank klein. Zelfs met een doorverwijzingsbrief waarin gewezen wordt op een dodelijk gevaar. Zo machtig zijn ze, die wit gevleugelde belangengroepen.
Toch ga ik het doen. Want het alternatief is niets doen. En dat is, de facto, onmogelijk. Dan is het toch beter om op zijn minst een zandkorrel te zijn. Een van hen die geprobeerd hebben. Misschien dat de vele zandkorrels samen er wel in slagen om het systeem en de pretentieuzen die denken goed bezig te zijn een goei lap rond hun oren te geven. En zo niet, ongevoelig als ze zijn voor het lijden van andere mensen, dan toch het failliet van het systeem, open en bloot, voor iedereen duidelijk zichtbaar te maken. Als het moet zelfs via wat zielig vertoon in de marge. Zodat alvast anderen niet langer dezelfde fout maken.
En, ook meegenomen, op deze manier slaag ik er misschien nog in om, voor zo lang het nog duurt, een gewone mens te blijven. Iemand met een gevoel van eigenwaarde en vooral ook geloof, geloof in de mensen. Geloof dat het ooit anders kan en anders zal zijn. Zodat ik, met het einde van mijn leven in zicht, afscheid kan nemen van alles en iedereen rondom mij als een gewone mens en niet langer als een object dat je zonder problemen kapot kan maken en dan weg mag smijten als een stuk vuilnis.
25 maart 2021 – Mijn fantastisch ziekenfonds
Omdat er zogezegd zoveel profiteurs zijn in onze ziekenzorg, werd ik, aanvankelijk de meest recente Quasimodo uit het Leuvense, ondertussen terminale kankerpatiënt, onder druk van die zielige rechtsconservatieve klootzakjes in de Vlaamse regering, diezelfden die vinden dat burn-out maar iets voor doetjes is, de afgelopen 1,5 jaar zes keer opgeroepen door mijn ziekenfonds ter medische controle. Zij noemen het opvolging door een ‘adviserend’ geneesheer, maar het is brute en rauwe controle. Alleen al de manier waarop je via SMS aangespoord wordt om te verschijnen op de controle maakt elk misverstand hierover onmogelijk; telkens eindigt hij met de onheilspellende statement: “Bij onwettige afwezigheid zal de betaling van uw uitkering opgeschort worden.” Ook telkens word ik gevraagd me aan te melden op uur X van dag Y aan het OZ-kantoor in de steile Monseigneur van Wayenberghlaan te Leuven, de stedelijke toegangsweg van Gasthuisberg. En telkens weer moet ik de walging verbijten die de nabijheid van dat boven God en alles verheven Ceaucescupaleis van de elitaristische medische bekakten boven op de berg bij mij teweeg brengt.
De eerste keer dat ik langs moet gaan, op 29 juli 2019, word ik ontvangen door een dame die mij onmiddellijk bekent zelf geen medicus te zijn, maar een ‘paramedicus.’ Waarop ik uit de lucht val: “Paramedicus? Wat betekent dat?” “Dat ik niet echt een dokter ben.” “Wat bent u dan wél?”, reageer ik bitsig. “Ik ben kinesist van opleiding.” “Kinesist? En u moet mij medisch controleren?” “Neen, niet echt. U moet dit zien als een eerste, inleidend gesprek. Nadien zal u door een medicus verder opgevolgd worden.” “En wat gaat u dan juist doen nu?” “U enkele vragen stellen en uw dossier wat vervolledigen. Is dat goed voor u?” “Ik geloof dat ik niet veel keuze heb. Dus doet u maar.” “Misschien dat u even kort kunt zeggen wat er allemaal gebeurd is.” Ik vertel summier het verloop van mijn ziekte maar laat niet na om te vermelden wat er allemaal misgelopen is in Gasthuisberg. Ze luistert met een half oor en voert af en toe iets in haar PC in. Op het einde vermoed ik dat haar dossier ondertussen wel volledig genoeg zal zijn en afgaande op haar empathische reacties heb ik de indruk dat ze volledig mee is in de gruwel van mijn verhaal. Op dat moment springt de aap uit de mouw. Uit het niets vraagt ze plots: “Mag ik uw oog even zien?” Mijn stem blokkeert. “Sorry?,” krijg ik er nog net uitgeperst. “Gewoon even zien naar uw oog.” “Denkt u soms dat ik hier voor te lachen met een zwart ooglapje op mijn bril zit? Om de boel te belazeren?,” reageer ik nu als door een bij gestoken. Ze begint zenuwachtig te lachen. “Neen hoor. Maar als ik gewoon even naar uw oog mag kijken, kan ik zeggen dat het in orde is.” “Dat het in orde is dat ik eruit zie als een gedrocht bedoel je?” De zenuwachtigheid aan de andere kant neemt verder toe. “Neen, neen, natuurlijk niet. Het is vreselijk wat u overkomen is.” Ik moet al niets meer hebben van haar medeleven en sta op het punt om recht te staan en gewoon naar buiten te wandelen. Alleen blijft bij mij als verantwoordelijke huisvader die dreiging van het wegvallen van die uitkering door mijn hoofd spoken. Dus flap ik eruit: “Als ik het niet doe, verlies ik dan mijn uitkering?” Nu glimlacht ze, de paramedicus: “Neen, natuurlijk niet, mijnheer Hoskens. Het zou het alleen voor mij wat gemakkelijker maken.” Ondertussen wil ik alleen nog maar zo snel mogelijk weg hier. Ik doe mijn bril af. Laat haar enkele seconden met half open mond naar mijn mismaakt gezicht kijken en stap het af.
Twee maanden later, op 12 september 2019, is het weer van dat. Deze keer word ik de facto ontvangen door een echte dokter. Ik vermoed toch dat hij tot de orde der geneesheren behoort want echt gezond ziet hij er niet uit. Hij hangt achterover geleund in zijn stoel met zijn dikke pens recht omhoog. Wanneer ik binnen kom, en tegenover hem aan zijn bureau ga zitten, heft hij traag zijn rechterarm op en laat hem even bengelen boven een naambordje. Met zijn mollige vingers wriemelt hij als een spinnetje boven de letters. Zonder mij ook maar één blik waardig te gunnen, zegt hij: “Dat ben ik.” Jammer genoeg heb ik geen visitekaartje bij. Anders had ik hem de hoffelijke dienst terug kunnen bewijzen. Het verdere verloop van het gesprek verloopt dan ook bijzonder stroef. Bovendien word ik opnieuw gevraagd om te zeggen wat er allemaal gebeurd is. Ik heb geen zin om weer als een brave jongen het ganse verhaal te brengen en vraag dat zij dat toch zelf moeten weten, zij zijn toch mijn ziekenkas? Zij zien toch al die medische behandelingen passeren? Het gezapige en medisch geijkte, je moet er zeven jaar voor studeren, antwoord van de kleffe man luidt dat zij omwille van de privacy geen toegang hebben tot mijn medisch dossier. Waarop ik me afvraag wat ik daar dan zit te doen. Ik antwoord hem dat de overheid en heel de medische sector mijn privacy in hun gat mogen steken. Dat ik het kotsbeu ben om telkens als een aapje gevraagd te worden mijn kunstje op te voeren. Dat ik, als burger en als patiënt, meer professionalisme verwacht van al die duurbetaalde mensen. Nu begint hij al te kijken maar uit zijn blik blijkt dat het hem geen kloten kan schelen wat ik wel of niet verwacht. Zijn dikke buik gaat op en neer op het hortende ritme van zijn ademhaling. Om mijn weerstand te breken, begint hij luidop voor te lezen wat hij in de verte op zijn scherm ziet verschijnen. En het lukt. Want het gaat over mijn verhaal. Mijn leven. Wie kan aanvaarden dat anderen zo maar je eigen leven toe-eigenen zonder ook maar enige erkenning van je eigen persoon? Niemand. Of ik toch niet. Dus begin ik, na eerst enkel wat affirmatief te reageren, hier en daar een anecdote toe te voegen aan het verhaal. Om op die manier er terug mijn leven van te maken; om mijn leven terug op te eisen voor mij. Ik ben nog altijd niet dood, of wel soms? Op het einde neemt de papzak korzelig afscheid van me. Niet dat het me stoort, maar zelfs een handje kan er niet vanaf. Besmettingsgevaar gaat veel verder dan bacteriën of virussen. Ook sociale kloven verhinderen bepaalde vormen van contact. Er zijn de verkozenen en de verdoemden. Ge moet gewoon weten tot welke klasse van mensen je behoort.
De derde keer, op 24 october 2019, blijkt er een fout gebeurd te zijn in het systeem. Het was niet de bedoeling dat ik nu al terug kwam, zo wordt mij gezegd. Tot mijn opluchting duurt het dan ook maar zo’n vijf minuten. Dat ik voordien zo’n 20 minuten heb moeten wachten, pak ik er maar bij. Je moet er maar wat voor over hebben voor al die financiële steun van de overheid die je zelf al gans jouw loopbaan via de maandelijkse bijdragen aan de sociale zekerheid zo hard gesponsord hebt.
De vierde keer, op 19 februari 2020, schakelen ze bij het ziekenfonds een versnelling hoger. Deze keer word ik gevraagd een volledige update van mijn medisch dossier aan hen te bezorgen. Misschien dat mijn geklaag over het gebrek aan professionalisme dan toch enige impact gehad heeft? Dat ze gedacht hebben als we toch geen toegang hebben tot dat medisch dossier in de systemen en dat hij dat niet te doen vindt, laat hem dan maar een hard copy mee brengen? Op die manier slaan we twee vliegen in één klap: wij hebben wat we nodig hebben en hij kan niet meer klagen dat we niet professioneel bezig zijn? Het overhandigen van het dossier maakt het vierde gesprek wel een stuk draaglijker. Terloops deel ik als teken van goede wil nog mee dat ik probeer mijn werk te hervatten, dat ik ondertussen al halftijds terug werk en dat het mijn bedoeling is om vanaf april vier vijfde te gaan werken. Felicitaties van de jury krijg ik wel niet. Ik moet het met wat geknor stellen.
De voorlaatste keer, op 15 mei 2020, verloopt het contact omwille van Corona voor de eerste maal telefonisch. Geen dikke pensen en mollige vingers meer. Mij komt het goed uit. Want komt het door het verlies van mijn linkeroog waardoor mijn gezichtsveld toch wel wat ingeperkt is, maar ik heb thuis twee weken daarvoor bij een val in de tuin mijn rechtervoet én -elleboog gebroken en ben dus volledig immobiel, op een rolstoel op het gelijkvloers thuis na. En misschien is het door het ingeleverde medische dossier, maar de toon van de contacten is ondertussen wel veranderd. Zo is het dreigement van het wegvallen van de uitkering in de SMS’en zelf weggevallen. In de plaats daarvan verschijnen er plots ‘vriendelijke groeten’ op mijn scherm. Aan de telefoon begint zelfs mijn vadsige controle-arts vriendelijk te worden. Alleen moet ik hem de laatste keer, op 22 december 2020, teleurstellen over de evolutie van het ziektebeeld. Wanneer ik hem vertel over de uitzaaiingen naar de hersenen en de bestralingen van mijn ganse hersenpan duurt het gesprek nog korter dan anders, hij wenst me nog veel sterkte toe en laat me al gauw terug alleen met de hotdog van Würst die ik net op het Mathieu De Layensplein aan het verorberen ben.
Ondertussen werd ik tijdens de ganse helse periode vanaf eind 2018 tot eind 2020 thuis via de post plat gebombardeerd met brieven van het OZ over administratieve en andere aangelegenheden. Administratie en andere aangelegenheden waarin ik al die tijd verzuip. Van digitalisering hebben ze duidelijk nog nooit gehoord. Een half regenwoud moet eraan geloven enkel en alleen om mij te bereiken. Zo ontdek ik pas na verloop van tijd dat het dreigement om mijn uitkering op te schorten stilzwijgend en achter mijn rug toch uitgevoerd is. Niet omwille van een niet-verschijning bij een controle-arts maar omdat iemand zoals ik, na één jaar ziekteverlof, of je nu halftijds werkt of niet, blijkbaar van statuut verandert en vanaf dan onder de door de profiteurs zo begeerde beroepscategorie van de ‘invaliden’ valt en volledig apart officieel steun moet aanvragen. Logisch toch, niet? En een mens zoals ik heeft toch niets beters te doen. Dankzij de inkomensverzekering van mijn werk had ik het euvel gemist, maar mijn ziekenfonds, mijn royaal gesubsidieerd steunfonds, die mensen die eigenlijk leven van de diensten die ze aan mij, de toekomstige aflijvige, moeten bewijzen, betaalde zonder enige scrupules al negen maanden lang geen enkele uitkering meer uit. En toen ik hen eindelijk wist te zeggen dat ik dit toch wel een beetje grof vond, werd ik fijntjes verwezen naar een brief die ze een jaar daarvoor gestuurd hadden maar ondertussen bij mij thuis verdwenen was in de stapel van overige brieven. Dat dit qua dienstverlening niet helemaal koosjer was, beseften ze blijkbaar zelf ook wel. Na het voor de zoveelste keer opsturen van de nodige documenten plus nog enkele belastingaangiften, waarschijnlijk om te bewijzen dat ik toch wel degelijk enkele bijdragen aan onze sociale welvaartsstaat geleverd had tijdens mijn inmiddels gefnuikte loopbaan, werd het haastig in orde gebracht.
En voor diegenen die nu al beginnen te zuchten dat het weeral over geld moet gaan, over geld gesproken: het toppunt van wansmaak dat ik heb mogen ervaren van mijn ziekenfonds was het volgende incident. Tijdens een van de zeldzame telefonische contacten had ik het niet kunnen laten om de naam van Hartenkoningin en Gasthuisberg te laten vallen en kort te vertellen wat er allemaal fout gedaan was door hen. Sindsdien was de stroom aan papieren documenten nog verder toegenomen want ineens kregen ze in de mot bij het OZ dat ze misschien zelf ook geld gingen kunnen recupereren van Gasthuisberg en co. De omgekeerde wereld van onze welvaartsstaat: ik, het slachtoffer, die volledig aan zijn lot overgelaten word, die zelfs niet eens als medisch slachtoffer erkend word, thuis als een oude hond, als een stukske stront, helemaal alleen moet creperen in een hoekske, zelf helemaal geen enkel uitzicht heeft, nul, op welke financiële compensatie dan ook voor het geleden leed of gewoon voor mijn nazaten, mijn gezinsleden die zonder mij voort gaan moeten met hun eigen leven, ik, ik word verwacht dat ziekenfonds te helpen bij het recupereren van hun centen. Om het helemaal af te maken, vindt het incident plaats op een winterse ochtend net wanneer ik met de auto vertrek naar het UZ Gent, samen met Tin, voor de resultaten van een van die gruwelijke driemaandelijkse follow-up scans, overtuigd dat er een uurtje later bijzonder slecht nieuws gaat volgen, dat mijn levensduur verder gereduceerd zal worden tot hoogstens enkele maanden. Net op dat moment ontvang ik in mijn auto een telefoon van een medewerker van de dienst Operations van het OZ. “Hallo, met Patrick Hoskens?” “Dag, mijnheer Hoskens, u spreekt met Els Delaet van het OZ. Sorry dat ik u stoor, maar we zouden graag informatie van u willen krijgen om een terugvordering te kunnen indienen bij Gasthuisberg.” Deze keer, in deze afschuwelijke omstandigheden, ik kan zelfs nauwelijks spreken met Tin, zo zwart en donker is mijn gemoed op dit moment, wordt het mij allemaal even teveel en ik vlieg woest uit naar de vrouw aan de andere kant van de lijn. “Bent u niet beschaamd dat u iemand zoals mij lastig valt met uwen zever? Begrijpt u eigenlijk wel dat u met iemand spreekt die door jullie en heel dat systeem hier totaal in de steek gelaten wordt? Ik ben verplicht om een heuse rechtszaak op te starten om ook maar enige erkenning te krijgen? Om een financiële compensatie voor mijn vrouw en kinderen op te eisen? En ik word verondersteld jullie te helpen bij het terug krijgen van jullie centen? Zijn jullie zot geworden of zo?” Het blijft nu even stil aan de andere kant van de lijn. Dan probeert de stem aarzelend: “En het Fonds voor Medische Ongevallen? Hebt u daar al eens gepolst? Misschien hebt u daarvan een dossiernummer dat…” Ik onderbreek haar ruw: “Stop met die hypocrisie! Dat vreselijke doen alsof! Dat fonds trekt op geen kloten. En dat weet u net zo goed als ik. Of hebt u, u net van alle mensen hier in dit land, soms die ene Panoreportage van een maand of twee geleden gemist?” “Ja, ik weet het, het werkt niet ideaal…”“Niet ideaal? Niet ideaal? Dat is de understatement van het jaar, denk ik. Het werkt niet, bedoelt u? Want het doet gewoon niets, buiten mee helpen aan het door medische ‘specialisten’ systematisch toedekken van hun eigen fouten, of nog erger soms, zoals pure nalatigheden, wandaden eigenlijk? Het trekt gewoon op niets hoe dat die geneesheren en -dames in dit land met hun eigen slachtoffers omspringen. Hoe ze voor zichzelf een vrijgeleide hebben weten te creëren voor alles wat ze zelf verkeerd doen en ondertussen de slachtoffers ervan totaal in de steek laten. Ik zeg u, als ik tot het medisch beroep zou behoren, ik zou me dood schamen voor al die verwerpelijke praktijken. Trouwens, breek mij mijn mond niet open of ik begin hier subiet over jullie, mijn fantastisch ziekenfonds. Amai, wat een steun dat jullie al voor mij geweest zijn! Echt schitterend wat jullie allemaal al voor mij gedaan hebben. Ik zou niet weten wat ik allemaal zonder jullie gedaan zou hebben!” “Sorry, mijnheer Hoskens, maar u begrijpt toch dat we iets meer gegevens nodig hebben om een dossier op te starten.” “Ja, dat begrijp ik. En ik begrijp ook dat dat dossier voor u belangrijk is. Dus luistert: neemt u zelf maar contact op met die collega’s van u uit de gezondheidszorg, die perfecte en zo gedienstige mensen van Gasthuisberg en vraagt u hen maar om het even wat u nodig hebt in het kader van mijn dossier. Ik geef u mijn toestemming. Mijn privacy kan mij gestolen worden. Integendeel zelfs, ik wil dat iedereen weet wat er met mij gebeurd is. Dus doet u maar gerust.” “Ah, ok, mijnheer Hoskens, dan zal ik dat eens proberen.” “Goed. Dag dan.” Ik druk snel af en kijk moe getergd, volledig uitgeput naar Tin. “Goed gezegd, sjoe,” zegt ze, “wat denken die wel, zeg?”
24 mei 2021 – Een boek voor een betere wereld
Beste lezers,
Komt dat zien! Komt dat zien! Mijn blog heeft een uitgever gevonden! Dus als iemand van jullie zin heeft om mijn verhaal ook in boekvorm te lezen, laat het me weten. Je kunt een gesigneerd exemplaar krijgen rechtstreeks van mij.
De titel van het boek is “Kroniek van een miskende moord.” Omdat dat hetgeen is dat mij overkomen is. Ik, een burger van dit land, ben vermoord door een incompetente prof van een onwaarschijnlijk arrogant universitair ziekenhuis, ben bij het vuilnis buiten neergezet samen met de pmd en het gft, om daar te rotten op mijn dooie eentje. En geen haan die d’r naar kraait. Noch de bestuurlijke, noch de rechterlijke macht, laat staan die zorgsector zelf.
Ik hoop dan ook dat het boek duidelijk maakt tot wat voor een schrijnende toestanden medische slachtoffers in dit luilekkerland veroordeeld worden zonder boe of bah. Zodat er eindelijk een halt kan toegeroepen worden aan dergelijke mensonterende wanpraktijken in onze o zo bejubelde gezondheidszorg.
Als teken van hoop hieronder alvast de cover en het omslag van het boek,
Patrick


9 juni 2021 – Zeer tenen
Om niet op al te veel zeer tenen te trappen is het einde van mijn boek sterk verschillend van dat van mijn blog. Vooral de posts op mijn blog van de afgelopen maanden waarin ik probeerde duidelijk te maken hoe moeilijk het wel niet is om als slachtoffer in dit land, volledig overgelaten aan je lot, jezelf nog staande te houden als mens of gewoon om te blijven geloven in die zogenaamde rechtsstaat waar dat wij in leven, viel in ongenade bij mijn uitgever. Terecht misschien. Want elk oprecht standpunt over wat er allemaal misloopt in dit apenland is uiteindelijk telkens en altijd nog maar een mening en mensen hebben dat niet graag, meningen, als ze een verhaal lezen. Dixit mijn uitgever.
Om eerlijk te zijn denk ik dat hij gelijk heeft. Een film of een TV-serie is uiteindelijk niet hetzelfde als een praatprogramma; een sprookje niet hetzelfde als een grondwet. En het eindresultaat, het boek in zijn finale vorm, mag er zeker wezen. Het is een schoolvoorbeeld uit de tekstboeken geworden van dat sinds de jaren ‘90 zo populaire motto ‘less is more’. En bedankt, lieve uitgever, het heeft inderdaad geen zin om maar te blijven herhalen hoe pervers en onmenselijk het huidige systeem niet is om de boodschap toch maar te kunnen overdragen. Beter gewoon tonen hoe mensonterend het is via een goed opgebouwd maar voor mij jammer genoeg ook waargebeurd verhaal. Al blijft de vraag door wie en hoe dat er dan wél lessen gaan getrokken worden uit ditzelfde verhaal. Waarschijnlijk weer door zo’n ‘expert’ van die Kaste der Geneesheren achter gesloten deuren. Of een politicus die het na letterlijk tientallen jaren van verzuim allemaal eens zal oplossen.
Bon, jullie kunnen niet zeggen dat ik niet mijn best gedaan heb. En niemand kan ondertussen ook nog beweren dat ik niet hard genoeg geroepen heb. Zo is er zelfs al een boek gemaakt van mijn verhaal, verdomme. Hoe hard moet iemand roepen om gehoord te worden in deze hypocriete woestenij van onze met bleekwater witgewassen Belgische gezondheidszorg? Wat mij betreft, op dit moment, hoop ik dat heel die Gasthuisberg ontploft van nijd en ambetantigheid.
Ambetantigheid, nog zo’n woord dat onder het kritische oog van de Nederlandse redacteur van mijn uitgever, ongetwijfeld zou sneuvelen. Want dat moet me toch van het hart. Alhoewel het een prachtig boek is geworden, is het toch een beetje ontvlaamst. Ik heb zelfs moeten vechten om ervoor te zorgen dat het Vlaams bleef; mijn Eerste Minister was ineens een Minister-President geworden, een kinesist een fysiotherapeut en mijn grootvader bleek als boer in het begin van de twintigste eeuw zijn groententuin elk jaar als een moderne biotuinier omgewoeld te hebben in plaats van geschupt. Terwijl het zo’n mooi woord is, ‘ambetantigheid’. Net zo mooi als snutten en konijnenkot (neen, geen konijnenhok, dank u, want konijnen zijn geen kippen).
Maar ik snap het wel. Als je door de tekst een beetje te ontvlaamsen het afzetgebied van je product kunt verviervoudigen, moeten we er geen tekening bij maken natuurlijk. Ondertussen heb ik van enkele van mijn berggezellen gehoord dat het trouwens niet de eerste keer is dat dit gebeurt in ons verscheurd taalgebied. Willem Elsschot zou d’r ook al problemen mee gehad hebben. Zelfs de Grote Claus zou ermee overhoop gelegen hebben met die Nederlandse taalonteigeningen. Dus wie ben ik dan om daarover te klagen? Bovendien is de blog in tegenstelling tot het boek helemaal nog niet gedaan. Die zal pas gedaan zijn als het gedaan is met mij. Dus waarom een einde dat is vergelijken met een einde dat nog niet is?
Om echter toch de blog compleet te houden, of te bestendigen als het belangrijkste dépositoire van al mijn hersenspinsels, ga ik vandaag een ontbrekende post moeten publiceren die ik speciaal voor het nieuwe einde van het boek heb uitgewerkt. Met als vervelend gevolg dat die dus nu plots op de thuispagina van de blog gaat verschijnen als laatste post en zo een beetje verwarring kan creëren aangezien het stukje tekst vroeger in de tijd heeft plaats gevonden dan de voorgaande stukjes. Mijn excuses hiervoor alvast, maar in de tabs, in de tijdlijn van het verhaal zelf, ga ik het chronologisch op de juiste plaats zetten zodat toekomstige lezers van de blog geen verwarring meer zullen ondervinden.
20 juni 2021 – Bibberen
Het was weer bibberen enkele weken geleden. Op basis van de driemaandelijkse CT-scan vermoedde de oncologe een opflakkering van de kanker. Allereerst werd er in mijn linkeroogkas, de leeggelepelde dus, opnieuw iets verdachts vastgesteld. En ook ter hoogte van mijn lever lichtte iets vreemds op. Van mijn oogkas was mijn oncologe al, desgevraagd, 99% zeker dat het een nieuwe tumor was; de lever was nog onzeker. De vraag was enkel nog of we ons gingen beperken tot bestraling van de linkeroogkas of ineens nieuwe chemosessies gingen inplannen om oog, lever en mogelijks nog andere verborgen haarden samen aan te pakken. De tactiek van de verschroeide aarde opnieuw quoi: ofwel op één plaatske in de linkerhelft van mijn al zwaar gehavend gezicht, ofwel opnieuw mijn ganse lichaam aanpakken. Het eerste zag ik, buiten het dwangbuisgedoe met dat masker op dat monster van een bestralingsapparaat, nog enigszins zitten. Het tweede al helemaal niet meer. Terug volgespoten worden met zwaar toxische stoffen, van kop tot teen, in de hoop dat daarmee de gezwellen gecontroleerd, verkleind of voorkomen kunnen worden, neen dank u, dat hoeft geen tweede keer. Eén keer is genoeg geweest. Been there, done that. Nooit meer oorlog in het Vlaams.
Eerste impact van de woorden van de oncologe: pure ellende en totale hopeloosheid. Want dan hadden we het zelfs nog niet gehad over de zes of zeven ‘incidenten’ in mijn hersenen wiens status op dit moment totaal onbekend is, waar iedereen gewoon aan het wachten is tot dat er iets gebeurt en zolang er niets gebeurt, is het voortdoen terwijl we hout vasthouden. Net zoals ik zo lang gedaan heb tijdens de vele boswandelingen met Tin achter ons huis. Wat het helemaal bitter maakte, was dat ik me net beter was beginnen voelen de maanden voordien. Sterker ook, sterker dan ik de afgelopen twee jaar ooit geweest was. Zo sterk zelfs dat ik, bij goed nieuws van de driemaandelijkse check-up overwoog om terug te gaan zwemmen. Voor de eerste keer sinds deze hel losbarstte nu al meer dan twee jaar geleden.
Om te beslissen wat te doen, enkel dat oog bestralen of full chemo, werd er snel een PET-scan georganiseerd, zo’n hypergesophisticeerde scan met radioactieve suiker in het uit gewapend beton opgetrokken nucleair centrum van het UZ Gent. En wat bleek? Niet alleen was de lever vals alarm, zelfs het oog bleek een scheet in een fles. De opluchting was immens. Zo immens dat ik in de donkere consultatieruimte spontaan luidop begon te lachen. Zo luid dat de oncologe het gevoel kreeg dat ik haar 99% uitlachte. Waarop ik me tussen de onverbiddelijke lachsalvo’s door snel excuseerde met de haperende woorden: “Sorry, het is gewoon van de opluchting dat ik hier zo zit te lachen.”
Wat een gedoe. Wat een miserie toch. Telkens opnieuw die panische angst dat het nu echt gedaan is. Dat het begin van het einde begint. Een steile weg naar beneden die sowieso in een ravijn eindigt. En als je dan te horen krijgt dat het toch niets is, dan is een deltavlieger niets vergeleken met de vlucht die je neemt. Zelfs Sammy van Shaffy haalt je niet meer in. Hij mag nog zo veel omhoog kijken als hij wil.
Dus ben ik nu toch terug beginnen zwemmen. En het wonder geschiedt. Alhoewel ik voel dat ik op die twee jaar veel spiermassa verloren ben, geraak ik de eerste keer al aan 40 lengtes in één ruk, moeizaam gevolgd door nog eens 4X10 lengtes. De tweede keer 60 lengtes, gevolgd door 2×10. De derde keer al 70 en nog een 10tje. En de vierde keer reeds slaag ik er tot mijn verbazing in om terug 80 lengtes in één ruk te zwemmen. Wel een pak trager dan vroeger. Zo’n 8 à 9 minuten trager dan vroeger. Maar toch, wat een onverwachte overwinning voor mezelf!
Bijkomende voordelen van het zwemmen, ook al na 4 keer zwemmen: mijn rechterschouder die al sinds een maand of zes meer en meer een zeurderige pijn begon te vertonen – ik kreeg mijn arm nog maar amper opgehoffen – begint terug te functioneren. Zo kan ik al terug bij het instappen van mijn auto met mijn rechterarm mijn veiligheidsgordel vastpakken en over mij heen trekken richting kliksysteem. En een ander, nog veel beschamender lichamelijk dysfunctioneren houdt ook als bij toverslag op te bestaan. ‘s Ochtends moest ik sneller en sneller naar het toilet lopen of ik deed in mijn onderbroek. De laatste tijd zelfs in die mate dat het af en toe mislukte. Als erkend kankerpatiënt doemde meer en meer het schrikbeeld van prostaatkanker op. Niet dus. Niet alleen door de allesonthullende magische PET-scan maar ook door het zwemmen. Want na vier keer zwemmen al verdwijnen de plasproblemen helemaal en kan ik net zoals vroeger zonder problemen, en als een echte vent, zelfs zonder verdoken lekjes, mijn urine ophouden. Daarom en om af te sluiten, speciaal voor de mannelijke non-believers: die bekkenbodemspier bestaat dus echt! Ik beweer nu niet dat wij, onverbeterlijke macho’s dat we zijn, allemaal massaal aan yoga moeten beginnen doen maar een beetje zwemmen zou al veel helpen zoals onze vrouwelijke wederhelften maar al te goed beseffen. Alleen is het ook hier in het begin weer een beetje bibberen geblazen. In een goed zwembad is het water zo koud dat je moet beginnen zwemmen om het warm te krijgen.
28 juni 2021 – Kafka is er niets tegen, dit Belgisch justitieapparaat
Onze bomensaga duurt voort. Zoals ik jullie, beste lezers, al had laten weten is de tegenpartij ondanks de overtuigende bewijzen van onze kant, zoals twee proces-verbaals van twee beëdigde landmeters, in beroep gegaan tegen het tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg. Het voorlopige vonnis dat onze eigendom van de bomen bevestigde en een expert aanstelde om de juiste schade te bepalen. Een expert die dan een belachelijk lage schatting van de schade opmaakte, terwijl hij zijn eigen inspanningen overdreven hoog inschatte. Zelfs zo hoog inschatte dat het ineens evenveel kostte als twee van de zes bij ons illegaal verwijderde bomen volgens zijn eigen bespottelijke waardebepaling. Gewoon één van de zovele parasieten van ons gerechtelijk systeem die zich vet mesten terwijl de slachtoffers van de wan- en misdaden in de kou achtergelaten worden.
Enkel en alleen door in beroep te gaan wint de tegenpartij nog eens drie à vier jaar tijd want onze Hoven van Beroep zijn overvraagd en onderbemand. Of dat is toch wat die deftige dames en heren met hun bastaardnederlands en een foulardke of strikje rond hun nek steevast beweren op de TV. Maar zelfs als ze een ruim overschot aan personeel zouden hebben, zou er een enorme achterstand zijn; als je ziet met wat voor een ridicule argumenten, zoals een verwijzing naar de achttiende-eeuwse Ferrarisatlas, onze tegenpartij in beroep durft te gaan. Let op: het gaat hier dus wel over drie à vier jaar bovenop de vijf jaar dat dit proces voor een paar onnozel bomen nu al duurt.
Omdat zelfs ons gerecht beseft dat acht à negen jaar toch wel een heel lange tijd wachten is, sturen ze standaard wel een formele brief naar alle betrokken partijen met de vraag of ze toch niet bereid zijn zich te verzoenen. Zo ja, is iedereen content: de in onmin levende partijen want die vallen in mekaars armen en het gerecht want zij moeten niets meer doen buiten de verzoeningscommissie voorzitten. Dat die zaak, eigenlijk een strafzaak want vanuit het standpunt van dat elementaire eigendomsrecht een pure diefstal van onroerende goederen, al vijf jaar duurt, wordt niet in rekening gebracht. Dat er een rechtszaak loopt net omdat er geen verzoening mogelijk is en er dus recht gesproken moet worden, wordt verzwegen. Dat de tegenpartij in beroep gaat tegen een al belachelijk lage vergoeding voor de geleden schade, wordt niet in acht genomen. Het Hof van Beroep stelt gewoon beleefd en toch formeel de vraag: “Allez, allez, is er dan echt geen verzoening mogelijk, beste vrienden?”
Wel, toen wij de vraag kregen, hebben wij geantwoord dat wij ons best willen verzoenen maar onder één belangrijke voorwaarde: dat de tegenpartij de belachelijk lage waardebepaling van de expert en alle kosten aangegaan door ons voor het voeren van het proces aan ons vergoed. Al de kosten aangegaan door ons om onze eigendom te verdedigen door de aanwezigheid van een procureur in Leuven die nalaat dat, zoals het hoort, zelf te doen ondanks de formele bevestiging van de lokale politie dat het volgens hen hier om diefstal gaat. De tegenpartij stelde als tegenvoorstel bijzonder genereus voor alle onkosten en de veel te lage schadebapeling van de expert op te tellen en alles eerlijk te delen door twee. Vreemd want ons, de slachtoffers van hun brutale daad, die nu al vijf jaar op een kaalgeslagen bos moeten kijken, leek dit toch verre van eerlijk. Ons leek het eerder en weeral onbeschaamd en ronduit pervers. Bullebakkenwaardig.
Om maar te zeggen dat de kans op het slagen van een verzoeningsprocedure ons bijzonder klein lijkt. Je moet toch ook niet lang gestudeerd hebben om te weten dat één plus één twee is. Het schrijven van onze advocaat was in ieder geval duidelijk genoeg. En toch… Kafka is in dit land nooit ver weg en afgelopen week ontvingen we het dwingende verzoek om voor de verzoeningskamer te verschijnen. Beide partijen dienen, zo wordt gezegd, aanwezig te zijn, eventueel vergezeld van hun advoca(a)t(en). Besluit: in plaats van het werk te doen dat ze geacht worden te doen, namelijk recht spreken, speelt het gerecht Sinterklaas op zoek naar stoute kinderen om ze eens goed aan hun oren te trekken maar ze doen het nooit want alle kindjes zijn braaf in dit pokkeland. En ondertussen worden de slachtoffers verder onder druk gezet om nog meer toegevingen te doen terwijl de daders ongestraft blijven. Wij gaan, geconfronteerd met zoveel stompzinnigheid, voor de zoveelste keer onverrichterzake kostbare levensenergie en spaarzame tijd steken in het verdedigen van onze eigendom en rechten als burger van dit land. Onverrichterzake want de bullebakken met geld mogen blijven doen wat ze willen in dit land en ons gerecht staat erbij en kijkt ernaar. Negen jaar lang als het moet.
8 juli 2021 – Aux armes, citoyens!
Bon, dat bastaardnederlands viel nog mee. Integendeel zelfs, de bemiddelaarster sprak perfect Algemeen Nederlands, ere wie ere toekomt. Maar voor de rest heeft die verzoeningskamer al mijn gevreesde clichés bevestigd. Zoals dat het niet voor niets is dat het net de Rechtvaardige Rechters zijn die verdwenen zijn tijdens het interbellum in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Dat recht en rechtvaardigheid twee verschillende dingen zijn die in dit land niet langer samen gaan. Dat Vrouwe Justitia hier niet alleen blind is, maar ook niet langer in staat is om de weegschaal recht te houden.
Eerst was er de procureur van Leuven die na meer dan een jaar een vraag tot vervolging wegens diefstal nota bene komende van de politie zelf verticaal klasseerde ‘bij gebrek aan een expert’. Maar de rechters zelf gebaren ook van krommenaas. Zij vinden van zichzelf dat ze goed bezig zijn en plaatsen zich hoog en droog boven al dat onder hen krioelend en bakkeleiend gepeupel. Zo is dat Justitiepaleis in Brussel met de gekroonde koepel boven op de oude Galgenberg van binnen al even indrukwekkend als van buiten. Het is gemaakt voor reuzen. Wij, het volk, zijn eigenlijk lilliputters en moeten ons klein en onbenullig voelen. Met ontzag moeten we opkijken naar de massieve koepel op 90 meter hoogte of het marmeren plafond dat op 40 meter hangt in de salle des pas perdus, daar waar de toekomstige veroordeelden wanhopig en verloren wachten op het strenge verdict. Of zo gaat toch de mythevorming rond die machtige justitie.
Want bovenal werd mijn grootste vrees volledig bevestigd. Slachtoffers van misdrijven worden in dit land door het gerecht zelf onder druk gezet om nog meer toegevingen te doen dan de talloze die ze al in de loop van de ellenlange procedure hebben moeten ondergaan. Met het dreigement dat een beroep nog eens vele jaren extra zal duren, worden ze zachtjes maar toch dwingend gepushed om een verzoeningsvoorstel van de tegenpartij te aanvaarden dat nog lager uitvalt dan wat er tot nu toe al vastgesteld is geweest door die meer dan vijftig jaar achteroplopende justitie-experten bij het opmaken van de schade. Een totaal absurde situatie op zich. Want het volstaat voor zij die wan- en misdaden begaan om achteraf in beroep te gaan om deze paradoxale steun van het gerecht zelf te verkrijgen. Natuurlijk dat dat Hof van Beroep verzuipt in de beroepen. Ik vermoed dat alle tegenpartijen tegenwoordig systematisch in beroep gaan.
Ik kan niet verder ingaan op de details van het voorstel en ook niet de inhoud van de gevoerde gesprekken want er werd ons gevraagd om de confidentialeit van de gesprekken te garanderen. Ik zal dat dan ook respecteren. Maar, in de praktijk, is dit hetgeen wat er gebeurt: slachtoffers worden afgedreigd om een nog slechter voorstel als minnelijke schikking te aanvaarden want het gerecht zelf is niet in staat zijn werk binnen een redelijke termijn uit te voeren. Als je het niet doet, ga je, in het begin van de vergadering, nog eens vier jaar extra, op het einde al zes jaar, want die duur neemt vreemd genoeg magisch toe naarmate de meeting vordert, moeten wachten op een zitting en dus een uitspraak. Bovendien bestaat er zoiets als een procesrisico wordt er gezegd. Vrij vertaald: elk proces dat je voert, kan je verliezen. Alsof slachtoffers dat niet beseffen en nonchalant al dat geld, al die tijd, al die energie investeren in een proces.
Dus, daar zit je dan, jezelf verongelijkt en opnieuw in de steek gelaten door vadertje staat voelend. Terwijl jij niet diegene bent die in beroep gegaan is, wordt jij plots diegene die extra kosten veroorzaakt, die moeilijk doet, die maar niet begrijpt dat het genoeg geweest is. De rollen draaien zich voor de zoveelste keer om. En deze keer met de volle medewerking van het gerecht. Het zijn de slachtoffers die de daders zijn. Het zijn de slachtoffers die moeilijk doen. Die te veel eisen en te hoge verwachtingen hebben. Die te weinig empathie hebben met die arme brutale daders.
Wel, beste justitie, en dames en heren politici, want jullie zijn hier voor mij als burger ondanks de scheiding der machten allen medeverantwoordelijk, ik denk dat jullie gewoon geen flauw benul meer hebben van wat wij verwachten. Nochtans is het simpel. Wij, de burgers, verwachten dat er recht geschiedt en als jullie daar niet voor kunnen zorgen, zullen op lange termijn de gevolgen voor jullie zijn. Maak jullie geen zorgen, zoals altijd zal ook dat weer ten koste van ons zijn. Maar denk niet dat de mensen dit gaan blijven pikken. En wanneer dat gebeurt zullen jullie ook in de kosten mogen delen. Net zoals in 1789. Want de zittende macht beseft nog altijd niet dat zij er zijn voor en door de burgers. En niet andersom.
Wij hebben alvast besloten om niet in te gaan op het onbeminnelijke voorstel. Zij die rechten gestudeerd hebben zijn blijkbaar niet langer in staat te begrijpen waarom. Maar in tegenstelling tot de mensen van het gerecht zelf hechten wij nog wel belang aan gerechtigheid. Wij zijn lilliputters en naïef en kunnen op die manier nog wel vechten voor iets wat absoluut nodig is om onze samenleving in stand te houden: een weegschaal die in balans is.
16 juli 2021 – Recht naar de hel
Mijn grootvader zaliger, die met zijn ouderdomskanker, die 87 jaar oud is geworden, woonde op het eind van zijn leven bij ons in. Aanvankelijk samen met mijn grootmoeder, die dement geworden was, die regelmatig ‘s nachts verward de deur van mijn ouderlijk huis achter haar dichtsloeg op zoek naar het hare in het pikkedonker meer dan 20 kilometer verderop, die na 40 jaar huwelijk mijn grootvader uit haar bed weg joeg uit schrik dat haar ouders zouden ontdekken dat hij bij haar lag te slapen. Mijn moeder zorgde in die tijd helemaal alleen voor een seniele schoonmoeder, een koppige schoonvader, drie kinderen en een vaak afwezige man.
Als wederdienst had die grootvader aan mijn moeder beloofd om terug te komen als hij ooit zou sterven. Dat als er echt een hiernamaals zou bestaan, hij alles eraan zou doen om terug te keren. Om zo het ultieme bewijs te leveren aan mijn moeder van het eeuwige leven. Een wederdienst die kon tellen voor mijn diepgelovige moeder. Vooral ook omdat hij naar haar gevoel niet veel andere wederdiensten leverde. Of toch niet genoeg zijn waardering uitsprak tijdens zijn leven zelf voor al haar dienstbetoon.
Natuurlijk, hoe kan het ook anders, keerde hij nooit terug. Ondanks zijn vele en herhaaldelijke beloftes. Ons moeder bleef achter met een gevoel van onderwaardering. Totdat een vijftal jaar later ze bij de KAV, de Kristelijke Arbeiders Vrouwenbeweging, een bedevaart met de bus naar Lourdes won. Ze kwam dolgelukkig thuis en kon het niet laten om mij zelfs wakker te maken om me het goede nieuws te melden. Ik zie haar nog in de deur van mijn slaapkamer staan in het licht van de gang, wreed content. “Vaderhoskens heeft hiervoor gezorgd Patrick. Hij heeft altijd beloofd dat hij ging terugkeren uit de dood, maar heeft het nooit gedaan. Volgens mij kon hij het gewoon niet en heeft hij nu dit in de plaats gedaan. En weet je wat nog straffer is Patrick? Ik wist dit op voorhand! Ik wist voordat ik naar ginder vertrok dat ik die lotto ging winnen en dat Vaderhoskens daarvoor gezorgd had. Dat is toch ongelooflijk? Dat dit nu ook zo uitkomt?!”
Als jonge ongelovige kon ik alleen maar gapend en knipperend met de ogen beamen vanuit mijn bed dat ik dat ook wel ongelooflijk vond. Dat dat toch wel allemaal heel straf was. Ik wenste haar alvast veel plezier met haar trip. Al kon ik me als jonge adolescent niet echt goed voorstellen wat daar zo plezant aan ging zijn. Op een bus zitten met allemaal oudere vrouwen om dan op bedevaart te gaan naar Lourdes. Achteraf, als ze me vertelde over al de zieke, gehandicapte mensen die ze daar had zien bidden aan de grot en in de gigantische ondergrondse basiliek kon ik mijn arrogante staart weer intrekken. Maar neen, op dat moment zelf, leek me dat toch echt niet zo fantastisch terwijl mijn moeder extatisch de deur terug sloot.
Waar ik natuurlijk ook niet aan dacht als jongeling was dat voor mijn moeder zo’n trip niet alleen letterlijk grensoverschrijdend was. Ze was in haar ganse leven amper op vakantie geweest. De enigste die ik mij herinnerde, en dat was dan nog alleen maar van horen zeggen, was ooit, in een ver verleden, een trip naar het Zwarte Woud samen met de oudste broer van mijn vader en zijn echtgenote. Voor de rest, een dagtrip naar Amsterdam en eentje naar Fantasialand in Duitsland met het werk van mijn vader, die laatste nog eerder voor mij dan voor henzelf en dat was het dan. En nu, met de bus helemaal naar het zuiden van Frankrijk en zelfs zonder ons vader! Het risico dat dit een ware revolutie zou ontketenen op het thuisfront leek groot. Bedevaartsoord of Côte d’Azur, deed er niet toe.
Zelf zal ik ook nooit terug komen, vrees ik. Misschien dat mijn grootvader die reis inderdaad heeft kunnen bedisselen met de één of andere aartsengel. Want het zou best kunnen dat hij in de hemel terechtgekomen is. Maar als er toch een hiernamaals bestaat, zal het voor mij ongetwijfeld de hel zijn. Met al mijn donkere gedachten, mijn onchristelijke freudiaanse kijk op de mens met vunzige driften, dat venijnige allesbepalende onbewuste, orale en anale toestanden en al, om nu te eindigen met de wild om zich heen slaande woede over dit systeem dat mensen zoals mij behandelt als stront, als een onvermijdbaar nevenproduct van een voor de rest perfect lopende gezondheidszorg.
Als dat nog niet genoeg is, zijn er daarnaast de vele zonden die ik begaan heb. Niet de alledaagse, maar echte, grote zonden, hoofdzonden. Het begon al vroeg. Als tienjarige met het stelen van geld van diezelfde oude stamvader om daarmee Kuifjealbums en strips van Asterix& Obelix te kunnen kopen. Dit was trouwens de eerste keer dat mijn moeder mij aansprak vanuit een belichte gang door een opengeworpen slaapkamerdeur. De diepe teleurstelling in haar jongste zoon die haar moederhart te verduren kreeg werd een van de grootste trauma’s van mijn jeugd. Dan, als puber van veertien jaar, meisjes direct na de verovering als een baksteen laten vallen, eentje voor de ogen van haar moeder, niet omdat ik ze dan al beu was, dat zou een typische macho-leugen zijn, maar gewoon uit lafheid, want wat zeg je als snotaap tegen een potentiële toekomstige schoonmoeder? Dan was er mijn eerste echte lief die ik na allerlei overspelig gedoe dwong te kiezen tussen mij en haar ouders, een gevecht dat ik alleen maar kon verliezen maar, dacht ik, toch gevoerd moest worden. En was het wel de bedoeling dat ik zou winnen? Want na al de miserie zag ik het zelf niet meer zitten. Mijn schijterige achterhoedegevechten tegen, ruimschoots onvoldoende openlijke conflicten met, de vele klootzakjes, vroeger op school, later op het werk en altijd op straat. En dan is er alles wat ik in de loop van de jaren mis gedaan heb naar Tin en de kinderen toe. Elke mens maakt talloze fouten. Maar sommigen al meer dan een ander. Hel en verdoemenis zal het worden voor mij.
De vraag is alleen welke hel het dan wel zal worden. Dante beschreef er negen. Of een hel bestaande uit negen verschillende niveaus, concentrische cirkels, zo beschreef hij ze, die samen zijn Inferno vormden. Afhankelijk van het type zondaar dat je was kwam je terecht in een van de cirkels. Des te grotere zondaar je was, des te dieper in de hel je eindigde. Het kantelpunt tussen de kleine en de echt grote zondaars lag tussen de zesde en de zevende cirkel. Als je tot een van de eerste zes cirkels behoorde, maakte je nog kans om ooit nog eens in het vagevuur te geraken. Vanaf de zevende cirkel, voorbij de rivier de Styx en de muren van de stad Dis, was je voor eeuwig en altijd verdoemd. Om daar te geraken was er vooral één criterium van doorslaggevend belang: boosaardigheid. Zij die tijdens hun leven geen verschil hadden leren maken tussen goed en kwaad waren bij uitstek gedoemd om hier te eindigen.
Boosaardig kan men mij niet noemen denk ik. Gulzig wel. Vraag het maar aan mijn schoonvader die af en toe al zijn lekker eten ziet verdwijnen in mijn keelgat. En soms huichelachtig, dat misschien ook wel. Vandaar dat ik waarschijnlijk zo vaak iets inleid met: “Om eerlijk te zijn,…” Als ik zo die cirkels bekijk vermoed ik dat ik, die zo gulzig in het leven stond, ergens in de bovenhel, gevormd door de eerste zes cirkels, zal terecht komen. Bij de vraatzuchtigen of zo, in de derde cirkel van Dante’s Inferno. Mombaerts en de rest van dat arrogant management van Gasthuisberg daarentegen lijken mij bestemd voor de benedenhel, de diepste cirkels. Want dat ze goed en kwaad niet uit elkaar kunnen houden blijkt duidelijk uit de hypocrisie waarmee ze medische slachtoffers dood zwijgen en totaal gewetenloos aan hun lot overlaten, gewoon ontkennen dat ze bestaan zelfs, doen alsof ze nooit bestaan hebben – de hypocrieten bevinden zich trouwens in de achtste cirkel bijna aan het middelpunt van de hel waar zich de bedriegers bevinden, de ‘Malebolge’ noemde Dante hen; zij moeten daar gouden mantels gelijnd met lood van binnen dragen terwijl ze met deze loeizware last tot het einde der tijden hun cirkel afwandelen, een beetje zoals de diensthoofden van dat monster van een ziekenhuis in het wit hun gangen afwandelen, vanbuiten zuiver en puur, vanbinnen ijzingwekkend arrogant en hovaardig, zich gedragend volgens het aloude droit divin, dat onkruid dat wij, de burgers van deze Westerse democratieën, met wortel en al dachten uitgeroeid te hebben via de Franse revolutie en haar talrijke naweeën.
Zelf zal ik amper 57 jaar oud worden, zegt men mij. Dertig jaar jonger dan mijn grootvader zal ik niet in vrede sterven. Met dank aan die geïnstitutionaliseerde arrogantie van Gasthuisberg. Ondanks artikels in kranten die beweren dat nieuwe geneesmiddelen de levensverwachting van de Belgen ontzettend doen toenemen. Ondanks onze zo geroemde ziekenzorg die, zo wordt beweerd, op vier landen na de beste ter wereld is. Door medisch geklungel in het beroemdste en meest geroemde universitaire ziekenhuis van dit land. Zo maar, alsof er niets gebeurd is. Als een fait divers. En dat in een tijd waar aan niets nog meer belang gehecht wordt dan aan de duur en de lengte van dat kostbare leven zelf. Fuck de meest basale menselijke waarden, tot zelfs de rechten van de mens toe! Op de eerste plaats staat bij de Homo Modernus Occidentalis zo lang mogelijk genieten van lekker eten, half bloot naar festivals en op vakantie gaan en ondertussen nog meer geld vergaren om nog meer te kunnen eten en nog langer bloot naar festivals en op vakantie te kunnen gaan. In tijden van carpe diem, sex on the beach en meesmuilende bachelors en bachelorettes verdwijn ik alsof ik nooit bestaan heb, nooit iets gewild heb, nooit iets gehoopt heb. Recht naar de hel.
17 september 2021 – De hel is al aangebroken
Ik moet al niet meer wachten. Ik zit er al volop in. In die hel. Een week geleden heb ik de resultaten van mijn laatste driemaandelijkse scan gekregen. Dit is zo’n beetje de stand van zaken: om het simpel te houden eerst het slechte nieuws. Er is waarschijnlijk een nieuw gezwel aan een van mijn bijnieren ontdekt, mogelijks een gezwel in mijn neus, en ook het gezwel in mijn hersenen zou terug wat groter geworden zijn. De metastase veroorzaakt door al dat medisch geklungel van de dienst ophtalmologie op Gasthuisberg zet zich dus meedogenloos verder.
Voorstel op dit moment is alvast de bijnier operatief te verwijderen. Waarom enkel of eerst de bijnier? Omdat ge één bijnier kunt missen en vooral omdat dat zich in een ander ‘systeem’ bevindt, ver weg van het hoofd waar de tumoren tot nu toe opgedoken waren. Dit duidt, voor de uiteindelijke diagnose heel belangrijk om te onderzoeken zo zegt men mij, mogelijks op hematostasie of zoiets; dat de kanker zich via het bloed verspreidt in mijn lichaam; ‘dat de kanker al in het bloed zit’, zegt men in de volksmond. De hersenen kunnen ze niet opereren en de neus verwijderen ligt nogal moeilijk. Zeker als ge zo’n schoon neus hebt als ik. Bovendien is het gezwel aan de bijnier veruit het grootst (ineens 3 centimeter op 3 maanden tijd versus 4 mm in de hersenen en 5 mm in de neus).
Wat mij brengt bij het goede nieuws – ja, ja, ja, midden in deze lijst aan weeral afschuwelijke dingen is er ook goed nieuws: er zou een genmutatie vastgesteld zijn in de gezwellen verwijderd uit mijn hals. Hetgeen betekent dat ik in aanmerking kom voor een ‘doelgerichte therapie’: een nieuw soort medicatie op basis van pillen die specifiek die mutatie targeten in de hoop zo de kanker te stoppen (small mocelules medicatie noemen ze het). State-of-the-art, spiksplinternieuwe medicamenten die ‘systeemtherapie’, het plat smijten van een gans lichaam met bijvoorbeeld chemo, vermijdbaar maken.
Wat niet betekent dat ik nog een kans op genezing heb. Mijn oncologe was heel duidelijk: “U bent een patiënt met uitzaaiingen, mijnheer Hoskens.” Maar als deze medicamenten aanslaan zou dat potentieel levensverlengend kunnen zijn – voor de duur dat ze blijven werken. Vrij vertaald op zijn Patrick Hoskens: met de metastase die zich nu duidelijk verder zet, is het een kwestie van enkele maanden voordat nog andere gezwellen verschijnen op nog andere plaatsen of de gezwellen die er nu al zijn zo hard groeien dat het niet langer houdbaar wordt. Zonder die medicatie zouden mij nu alleen nog wat palliatieve chemotherapie en bestralingen gewacht hebben. Voorlopig wordt deze nieuwe therapie wel niet opgestart want zo lang het nog niet echt nodig is, ‘wachten we beter nog een beetje af’. Ook hier weer vrij vertaald: aangezien ook deze medicatie, als ze werkt, maar een beperkte duur zal werken, beter zo lang mogelijk wachten om ermee te beginnen.
Voila, dat is het zo’n beetje, beste lezers. Dit alles nog steeds met dank aan dat gargantueske monster boven op de berg, dat zo bejubeld universitair ziekenhuis van de Katholieke Universiteit van Leuven, Gasthuisberg. Mensen, blijf daar weg. Met hun ontieglijke arrogantie verdienen ze al die roem en glorie niet. Echt niet. En als het misloopt – door een menselijke of een professionele fout tot zelfs waanzinnigmakende nalatigheid toe, zo onvoorstelbaar kan het zijn, dat maakt voor hen allemaal geen verschil – behandelen ze u als stront. Of nog erger, want zelfs stront bestaat nog.
7 oktober 2021 – Keer op keer
Vandaag is het weer zover. Vandaag vindt mijn derde echte operatie plaats sinds al deze miserie begon. Over de eerste, eigenlijk de vierde dus, diegene die in dat walgelijk arrogante Gasthuisberg uitgevoerd werd, zullen we maar zwijgen. Dat medisch geklungel was die naam niet waardig. De eerste echte operatie was die aan mijn oog, of beter gezegd was de extractie van mijn linkeroog, toen alles al om zeep was net door dat amateuristisch geklungel van Hartenkoningin, een professor ophtalmologie van de KUL nota bene. De tweede waren de lymfeklieren in mijn hals en nek die verwijderd werden. Tussendoor heb ik nog enkele operaties onder volledige narcose gehad; voor een biopsie of voor de vervollediging van de plastische chirurgie in mijn gezicht en dergelijke dingen. Maar we moeten ook niet overdrijven hein, in het opsommen van wat er allemaal niet met mij gebeurd is sinds ik in de klauwen van dat veelkoppig monster boven op de berg terechtgekomen ben. Subiet gaan de mensen nog denken dat we last hebben van zelfmedelijden.
Er gaan minstens vijf gaatjes in mijn buik gemaakt worden. Eén van de vijf gaatjes wat groter dan de andere. Om via die weg, met behulp van een robot en via een kijkoperatie, mijn rechterbijnier chirurgisch te verwijderen. Eventueel, afhankelijk van het verloop van de operatie, de hoeveelheid organen die verzet gaan moeten worden om die bijnier te pakken te krijgen en dus de hoeveelheid schade die toegebracht zal moeten worden, wordt er weer een drain geplaatst in mijn lies of zij om al het overtollige bloed op te vangen. Tegelijkertijd wordt er een punctie gevolgd door een biopsie van het bobbeltje in mijn rechterneusgat uitgevoerd. Er is mij verteld dat ik wakker zal worden als een bokser met watten in mijn neus. Om ook hier het heilige bloed op te vangen.
Net zoals de eerste keer zijn Tin en de kinderen gisterenavond nog even afgekomen en zijn we samen nog snel iets gaan eten. Doordat Tin deze keer vanuit het verre Kortenberg taxichauffeur speelde was Koenie er deze keer niet bij. De goede Italiaan van toen, had net zijn sluitingsdag en dus waren we verplicht naar een duurdere en zoals zo vaak slechtere Italiaan te gaan. Toch was het weer keigezellig. Sam moest huizen schetsen voor haar nieuwe studie. Ella zich voorbereiden voor een toets scheikunde en Frans. Tin kon wat bekomen van haar laatste les Nederlands voor voortdurend afwezige anderstaligen.
Zoals de laatste tijd zo vaak houdt Tin mij recht met een simpel handje. Ze voelt dat ik het zelf niet echt meer zie zitten. De vorige keren was er nog de hoop dat we het onder controle konden houden. Nu niet meer. Nog even en mijn lichaam, dat minder en minder aanvoelt als mijn lichaam, wordt zoals een robot die enkel nog met haken en ogen aan mekaar hangt om dan finaal de geest te geven; zoals Der Arnold in The Terminator, platgewalst door het lot. Misschien zou het dan ook niet zo erg zijn als het hier allemaal eindigt. Als ik onder volledige narcose plots wegslip richting Walhalla. Als ik al ‘vechtend’ op de tafel, zoals de goegemeente het graag zo krijgs- en heldhaftig uitdrukt, dit laf systeem van schaamteloze, straffeloze ziekenzorg ondanks schandalige fouten zoals geïnstitutionaliseerd op Gasthuisberg en gedoogd door een moedwillig impotente rechtsstaat achter mij laat.
Mijn grote broer had me om me te steunen gisteren enkele foto’s doorgestuurd vanuit Sardinië waar hij pensioensgewijs het laatste stukje zomer aan het vieren is. Ze waren afkomstig uit het dorpje Orgosolo. ‘Wereldberoemde, politiek geïnspireerde muurschilderingen’, wist hij mij te zeggen. En inderdaad op een ervan staat een portret en citaat van Gino Strada, een Italiaanse mensenrechtenactivist die pas twee maanden geleden gestorven is. Maar het is vooral een citaat van Bertold Brecht dat eraan toegevoegd is dat hier het vermelden waard is: “Felice il popolo che non ha bisogno di eroi.” Voor de niet-Italofielen onder jullie, het betekent: ‘Zalig het volk dat geen helden nodig heeft.’ Al diegenen die geloven dat hun luxueus leven hier het rechtvaardige resultaat is van al het geleverde harde werk, al diegenen die beweren dat het leven een strijd is waarbij dat anderen sowieso het onderspit moeten delven, al die zelfbedruipende egotrippers zoals ik ze graag noem, vinden het maar zever, want hun ganse bestaan is net gebaseerd op de idee dat er nu eenmaal winnaars en losers zijn en dat die losers het gewoon aan zichzelf te danken hebben. Ik daarentegen vind de uitspraak van Brecht boem d’r op en prachtig. Ze toont hoezeer hij doordrongen was van een hogere waarheid, een waarheid die ons allen dichter bij mekaar brengt in plaats van tegenover elkaar stelt.
19 oktober 2021 – Dienstmededeling aan alle klootzakjes die langdurig zieken als profiteurs willen wegzetten
Shit, het is allemaal kanker: de bijnier, zelfs de neus.
28 oktober 2021 – Interview met David Ducheyne
Met dank aan David Ducheyne en al de zijnen. Mensen die begaan zijn met andere mensen en het beste met hen voor hebben, zelfs als het betekent tegen de stroom ingaan. God zij dank bestaan ze nog. Dank je David!
9 november 2021 – Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is
Vandaag wordt mijn sanctuarium geopereerd. Mijn neus. Dat ding in het midden van mijn gezicht. Al sinds mijn vader overleden is in 2001, toen ik hem daar met die typische geelachtige wasschijn van een lijk opgebaard in de koelkelder van het ziekenhuis zag liggen, besef ik hoezeer het orgaan ons geslacht kenmerkt. Ook Vaderhoskens had zo’n machtig exemplaar. Ondanks dat hij ergens in de loop van zijn leven zijn neusbeentje was kwijt geraakt. Wat ik als klein kind bijzonder fascinerend vond. Toen hij bij ons thuis inwoonde vroeg ik hem regelmatig om een keer zijn neus plat te drukken tegen zijn gezicht. En telkens wanneer hij het deed, met zijn duim tegen zijn wang, moest hij lachen omdat ik met open mond zat toe te kijken. Tegenover Tin had ik het steevast over mijn prachtige Romeinse neus. En de afgelopen jaren is mijn interesse in dit kleinood alleen maar groter geworden. Vooral na mijn ontslag bij Mobistar, toen ik in stukken uiteen geslagen depressief in bed lag en gedurende meerdere weken zelf niet langer bestond, heb ik ontdekt dat als cement voor de hoekstenen van ons leven geur een veel wezenlijker grondstof is dan smaak. Waar dat Proust een madeleinekoekje nodig had om teruggeworpen te worden in de tijd, ontdekte ik dat de reukzin een veel beter kompas is om je weg terug te vinden als je je zelf verloren bent. Voor diegenen die dit alles een beetje overtrokken vinden, sta mij toe even uit te wijden.
Specifieke geuren, zowel van als uit de omgeving rond ons lichaam, maken integraal deel uit van wie we zijn. Zo zijn er externe geuren die de meesten van ons kennen, zeker mensen zoals ik, afkomstig van ‘den boerenbuiten’; de geur van natte aarde na een fikse regenbui of de geur van stro in de zomerse lucht. Daarnaast zijn er de geuren van je lichaam zelf waar vaak een taboe rondhangt. Vaak want het geldt niet voor hen allemaal. Zo is er bijvoorbeeld de lichaamsgeur van jezelf en je partner die iedereen kent. Maar vaak gaat het om andere geuren die veel intiemer zijn en waar men dus niet zo vlot over spreekt. Waar deze geuren zich juist bevinden verschilt van mens tot mens. Ik kan dus niet voor anderen spreken maar in mijn geval zijn de volgende dingen bron van ontieglijk olfactorisch genot: de vuiligheid tussen mijn tenen, de geur van mijn piemel, de prut in mijn navel, enz. ‘s Avonds in bed heb ik dan ook geen ‘Yoga-Ohm’ nodig om één te worden met het universum. Een lekker geurtje van een bron die ik en ik alleen ken en ik ben vertrokken.
Voor diegenen die nu gechoqueerd zijn, dat is voor niets nodig: deze geuren zijn gewoon de eerste referentiepunten die je als kind in de wieg meegekregen hebt. Want wat bevindt zich in je wieg buiten je lichaam? Misschien nog een fopspeen of een knuffel waar je trouwens ook graag aan ruikt. En dat zal het zo’n beetje zijn. En met dat lichaam, met al die indringende geuren, daar groei je mee op. Bij alles dat we doen en meemaken, als baby, als kind, als volwassene, zeulen we dat lichaam met die kenmerkende geuren mee. Terwijl we ons zelfs niet eens echt bewust zijn van onze afhankelijkheid van deze massa aan gewicht en data. Ruikt het dan allemaal anders bij mij dan bij de anderen? Ik zou het niet weten. Ik heb het nooit geroken bij een ander en zou het ook niet willen ruiken. Maar van mezelf herken ik deze geuren uit duizenden. Elk vleugje van deze geuren brengt mij terug naar vervlogen tijden, tijden waarin ikzelf ontstaan ben, mijn eerste kennismaking met de wereld. Daarom is geur dan ook wat mij betreft fundamenteler dan smaak. Het gaat verder terug in de tijd; tot op het ontstaan van de wereld.
Aangezien echter de biopsie aangetoond heeft dat ook het bolletje in mijn neus kwaadaardig is, is er dus nog een tweede operatie vereist. Om ook dit gezwel volledig te verwijderen. Twee operaties op één maand tijd. Door telkens andere specialisten. Niet dat ik niet wil dat het gebeurt. Integendeel. Ik prijs me gelukkig dat er nog een operatie mogelijk is. En dat ze zo snel mogelijk plaats vindt. Want sindsdien, sinds de laatste onderzoeken, heb ik het gevoel dat de zone rond mijn rechteroog begint te reageren op de tumor in mijn neus. Misschien is het enkel de toenemende druk op mijn neusvleugel of het ondertussen volledig verstopte neusgat, maar die vreemde sensatie onder mijn oog dat het overigens steeds moeilijker krijgt om te focussen doet me bibberen. De gedachte dat ook mijn enige overblijvende oog geïmpacteerd zou worden door dit nieuwe gezwel is gewoon huiveringwekkend.
Ik prijs me dan ook weer gelukkig in UZGent in behandeling te zijn. De idee dat de operatie uitgesteld zou worden omdat er terug te veel coronabesmettingen zijn, zou, gegeven de omstandigheden, al even gruwelijk zijn. En dat UZGent, als enigste ziekenhuis, de richtlijn van de overheid om 25% van de intensive care bedden te reserveren voor coronapatiënten naast zich neerlegt, kan op veel applaus van mij rekenen. Dit terwijl dat Gasthuisberg, die bullebak van een ziekenhuis van die Katholieke Universiteit van Leuven, als eerste, klakkeloos en als een brave jongensscout, de richtlijn volgde; en zelfs een patiënt met een hersentumor die al een keer met uitstel geconfronteerd werd tijdens de tweede coronagolf nu in de vierde – koudhartiger kan het niet – van de tafel haalde in de operatiekamer.
Het gemak waarmee men een grote hoeveelheid aan anonieme, individuele mensen wegzet ten voordele van een andere grote groep mensen met een maatschappelijk en dus politiek heel zichtbare ziekte, waarvoor men zich godbetert ondertussen al lang had kunnen laten vaccineren, vind ik hallucinant. En dat allemaal gewoon omdat de beleidsvoerders nog altijd niet het lef hebben om vaccinatie verplicht te maken. Want er zijn stemgerechtigde paranoïde antivaxers die op de stoep luidop staan te brullen dat hun vrijheid bedreigd wordt. Ochottekes toch. God zij dank bestaat er nog iets als het UZGent dat de mensen op hun eigen verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden wijst. Van onze laffe politici moeten we het niet verwachten.
In afwachting hoop ikzelf vooral dat het deze keer wat minder pijn gaat doen. De vorige keer, bij mijn bijnier, hebben ze nadien een morphinepomp moeten plaatsen. Zo ondraaglijk was de pijn. De operatie zelf is blijkbaar wel goed verlopen. Het gezwel zat nog goed ingekapseld in de bijnier. Alleen verschoot de chirurge dat het zozeer – van 3 naar bijna 4 centimer – gegroeid was op een maand tijd – de tijd verlopen tussen de laatste scan en de operatie.
Het vreemde is wel dat het gezwel in mijn neus zich in het rechterneusgat bevindt. De specialisten zijn ervan overtuigd dat het van de linkerkant van mijn gezicht komt, daar waar het oorspronkelijke bolletje zich bevond naast mijn linkeroog. Op een of andere manier, is het waarschijnlijk door het tussenschot van de neus heen naar de overkant gekropen, zeggen ze. Of dit zo is, zal blijken tijdens de operatie. De grote vraag is of de neus zelf intact zal kunnen blijven. Voorlopig hoopt men of denkt men van wel. En wordt het een soort van extra grote snutbeurt waarbij sinussen en slijmvliezen, en op zijn minst een stuk van het tussenschot, samen met het gezwel verwijderd worden. Als echter de neusbrug zelf geïmpacteerd zou blijken te zijn dan wordt het een heel ander verhaal. Dan zou ook die aangepast moeten worden en zou er nog een ingreep in mijn gezicht zelf moeten plaats vinden. Dan zou er naast het het gat in mijn hoofd waar vroeger mijn oog zat een geretoucheerde neus te zien zijn.
Ik hoop vooral dat mijn bril nog op mijn neus gaat kunnen blijven staan want zonder ben ik helemaal verloren. En niet alleen omdat ik dan zo goed als blind door het leven ga moeten gaan maar vooral omdat mijn grote piratenverdwijntruc met het ooglapje voor het brilglas en de lange baard van Kapitein Grijsbaard niet langer zal werken. Net zoals Cyrano de Bergerac ga ik dan enkel nog in het donker, verborgen voor iedereen, mijn liefde voor het leven kunnen bezingen. Langs de andere kant, de goegemeente en al zeker die onzin-uitbrakende vrijheidsstrijders gaan zeggen dat ik blij en dankbaar moet zijn dat ik nog kan zingen.
15 november 2021 – Ode aan de medische wereld
Ik voel me keigoed. Ben net terug aangekomen thuis van het ziekenhuis. Ik crash wel om de twee uur in de zetel en voel me een beetje duizelig in mijn hoofd, maar ik kan terug ademen door mijn neus. Wat een verademing! Dat er niets meer in mijn neusgat zit! Geen verstopping. Niets dat drukt tegen mijn neusvleugel. Dat weer zit te zoeken naar een weg naar buiten. Of als dat niet lukt naar binnen. En mijn neus ziet er nog ok uit ook. Een beetje dikker dan voorheen maar dat zal misschien ook wel weer terug weg gaan. Ze ziet er tenminste niet misvormd uit. Samen met mijn oog, of het gat waar vroeger mijn oog zat, zou het wat te veel geworden zijn voor één mens.
Ongelooflijk wat die medische wereld vandaag de dag allemaal kan. De ganse operatie is verlopen zonder ook maar enige snee in mijn huid. Met een endoscoop via de neusgaten naar binnen. Tot in mijn sinussen en oogkassen. We hadden wel een beetje geluk. Het gezwel hing voor een groot stuk nog los in het neusgat, vertelde de chirurg achteraf. Het had zich nog niet overal vastgegroeid in het omringende weefsel. Het kwam wel degelijk van links. Door een gat ontstaan in het tussenschot waarschijnlijk tijdens de eerste operatie in het UZGent, toen mijn linkeroog verwijderd is geweest. En waarschijnlijk, zegt de chirurg nog, gaat er daar, op de rand van die kleine opening, een klein stukje tumor achtergebleven zijn en is dat terug beginnen woekeren na de operatie.
Het strafste is dat ik terug lag op de afdeling waar ik toentertijd ook lag – bij de operatie aan mijn oog in januari 2019. Zo werden we opnieuw welkom geheten door onze homosexuele Castafiore die met zijn galmende stem aan een bijzonder gedetailleerde anamnese begon. Het is de afdeling van de reddende engels, de Roze Engel en Johnny Favorite. De afdeling van Neus, Keel en Oor en eigenlijk ook Hals en Oog, als ik het goed begrepen heb. Ik heb ervan geprofiteerd om mijn boek verder te verspreiden. Niet dat dat de bedoeling was. Het gebeurde allemaal spontaan. Een verpleegster die ik herkende van bijna 3 jaar geleden, was me aan het verzorgen en op een of andere manier kwam het boek ter sprake. Idioot als ik was probeerde ik haar nog duidelijk te maken dat het misschien toch de moeite was om het boek te kopen. Toonde haar op mijn smartphone dat ze het kon vinden op Bol.com. Totdat ik plots besefte dat zij één van mijn reddende engels van toen was. Dat ze een van die walkures was die mij toen terug naar aarde gebracht hadden. Naar Walhalla en terug. Die mij van Louis Cyphre gered hadden. En dan waren er nog al die andere engelen die hier ergens rond liepen. Daarom veranderde ik snel van gedacht. Ik vroeg haar of ze graag las. Ze zei van wel. Dan heb ik voorgesteld haar een copy van mijn boek te geven. In ruil vroeg ik slechts één ding terug. Eén ding, drong ik enigszins aan, “maar wel súperbelangrijk voor mij.” Dat ze, als ze het boek goed vond, het na lezing zou leggen in de kamer van de verpleging en erover zou vertellen aan de anderen. Zodat ook zij mijn ode aan hun werk zouden kunnen vernemen of zelfs lezen. Of los van mij, een keer horen hoe dat wij patiënten hun zorg beleven. En tegelijkertijd mijn dankbaarheid voor al het geleverde werk konden ervaren.
Het enigste minpunt op dit moment is het knagende gevoel dat het vanaf nu alleen maar slechter kan gaan. Beter dan dit wordt het niet meer. Vanaf nu is het wachten waar de ziekte de volgende keer gaat opduiken. En de kans dat het dan een vitaler orgaan wordt, dat is gewoon een kwestie van statistiek of zelfs logica. Want die kans wordt gewoon groter naarmate ik meer en meer minder vitale onderdelen verlies. Ik kan me dan ook niet los maken van de idee dat het vanaf nu alleen maar bergaf gaat gaan. Maar in de plaats van depressief in een hoekje weg te kruipen heb ik zin om d’r nog eens goed in te vliegen. Nu dat het terug mag na Corona, voor de eerste keer in mijn leven een reis naar de Verenigde Staten te maken. Of als dat niet kan, een wandeling in de Ardennen. Dat doet er niet toe. Dat is allemaal hetzelfde. Het ene kost alleen wat meer dan het andere. Zolang we d’r maar helemaal voor gaan. Als een ode aan het leven en aan de medische wereld. Want als de middelen goed aangewend worden is het wel fantastisch wat die medici allemaal kunnen doen. Ik blijf me alleen afvragen wat dit voor mij persoonlijk betekend zou hebben, wat het verschil in ziektegeschiedenis geweest zou zijn, als dit ook in 2018, in Gasthuisberg, gebeurd was.
18 november 2021 – De zoveelste fout
Ik kan niet meer slapen. Of nauwelijks nog. Nu dat ik door een ‘endoscopist’ geopereerd ben geweest, moet ik plots weer terugdenken aan mijn eerste consultatie bij Hartenkoningin. Hoe dat ze me zei dat er twee opties waren voor de operatie aan mijn, op basis van fingerspitzengefühl verondersteld ontstoken, traanzakje. “Langs buiten, of langs binnen.” Dat bij de operatie langs buiten, zij, de specialist, het diensthoofd ophtalmolgie van UZLeuven, zelf de operatie zou uitvoeren. En dat als ik de variant “langs binnen” zou kiezen, ik elders zou moeten wezen; een nieuw risico op nog meer tijdverlies, want weeral mogelijks maanden wachten om ergens binnen te geraken. Hoe dat ze me echter ook wist te zeggen, wonder boven wonder, dat de operatie langs buiten het meeste kans op succes bood. Dat bij operaties die “via de neus” gingen er meer kans was dat de operatie nog eens herhaald moest worden. En vooral herinner ik me hoe dat ik na het aanhoren van al deze bevindingen van een experte terzake resoluut koos voor de operatie langs buiten. Want nog eens geopereerd worden zag ik al helemaal niet zitten… Onnozelaar. Dikke, vette onnozelaar.
Op geen enkel moment de afgelopen weken of zelfs maanden heb ik nog aan dit voorval teruggedacht. Maar nu dat ik terug thuis ben en op mijn effen begin te komen, springt deze herinnering in mijn hoofd, laat in de nacht en met het volle geweld. De wetenschap dat, ondanks dat het nu weer even goed gaat op de roes van de verdoving en de cortisone, mijn prognose ronduit slecht blijft terwijl het helemaal anders had kunnen lopen. Mits competente en professionele hulp. Hoe dat ik het toen niet zag zitten om nog eens geopereerd te worden versus hoeveel operaties ik sindsdien al achter de rug heb. En wat voor een operaties. Het plotse besef dat ik toen mezelf heb laten misleiden door Professor Ilse Mombaerts en gewoon de verkeerde keuze heb gemaakt, maakt mij het slapen totaal onmogelijk. Het enigste wat ik nog kan doen is mezelf verwensen naar de hel en verdoemenis. Mombaerts niet. Die is al ver voorbij dat punt. Die zit al ergens in de hel wat mij betreft. Het is allemaal zo ondraaglijk dat ik zelfs niet kan blijven liggen, op moet staan en in het donker de trap afdaal om mezelf daar beneden aan de wasbak in de keuken recht te houden. Met gebogen hoofd sta ik in de duisternis te walgen van mezelf. Hoe heb ik mij zo kunnen laten doen? Gelijk een schaap naar de slachtbank laten leiden?
Hoe dat ik mij zo heb laten ringeloren door die trut maakt mij helemaal zot. Als ik nu zie hoe zo’n endoscopist te werk gaat. Die neemt zelfs een scan om de exacte locatie van een ontsteking of gezwel vast te leggen voordat hij zelfs nog maar begint te opereren. Zelfs niet gewoon om te checken of het wel degelijk een ontsteking is. Neen, die vraagt een scan gewoon om zijn werk te kunnen doen. Om “zoals met GPS-coördinaten,” zo noemde die van UZGent het, de locatie naaldfijn vast te leggen. Djezus. Zo’n endoscopist had waarschijnlijk alleen al op basis van die locatie-scan kunnen zien dat het niet om een traanzakje ging. Of als hij d’r in ging, via de neus, zien dat het traanzakje d’r helemaal niet ontstoken uitzag, zien dat het ‘probleem’ zich op een andere plaats situeerde en dat het dus helemaal niet over een ontsteking van een traanzakje ging maar over een kankergezwel dat zich iets meer naar boven bevond. Nog vóór dat hij begon te snijden.
Natuurlijk, achteraf is het altijd gemakkelijk spreken. Als je maar dit of dat, dan… Maar in dit geval is het toch weer van een ander niveau. Ik had een andere keuze kunnen maken, maar ik werd bewust gestuurd in een bepaalde richting. Bewust en rücksichtslos. De informatie die ik kreeg over het alternatief was bijzonder summier en dan nog eens negatief geladen. Hoe kon ik dan als leek in deze zaken een juiste keuze maken? Wat zou de deontologische code van die Orde der Geneesheren hiervan eigenlijk zeggen? Een specialist die zijn diensten opdringt door die van een andere als inferieur voor te stellen? Ok, zonder namen te noemen; de Dames en Heren Medici kunnen weer opgelucht adem halen. Maar ik ben ondertussen de dupe van de onbegrensde arrogantie van Hartenkoningin. Ze achtte het zelfs niet nodig om de volledige of zelfs niet de juiste informatie te geven aan mij als patiënt. Dat lijkt zelfs mij, als niet-ingewijde, niet conform elementaire basisregels in de medische zorg. Om het compleet te maken, werd ik dan ook nog eens onder druk gezet om snel snel een afspraak voor een operatie te maken. Want ja, druk had ze het wel, Hartenkoningin. Altijd maar drukkertje druk. Net zoals die van Alice in Wonderland. En als het een ontstoken traanzakje was geweest, had geen haan er nog naar gekraaid. Dan was dit allemaal en stoemelings gebeurd. Maar het was geen ontstoken traanzakje. Het was iets veel erger.
De lijst aan dingen dat die vrouw allemaal verkeerd gedaan heeft bij mij, is gewoon eindeloos. Heeft die eigenlijk iets goeds gedaan? Niet dat ik weet. Het trekt allemaal op niets. En dat voor een professor. Een professor van de KULeuven. Verbonden aan het UZLeuven. Diensthoofd zelfs. Dat dit de kwaliteit is die dat Gasthuisberg levert is onvoorstelbaar. De absolute top van de medische wetenschap in Vlaanderen zo wordt grofweg beweerd. Hoe is dit in godsnaam dan allemaal kunnen gebeuren? Iedereen maakt fouten. Maar zoveel fouten en dan ook nog eens zware professionele fouten is er zwaar over. Hoe is het mogelijk dat een ziekenhuis, laat staan een universitair ziekenhuis, zoiets laat gebeuren? En hoe, godverdomde onnozelaar, heb jij dit allemaal laten gebeuren?
