
Gedaan met lachen
24-25 november 2018 – Weekend aan zee
Bergen zijn leuk om op te wandelen maar in de winter niet zo. Dus zoeken wij, de Marsmannen, die verloren zielen, andere manieren om het leven via sportieve activiteiten in groep draaglijk en zo veel als mogelijk al feestend door te spartelen. En als het niet lukt in de hoogte, zoeken we de vlakte op. Bovendien heeft Koenraad, de leader of the pack, sinds kort een appartement aan zee. Of eigenlijk al sinds een jaar, maar zo lang heeft het geduurd om het in orde te brengen. Dus nodigt hij ons nu een keer uit voor een weekend aan zee om het appartement te bezichtigen en ineens in te wijden. Vlakker dan dat kan niet. Zelfs Jacques Brel heeft het gezegd.
Komen af: Koenraad zelf natuurlijk, anders geraken we niet binnen, Yvo en Willem, de twee vrienden-oncologen en Thomas, de meest empathische mens die ik ooit ontmoet heb, zo empathisch dat hij constant moet oppassen of hij bestaat zelf niet meer. Yvo zegt wel last minute af. Wat voor ons een serieuze streep door de rekening is want zonder die lopende warmtebron gaan we de koude op andere manieren moeten gaan trotseren. Het appartement ziet er fantastisch uit. Vooral de grote ramenpartij aan de voorkant is prachtig. Doordat ze als een alkoof een beetje naar buiten uitsteekt, wordt je zicht door niets gestoord of onderbroken buiten het houten kader van het grote venster zelf en heb je het gevoel naar een levend schilderij te kijken. Bovendien hebben ze heel deze glaspartij ook nog eens voorzien van een grote houten vensterbank zodat je als het ware in het schilderij zelf kunt gaan zitten, liggen, dromen, vallen.
Zelf zie ik enorm uit naar dit weekend. Niet alleen is er de structurele behoefte aan een beetje mannenliefde, maar er is ook mijn basaal verlangen naar een goei pint bier van de straffere soort en het lekkere eten dat ons deze avond volgens Koenraad te wachten staat in De Spelleplekke, de enige bistro hier gelegen op het strand en blijkbaar toch nog goed, hetgeen aan de Belgische kust een uitzondering is. Het is alsof de meeste eetgelegenheden aan de kust elkaar beconcurreren om de meest zelfgemaakte niet-zelfgemaakte garnaalkroketten en smakeloze Oostendse vispotjes te bereiden. Daarnaast wil ik ook van de gelegenheid gebruik maken om Willem en Yvo, dus Willem nu dat Yvo er niet geraakt, een keer te vertellen wat er tot nu toe allemaal gebeurd is in Gasthuisberg en terloops te vragen of hij geen goede oogarts aan de UZ Gent kent waar ik eens langs kan gaan om mij voort te helpen.
Koenraad heeft in ieder geval direct in de mot dat er iets niet klopt. Wanneer we binnen komen, zegt hij: “Wat heb jij aan je oog?” De assertiviteit van zijn vraag alleen al geeft mij het gevoel van niet goed bezig te zijn. Ik zeg hem dat dat nog altijd dat ontstoken traanzakje van Italië is. Dat die operatie die gepland was in september, dat die niet goed gelukt is en dat het ondertussen allemaal alleen maar erger geworden is. Dat de opvolging in Gasthuisberg dan ook nog eens op geen kloten trekt en dat voorlopig de enige werkbare hypothese blijkbaar dat ‘Zwart Bloed’ is. Ondertussen is Willem ook aangekomen en begin ik het ganse verhaal terug van nul. Na het afronden van het ingewikkelde vervolgverhaal spreek ik hem, zoals gepland, aan en vraag of hij misschien geen goede oogarts kent aan de UZ Gent of in het Gentse die mij zou kunnen helpen. Hij belooft mij eens te checken. Thomas is ondertussen ook binnen gevallen. Net op tijd om nog met een kus afscheid te nemen van Babs, de vrouw van Koenraad, die ook aanwezig is maar begrijpt dat samentroepende Marsmannetjes na een tijdje vrouwallergisch worden. Symptomen: stilvallende gesprekken, wegdraaiende blikken en lange zuchten.
Koenraad en Babs hebben blijkbaar in deze periode van het jaar het appartement nog niet gebruikt. Want het is de eerste keer dat de verwarming opgezet wordt. Dat blijkt geen sinecure te zijn want de installateur zelf is aanwezig en al. Aanvankelijk lijkt dit een beetje overdreven maar als zelfs hij er niet in slaagt om het spul met een simpele druk op de knop in gang te zetten, blijkt van niet. Bovendien zit de koude echt overal. In de muren, in de vloer, in de zetels zelf. Ik mis Yvo nu al. Uiteindelijk blijken de blazers die in de grote vensterbank verstopt zitten, maar half te werken. Nadat de installateur die in turbomode zet en eens een goede tik verkoopt, beginnen ze echter harder te zoemen en voelen we de warme lucht uit de vensterbank opstijgen. Opgelucht dat onze men cave voor het weekend dan toch geen koude muren zal hebben, focussen we ons op onze activiteit van de dag.
Aanvankelijk had ik voorgesteld om tijdens het weekend van 11 november naar de zee te gaan. Om zo exact op de honderdste verjaardag van het einde van de Eerste Wereldoorlog de loopgraven eens te gaan bezoeken. Bij mij was dat al geleden sinds mijn schooltijd dat ik daar geweest was. Koenraad vond dat een superidee maar stelde voor om dat al fietsend doen. Zo zouden we een leuke combinatie van geschiedenis, sport en natuur voorgeschoteld krijgen. Er worden dan ook fietsen gehuurd en onder een dreigende, grijze lucht, geschikter weer kan niet, vertrekken we richting Nieuwpoort. Van daar gaan we helemaal langs de IJzer alvast tot aan de IJzertoren fietsen. Dat is het plan.
De tocht verloopt voorspoedig. Het fietspad blijkt vroeger het spoorbed van een voorraadtrein van de Belgische soldaten aan het front geweest te zijn. Vandaar de rechte lijn en de iets hogere bedding. Van daar uit heb je een fantastisch zicht op het voormalige No Man’s Land, nu weiden vol met molshopen en koeienvlaaien. Wat ik ook totaal vergeten was, zijn de vele en brede vertakkingen van de IJzer. Daar moet na de overstroming inderdaad geen doorkomen aan geweest zijn voor die arme Duitsers. Hier en daar stoppen we om de nog zichtbare restanten van de oorlog te bezichtigen. Zo is er de observatiepost aan het vroegere station van Ramskapelle. Hier werd tijdens de Slag om de IJzer in oktober 1914 zwaar gevochten. Om dan twee maanden later samen Kerstmis te vieren. Een monument met poppen op gewapend ijzer naast de observatiepost herinnert aan het absurde Kerstbestand. En we rijden ook even om langs het Belgisch oorlogskerkhof van Keiem. Nog een sinistere plaats want de meeste graven bevatten niet-geïdentificeerde restanten. Na een uurtje of twee komen we aan de IJzertoren aan. We laten echter de oubollige Vlaamse heroïek links liggen en beslissen voort te fietsen tot aan het Duits oorlogskerkhof van Vladslo in voormalig Duits bezet gebied. Het is daar ergens dat het beroemde Treurend Ouderpaar van Käthe Kollwitz staat en dat lijkt ons wel eens de moeite om te bezichtigen. Niet alleen heeft ze het beeld gemaakt nadat haar eigen zoon, Peter, op 18-jarige leeftijd gesneuveld was, maar allen hebben we al eerder het beeld van Kollwitz in Die Neue Wache in Berlijn gezien en de verwachtingen zijn dan ook hooggespannen.
Twee weken na de herdenking van het honderdjarige einde van de zoveelste volkerenoorlog in Europa ligt het Duitse oorlogskerkhof er prachtig bij. Vooral de Scandinavisch ogende soberheid van het kerkhof – de graven zijn eenvoudige vierkante stenen in de grond tussen het kortgewiekte gras – omringd door statige eikenbomen, is in al zijn overweldigende horror een genot om te zien. Her en der tussen de graven in vinden we enkele van de 600,000 kleine herdenkingsbeeldjes van Koen Vanmechelen terug speciaal gemaakt voor de honderdjarige verjaardag – 600,000 zijnde het totale aantal slachtoffers in ons land van de oorlog, burgers en soldaten samen. Maar achteraan in het kerkhof stoten we eindelijk op het imposante Treurend Ouderpaar. We begrijpen onmiddellijk waarom de nazi’s het beeldhouwwerk als entartet bestempelden. Veel trots en fierheid op gesneuvelde martelaars van het vaderland spreekt er niet uit. Qua stijl is het expressionistisch. Of voor de Vlamingen: Kollwitz’ stijl is meer Permeke de schilder dan Permeke zelf in beeldhouwvorm. Alleen ziet de vader er helemaal niet treurig uit. Een beetje koud heeft hij het precies want om het een beetje warmer te krijgen heeft hij zijn armen niet-gekruist, over elkaar heen, voor zijn middenrif gedrapeerd. En hij kijkt eerder nors en stuurs dan triest. De moeder daarentegen ziet er zelfs in graniet gebroken uit. Zij kijkt je niet aan. Zij kijkt niets of niemand aan. Ze ziet enkel de afgrond die voor haar opdoemt nu dat haar kind gestorven is. Wat een verschil tussen man en vrouw. Wij, de Marsmannetjes, voelen ons bijna gediscrimineerd. Zo krachtig is het beeld. Alsof wij niet overmand kunnen worden door verdriet. Alhoewel, in hoeverre ben je nog man als je overmand wordt? Is dat niet een beetje hetzelfde als ontmand? Zou Mars zichzelf ooit hebben laten overmannen? Maar in een omgeving als deze is deemoed het enige gepaste antwoord op dergelijke aardse vragen.
‘S avonds gaan we lekker eten in De Spelleplekke. Het eten zou laat ons zeggen in ‘Komen Eten’ een 7 halen, maar zoals zo vaak aan de kust maakt de setting veel goed. En na het eten laat Koenraad ons weten dat er ook nog bijzonder lekkere whiskey’s zijn in de staminee. Dat laten we ons geen twee keer zeggen. Alleen Willem onthoudt zich van het drankgelag. Als medicus zijn er voor hem grenzen aan alcoholconsumptie, ook in zijn vrije tijd. Terug op het appartement begint het zalige, afsluitende mannenbabbelmoment van de dag met een laatste pint bier. Het is alsof we alles vandaag gedaan hebben om op dit punt te geraken. Het is het moment waarop we terug één zijn. Het moment waarop we vroeger samen in de haag zouden hebben staan pissen. Of uitvoerig elkaars lief besproken zouden hebben. Het moment waarop het leven even weer eeuwig lijkt. Of althans niet onder tijdsdruk staat.
Het appartement is ondertussen lekker warm. Met de benen uitgestrekt en met het glas bier in de hand zitten we uitgezakt voor de mooie glaspartij. Bij het slapen gaan vraag ik aan Koenraad of ik niet in de alcoof mag slapen zodat ik ook al slapende in de Noordzee kan vallen. Voor één keer is het goed. Ik sleur een matras helemaal naar de vensterbank en installeer me daar vlak naast het raam. Alhoewel het volle maan is, zie ik geen steek, zo zwaar bewolkt is het. En ondertussen is het ook al beginnen te regenen. Maar ik weet dat daar buiten voor mij dat gigantisch strand is en die grijze oneindige watermassa. En als ik goed luister hoor ik de golven stuk slaan op het zand. Avec le vent du nord, écoutez-le craquer.
Als we ‘s ochtends vertrekken, spreek ik op weg naar de parking voor alle zekerheid Willem nog eens aan. Zodat de hoogdringendheid, althans voor mijn linkeroog, ook voor hem duidelijk is. Bij de zo goed als lege parking aangekomen stellen we beiden wel vast dat er zich parkeertickets bevinden onder onze ruitenwissers. Ik krijg een déjà-vu want het zijn er weer twee ineens. Net zoals in Leuven twee maanden geleden. Deze keer een voor de zaterdag en dan nog een voor de zondag. Ah ja, ook die verdoken gemeentebelastingen aan de Belgische kust moeten toeslaan wanneer ze maar kunnen, zeker? En in de winter, op een maandag, moeten ze hier geen boetes uitschrijven als ze de gemeentekas willen spijzen; de dag van god gaat meer opbrengen voor die CD&V’ers hier.
Nu pas herken ik deze parking als de parking waar ik een jaar of drie geleden ook al een boete had gekregen. En dat was toen slecht afgelopen want dat gemeentebestuur stuurde al na twee weken niet-betaalde parkeerboete een gerechtsdeurwaarder op de criminelen af. Protest leverde natuurlijk niets op. En dus moest ik niet alleen de boete betalen maar ook nog eens de kosten van de deurwaarder. En dit na twee weken tijd. Ik vroeg me toen af of deze kustgemeente zijn facturen ook binnen twee weken zou betalen? Aangezien het antwoord op die vraag ongetwijfeld negatief was, had ik toen eigenlijk beloofd, zowel aan het gemeentebestuur als aan de lokale geprivatiseerde parkeerwachter, om nooit meer naar deze kustplaats te komen. Weer een belofte die ik niet heb kunnen houden. De lijst begint eindeloos te worden. Om het goed te maken, roep ik nog vlug naar Willem: “Zie dat je die boete op tijd betaalt Willem! En met op tijd bedoel ik binnen de twee weken! Zo niet sturen die smeerlappen hier direct de deurwaarder op je af!” Dat is toch één burger minder die ze gaan kunnen kloten.
26-27 november 2018 – Nood breekt wet
Ongelooflijk, maar Willem stuurt mij op maandag al een mail met een wie is wie fiche van UZ Gent met een naam en een telefoonnummer op. Ik stuur direct een mail terug om hem te bedanken en te zeggen hoezeer ik zijn snelle hulp niet waardeer. Ik bel onmiddellijk naar het nummer enkel om te ontdekken dat de oogarts in kwestie in zwangerschapsverlof is. Maar er wordt wel een alternatief voorgesteld, een zekere Christian Decock van een AZ in het Gentse. Ik vraag aan Willem of hij die mogelijks kent? Of dat soms een goede oogarts is? Hij denkt van wel. Decock zou vroeger de opleiding van die vrouwelijke oogarts nog verzorgd hebben. Dus dat moet wel een goede zijn, zegt hij.
Op dinsdag bel ik naar het kabinet van Decock. De vrouw die ik aan de lijn krijg, weet me te vertellen dat Decock blij zou zijn mij te helpen maar dat de eerstvolgende mogelijke afspraak pas na mid februari zou zijn. Ik probeer aan haar uit te leggen dat ik niet zo lang kan wachten. Dat ik eigelijk al maanden aan het wachten ben in Gasthuisberg. Dat er zelfs een operatie slecht is uitgevoerd. Dat mijn oog er niet meer uitziet. Maar niets helpt. Ze is onvermurwbaar. Dus contacteer ik opnieuw Willem. Voor de derde keer al op twee dagen. Het begint stilaan gênant te worden. Ik verontschuldig me uitvoerig. Leg hem het probleem uit. Hij belooft me eens te zien wat hij kan doen.
Een uurtje later al stuurt hij me een mail om te zeggen dat ik het nog eens moet proberen. Ik bel terug naar het kabinet van dokter Decock. Opnieuw krijg ik te horen dat de eerstvolgende afspraak pas in februari kan plaats vinden. Maar wanneer ik dan verbaasd reageer en de naam van Willem laat vallen, verandert de toon van het gesprek helemaal. Er wordt me gevraagd of ik nu donderdag, 29 november, om 17u30 kan langs komen. Dankbaar voor deze kans zeg ik onmiddellijk, zelfs zonder mijn agenda te checken, van wel, “geen probleem, ja zeker kan ik dat.”
Na het telefoontje voel ik me wel schuldig. Dat ik dankzij een vriend wel binnen geraak bij die Decock en andere mensen moeten wachten tot februari, zit me niet lekker. Maar nood breekt wet, zeker? Toch kan ik het niet laten om Willem deelachtig te maken aan mijn schuldgevoel. Het thema van een de facto tweeklassenmaatschappij wordt daarbij niet geschuwd. Zelf verwijs ik naar de numerus clausus voor geneeskunde als bron van alle kwaad. In een ver verleden heb ik er nog tegen betoogd. Zelfs nog slaag voor gekregen van de wapenstok van een rijkswachter. Maar toen was het allemaal nog abstract en meer een principekwestie. Dat kan ik nu niet meer zeggen. Simpel gezegd: als er zo’n tekort is aan oogartsen en andere artsen, waarom worden er dan niet meer gemaakt? Willem beweert echter dat dat systeem toch zijn nut heeft en dat een eenvoudige afschaffing ook geen goede zaak zou zijn. Zelf ben ik zo opgelucht van eindelijk ergens terecht te kunnen met mijn linkeroog dat ik al gauw mijn protest staak. Ik dank Willem opnieuw vanuit de grond van mijn hart voor zijn hulp en zeg hem dat als ik ooit iets voor hem kan doen dat hij het mij moet laten weten. Hij antwoordt als liefhebber van de Engelse taal: “With pleasure”.
Ik zoek nog even op het internet de exacte ligging van het ziekenhuis op. Het ligt ergens achterin die nieuwe KBC-toren langs de autostrade in Gent. De naam is wel zo’n typische katholieke ziekenhuisnaam waar ik al direct de weubes van krijg: Maria Middelares. Zelf heb ik er nog nooit van gehoord. Google maps geeft aan dat het van mijn werk tot aan dat ziekenhuis 67 kilometer is. Dat is toch verder dan ik dacht. Niet dat het mij iets kan schelen. De staat van mijn gezicht en oog is dermate onrustwekkend dat ik desnoods naar het eind van de wereld zou rijden. Dat hoeft gelukkig niet. ‘Gewoon’ van Brussel naar Gent is voldoende. En mijn ecologische voetafdruk kan ook even de boom in.
29 november 2018 17u30 – Christian Decock
Wanneer ik binnen stap, zit hij met de rug naar mij toe aan zijn PC. Hij vraagt mij te vertellen wat er gebeurd is en ik begin aan het lange vervolgverhaal. Terwijl ik voort vertel, stopt hij met typen, draait zich om en komt naar mij toe. Ik schat hem iets jonger dan mij, 45 of zo. Wanneer hij dicht genoeg genaderd is, betrekt zijn gezicht. Hij vraagt of hij een keer mag voelen. En ik weet niet waarom. Is het omdat hij zo stil, maar kordaat spreekt, of is het omdat hij zo rustig is, maar het kost me geen enkele moeite om ja te zeggen tegen hem. Als hij voelt aan de zwelling, begint hij te spreken met die rustige stem van hem. “Ik heb dit nog maar 1 keer gezien, denk ik.” Hij beseft het zelf niet, maar het feit dat hij het al één keer gezien heeft, brengt een golf van opluchting in mij teweeg. Of misschien voelt hij dit laatste wel en zegt hij om mijn verwachtingen te temperen, onmiddellijk nadien, “Bij een Turk. Hij had zich aan zijn oog laten opereren in Turkije en kreeg nadien ook zo’n enorme hoeveelheid littekenweefsel aan zijn oog.” Eerste wilde ik nog ludiek antwoorden: “Dat kan wel kloppen, het niveau van die oftalmologische dienst van Gasthuisberg is zeker niet beter dan die van een Turks ziekenhuis. Ze lijden beide aan hetzelfde probleem: een rabiaat geloof in de onfeilbaarheid van hun staats- en andere hoofden.” Die dokter Decock is duidelijk niet van Turkse afkomst, bleker en dunlippiger heb ik nog niet veel mensen gezien, dus persoonlijk zou hij het niet nemen. En hij zou vermoed ik, zo op het eerste zicht, de grap ook wel begrijpen, maar het woord ‘littekenweefsel’ doet mij anders besluiten: “Dan klopt dat misschien toch van dat ‘Zwart Bloed’?” De dunne lippen beginnen stilletjes te lachen. Hij zegt: “Zo zou ik het niet noemen. Maar ik denk inderdaad dat het littekenweefsel is. En,” voegt hij er direct een beetje bedenkelijk aan toe, “dat gaat wel niet zo simpel zijn om dat allemaal weg te werken. Dat gaat lang duren. En we gaan dat moeten doen met het lokaal zetten van spuiten. Dat gaat ook wat pijnlijk zijn.” Mijn opluchting van eindelijk een mogelijke piste te hebben, is zo groot dat ik zeg dat het voor mij allemaal ok is, zolang ik maar eindelijk van al die zever vanaf geraak. “Het heeft allemaal lang genoeg geduurd,” besluit ik.
Op dat moment komt zijn assistent binnen. Geen Diedeldie of Diedeldeine deze keer. Een al even sympathieke, rossige en goedlachse jonge man. En de manier waarop dokter Decock hem aanspreekt, is, na alles wat ik meegemaakt heb in Wonderland, zo direct, zo van mens tot mens, dat hij voorgoed mijn vertrouwen krijgt. Hij stelt me voor aan de assistent, herhaalt dan een beetje wat er voordien allemaal gezegd is, door mij en door hem, en zegt dan plots tegen de assistent: “Anders moet jij ook een keer voelen aan die zwelling.” Nog voor ik ook maar kan reageren, schakelt hij over naar mij en vraagt vriendelijk, opnieuw met die rustige, correcte stem: “Mag mijn assistent een keer voelen, mijnheer Hoskens? Zo vaak hebben we deze kans niet. Het zou voor hem een interessante ervaring zijn.” Opnieuw, alleen al het feit dat hij gewoon uitlegt waarom dat interessant zou kunnen zijn, is voor mij zo’n verademing, dat ik opnieuw zonder enig probleem ja kan antwoorden. En terwijl de assistent voelt aan mijn oog, blijft Decock hem richtlijnen geven en wisselen ze onderling gedachten uit. Wat een gemoedelijkheid heerst er hier in vergelijking met die ijskelder boven op de Gasthuisberg van Leuven.
Nadat de assistent terug de consultatieruimte verlaten heeft, vraag ik onmiddellijk aan dokter Decock wanneer we de behandeling kunnen beginnen. Dat het lang genoeg geduurd heeft, zal ondertussen wel duidelijk zijn. Tot mijn grote teleurstelling echter antwoordt hij: “Wacht nog even mijnheer Hoskens. Voor dat we die behandeling opstarten, wil ik wel eerst zeker zijn dat dit inderdaad hetzelfde probleem is als dat wat die Turk had. Daarom zou ik om te beginnen eerst een CT-scan willen laten uitvoeren. Zodat we op zijn minst al wat zicht krijgen op de juiste locatie en de grootte van die massa weefsel. En afhankelijk van de resultaten van die CT-scan gaan we misschien nog bijkomend onderzoek moeten doen. Misschien ook een biopsie zodat we vergissingen kunnen uitsluiten.” Hij beseft het weer niet, denk ik, maar na mijn dramatische passage aan Gasthuisberg, klink dit allemaal als muziek in de oren. Het voelt aan alsof we samen aan het walsen zijn in die kleine ruimte. Stap 1, 2, 3. Stap 1, 2, 3. Stap 1, is dit. Stap 2, is dat. Stap 3, is voor later. Consequent en logisch. Zo pakken we de dingen hier aan. Zonder zever. “Is dit ok voor u, mijnheer Hoskens?” “Meer dan ok, dank u.”
Decock staat recht en vraagt: “Kunt u even mee komen?” Hij neemt me mee naar een klein kantoortje, vlak voor zijn bureau, naar zijn secretaresse, een prachtige vrouw van ook zo’n 40 jaar oud, met donkere ogen en, afgaande op haar huidtint, van exotische origine. Wanneer ze begint te spreken ontdek ik echter dat het dezelfde vrouw is die ik aan de telefoon kreeg toen ik een afspraak probeerde te regelen en die zo onvermurwbaar was. Nu ik ze samen bezig zie, begrijp ik onmiddellijk de oorzaak van dit gedrag. Dit zijn twee handen op één buik. En zij is de waakhond. Je geraakt niet bij hem zonder eerst langs haar te passeren. Dat is haar missie. Of, een beetje meer flatterend, zij is de sfinx, die de toegang tot de tempel bewaart. Enkel als je haar raadsel oplost, mag je door. Decock zelf daarentegen mag alles vragen aan haar. Dat is ook direct duidelijk. Hij zegt tegen haar: “Kun je een keer checken of en wanneer volgende week mijnheer Hoskens hier een keer onder de CT-scan zou kunnen komen liggen? Enkel van zijn ogen. Zo snel mogelijk dus.” In haar blik zie ik eerst een lichte, wanhopige opflakkering van ‘wat vraagt gij nu weer van mij?’ Maar die wordt al direct vervangen door een blik van verstandhouding en zelfverloochening. In Star Wars of zo zou hier zoiets gevolgd hebben als: “Your wish is my command, master.”
Na enkele telefoontjes blijkt dat er toch nog een slot is volgende week dinsdag op de middag. Ik zou dan eerst de scan moeten laten nemen. Dan een uurtje wachten, en dan zou ik op consultatie kunnen gaan bij Decock. Pocahontas vraagt of dat allemaal gaat voor mij. Ik weet dat het dan teamvergadering is, maar na alles wat er tot nu toe gebeurd is, en afgaande op de miserabele staat van mijn oog, moet ik nu toch even eerst voor mezelf kiezen, vind ik. Bovendien heb ik nog ik weet niet hoeveel verlofuren voor ouden van dagen staan die ik nog moet opnemen voor het einde van het jaar. Zo iets speciaal gemaakt voor vijftigplussers, om het afmattende professioneel leven voor hen wat draaglijker te maken. Ik voel me helemaal niet zo moe of afgeleefd, maar deze nieuwe regeling komt mij nu wel goed uit, moet ik zeggen.
4 december 2018 12u30 – CT scan
Dit is mijn eerste scan ever. Om een of andere reden moet ik voortdurend denken aan A Space Odyssey 2001 van Kubrick. En dan vooral aan die scenes op het einde van de film waar die astronaut ook in een soort van capsule ligt en dan eerst wat lichtflitsen ziet passeren om dan wat sprongen eerst naar het verleden en dan zelfs naar de verre toekomst te maken. Zoiets verwacht ik.
De dame die me ontvangt behoort opnieuw tot het rondborstige type en heeft prachtig krullend haar. Nog nooit zoveel fysiek contact gehad met onbekende vrouwen in gans mijn leven, valt me plots in. Om het helemaal af te maken, zegt ze dat ik me volledig moet uitkleden. Op mijn slipje en sokken na. Die mag ik aanhouden. In het hokje zelf hangt er ook nog een papiertje omhoog waarop gezegd wordt dat ook alles van metaal hangende aan het lichaam verwijderd moet worden indien mogelijk. Die indien mogelijk zal misschien op die ene stifttand van titanium slagen die zich van voor in mijn gebit bevindt. Maar die ring en die smartwatch moeten dus ook weg. Er wordt wel bij gezegd dat het ziekenhuis zelf geen enkele aansprakelijkheid aanvaardt voor verdwenen voorwerpen in de loop van het onderzoek. Hetgeen ook wel logisch is want anders zou je hier naartoe kunnen komen, in het kleedhokje gaan en dan nadien gewoon klacht indienen dat die ene armband van puur goud met diamanten in, een erfstuk van die glorieuze opa, verdwenen is. En wie gaat dat vergoeden? Maar bon, bij afwezigheid van zo’n erfstukken, noch fysiek noch virtueel (in mijn familie droegen stamvaders nooit armbanden, en al zeker niet van goud of met diamanten in, stel je voor dat die van je arm zouden vallen terwijl je in het patattenveld onkruid stond te wieden), beslis ik mijn spullen in mijn zak met boek en portefeuille te steken en ze zo mee te smokkelen in het onderzoekslokaal.
De rondborstige dame doet de deur aan de andere kant open en checkt of mijn vestimentaire code in orde is. Wanneer ze terug weg kijkt, kan ik opgelucht mijn adem loslaten. Ze wijst naar een ligbank iets verder in de gang achter de deur en vraagt me om daar op te gaan liggen en een beetje tot rust te komen terwijl ik wacht. Geschrokken kijk ik vlug naar beneden om te verifiëren of er daar soms van enige ongerustheid sprake is. Als blijkt van niet, vraag ik vlug: “Tot rust komen? Wat bedoelt u daarmee?” “Gewoon even gaan liggen. Even op adem komen. Ik ga zo snel ik kan u komen voorbereiden voor de scan.” “Ah, ok,” antwoord ik beduusd.
Als ze terugkomt, heeft ze een doosje in haar handen. En uit het doosje haalt ze een plastieken verpakking met daarin een infuus. In snelheid genomen vraag ik wat ze gaat doen. “Ik ga deze infuus plaatsen zodat we straks vlak voor de scan een contrastvloeistof kunnen toedienen. Dat is om beter te kunnen zien wat waar zit. Begrijpt u?,” vraagt ze vriendelijk. De uitleg is maar zozo, maar ik herinner me plots dat ik heel lang geleden, toen ik nog maar een jaar of acht was, een röntgenfoto van mijn nieren heb moeten laten maken omdat ik regelmatig last had van nierontstekingen. Dat was op een glazen plaat dat ik moest liggen, als ik me goed herinner. Dus dat was geen scan. Maar daar heb ik ook wel een contrastvloeistof toegediend gekregen. Met een gigantische spuit. In mijn herinnering groter dan mijn arm zelf. Het zou nadien een van mijn grootste jeugdtrauma’s worden. Dus vraag ik nu even of dat nu ook met zo’n grote spuit zal zijn. De krullen beginnen te lachen: “Neen hoor, helemaal niet. Die contrastvloeistof zal u via dit infuus toegediend worden. En van de rest zal u gewoon niets zien want u zal dan al in de tunnel liggen.” “De tunnel?” “De scan. Het enige wat wel een beetje vreemd zal zijn is dat u het plots, maar wel maar even, heel warm zult krijgen. Niet van de scan. Maar van de contrastvloeistof. Die is gemaakt op basis van jodium. Hetgeen vroeger vooral ook nog gebruikt werd als ontsmettingsmiddel, herinnert u zich dat nog?” Ik antwoord van wel. “Dat is gewoon een van de neveneffecten. Niets van aantrekken voor de rest.” “Ik kan al niet wachten,” antwoord ik met een grimas.
Over de scan zelf kunnen we kort blijven. Wat behouden bleef van mijn verwachtingen was het capsulegevoel want het is echt wel een lange buis waar je volautomatisch in geschoven wordt. Het is alleen vreemd dat ze aan de andere kant weer open is, maar dan zie je daar boven je hoofd allerlei digitale lichtjes oplichten met bewegende letters en cijfertjes zodat je toch volledig in de ruimtetriptrip kunt blijven. En als je dan, na een tijdje, nadat ook die contrastvloeistof in je lijf gespoten is, er terug in verdwijnt en alles van metaal om je heen begint draaien, ben je helemaal vertrokken met je Sojoez. Wat niet bleef behouden van mijn verwachtingen waren de lichtflitsen en de bijhorende flash-backs of flash-forwards. Eigenlijk lig je maar wat te liggen. Ongerust over alles wat er rondom jou aan het gebeuren is. Met een infuus in je arm. Te wachten tot dat het gedaan is.
Wanneer het afgelopen is, is het plots een mannelijke verpleger of radioloog die mij helpt om terug los en recht te komen. Niet dat ik op dat moment veel zin heb in extra stimuli in de vorm van rondzwevende nimfen. Maar bij het verlaten van de scanruimte zie ik de leuke krullebol wel raar opkijken vanuit het aparte lokaal met de vijfdubbelige beglazing. Niet dat ik er veel uit opmaak, maar de frivoliteit lijkt volledig weg. En die vreemde lege blik in haar ogen waarmee ze mij nakijkt blijft ook hangen om een of andere reden.
4 december 2018 ’s middags – AZ Maria Middelares
Dit is de tweede keer dat ik in het AZ Maria Middelares ben. Verleden keer was het al laat en donker en was ik zo gefocused op mijn zo belangrijke consultatie bij Christian Decock dat ik niet veel opgemerkt heb van het ziekenhuis zelf. Maar deze keer is het nog volop dag. Bovendien was ik de vorige keer snel snel van het werk in Brussel naar hier gereden en was ik maar net op tijd. Nu was ik zelfs een half uur te vroeg. Zo rustig was het op de baan. En vergeleken met het vorige bezoek ben ik veel relaxter. Voor het eerst sinds lang heb ik het gevoel voortgeholpen te worden en dat geeft terug wat ademruimte en tijd voor andere dingen. Naast dit alles verhoogt vandaag het aantal contactpunten met het ziekenhuis zich aanzienlijk. Ik moet niet enkel op consultatie komen, maar ook een CT-scan laten uitvoeren en nadien een uur hier zien te overbruggen in afwachting van de eigenlijke consultatie. Tijd genoeg dus om alles een keer goed te observeren.
Twee dingen vallen me op. Het ziekenhuis is in al zijn spiksplinternieuwigheid supersimpel en dus supertoegankelijk georganiseerd. Vanuit de ene, grote, centrale patio worden de patiënten of bezoekers efficiënt uitgestuurd over het ganse gebouw. Wat een verschil met Gasthuisberg dat een reusachtig doolhof is met al zijn onderdelen en specialisaties. Natuurlijk, de schaal van beide gezondheidszorgondernemingen is volledig anders. In Gasthuisberg werken er meer dan 10,000 mensen. Hier misschien een goede 2,000? Maximum? Dus dit zal, minstens gedeeltelijk, het verschil verklaren. Het is gewoon gemakkelijker om een kleinere groep van mensen met een beperkt werkingsgebied te organiseren dan een hele grote groep van mensen die verondersteld wordt het ganse menselijke lichaam van a tot z klinisch te beheersen.
Maar er is nog een tweede ding dat mij nu pas enorm opvalt. Verleden keer had ik buiten Decock enkel nog zijn exotisch ogende secretaresse en zijn goedlachse, rossige assistent ontmoet en veronderstelde ik dat alleen binnen de bubbel van de door hem geleide praktijk zo’n gemoedelijke sfeer kon heersen. Maar nu stel ik tot mijn grote verbazing vast hoe vriendelijk de mensen hier allemaal wel niet zijn. En dit is pas echt een schokkende ontdekking na Gasthuisberg. In tegenstelling tot daar ben je in dit AZ geen nummer, dat door het gigantische, veelarmige monster eventjes opgeslokt wordt om nadien terug uitgespuwd te worden op straat, met een been minder of een extra neusgat of een gezwollen oog zoals ik. Hier word je behandeld als een mens. Bovendien lijkt dit te gelden voor de ganse organisatie; de mensen aan de receptie zijn supervriendelijk, het verplegend personeel is supervriendelijk, zelfs de specialisten hier blijken later telkens en allen weer supervriendelijk te zijn. Alleen al voor het personeel zou ik naar dit ziekenhuis komen als ik hier in de buurt zou wonen.
En dit is geen kwestie van schaal meer. Dit is puur bedrijfscultuur. En, opnieuw, voor mij, na mijn wedervaren bij Gasthuisberg, is dit een ware cultuurschok. In de volle betekenis van het woord. In het begin vraag ik me zelfs af of ik niet aan het dromen ben en van Wonderland terecht gekomen ben in Dromenland. Die hoge, open patio baadt met al zijn witte muren en glazen partijen in ieder geval ook in zo’n felwit licht. Dus dat zou wel kunnen kloppen. Maar als ik dan in mijn armen pits, merk ik dat het toch geen droom is. Het is alsof in Gasthuisberg met al zijn specialismen en onderdelen een afstand met de patiënt ontstaan is die hem alleen maar verder ontmenselijkt heeft. Je bent geen mens, je bent een oog, of een hart, of een been, of nog een ander op zichzelf staand lichaamsonderdeel. En op dit zo al moeilijk te beheersen mechanisme van specialisatie heeft er zich dan ook nog, misschien ook via de associatie met de KU Leuven, zelf ook al niet gespeend van enige grootheidswaanzin, een arrogantie geënt binnen alle geledingen van de organisatie. Want van boven tot onder op die berg is ieder individueel alleen maar verantwoordelijk voor dat ene kleine stukje dat onder hun functiebeschrijving valt. En zolang ze maar in dat ene kleine stukje de allerbeste zijn, als het enigszins kan de beste van de wereld, is het goed. Hoe dit echter past in een groter geheel dat uiteindelijk uitmondt in een mensenleven, met kinderen, vrienden, een beroep en andere sociale vertakkingen, daar wordt totaal geen rekening meer mee gehouden. Daar staat dit AZ tegenover: hier heeft men wel op een of andere manier een end-to-end benadering van de patiënt als mens weten te bewaren. En dus wordt er hier wel tegen een persoon gesproken, niet een wandelende zak van organen. De tegenstelling kan niet groter zijn. Ze, UZ Gasthuisberg te Leuven en AZ Maria Middelares te Gent bevinden zich beide op de tegenpolen van dit spectrum: groot, anoniem en onpersoonlijk versus klein, met naam en toenaam (er wordt net niet naar mijn koosnaam gevraagd) en menselijk.
Met verwonderde ogen sta ik, na de lunch in het open restaurant achteraan, in de grote hal rondom mij te kijken om dan plots een witte pancarte op te merken achter de receptie met daarop in blauwe letters: ‘AZ Maria Middelares Gent: GezondheidsZorg met een Ziel’. Dat is de nagel op de kop, vind ik. Dit ziekenhuis staat voor iets en heeft een ziel. Het is geen gedrocht dat met haken en ogen aan mekaar hangt met daar een rode lijn voor cardiologie en daar een gele voor radiologie en daar een groene voor neonatologie. Het is één organisatie met één cultuur die door al de onderdelen ervan gedeeld wordt. Zelfs die oerkatholieke naam, Maria Middelares, belichaamt voor een atheïst als mij volledig dat wat het is. Deze organisatie brengt effectief genade en verlossing naar die lijdende mensen hier in alle bescheidenheid, ontdaan van alle maskers, sociale tierelantijntjes en extreme afhankelijkheidsrelaties. We zijn allen één. Nu is het misschien de beurt aan jou, maar de volgende keer is het misschien de beurt aan mij. Zo wordt er hier omgegaan met elkaar. Eerlijk gezegd, ik was vergeten dat zo’n plekken bestonden.
4 december 2018 14u00 – Mijn tweede consultatie bij Christian Decock
Wanneer ik in zijn bureau binnen kom, zit hij opnieuw met zijn rug naar mij toegekeerd naar zijn computerscherm te kijken. Misschien is dit zijn favoriete manier om mensen te ontvangen? Zodat de spits afgebeten wordt door een rug in een paar hemdsmouwen? Maar zodra ik ga zitten in de consultatiezetel schiet hij toch in gang. Hij zegt: “Dag Mijnheer Hoskens, ik vrees dat die weefselvorming bij u er toch iets anders uitziet dan bij die andere man het geval was. Komt u even kijken.” En hij nodigt mij uit om ook naar zijn computerscherm te komen kijken. “Kijk, ziet u? Bij die andere man, die Turk, weet u nog?, daar zat ook veel littekenweefsel, maar dat bevondt zich enkel aan de oppervlakte waar het litteken zich ook bevond. Bij u gaat het weefsel ook in de diepte. En het is al een serieuse bobbel, zoals u kunt zien, bijna net zo groot als uw oog. Ziet u?” Ja, ik zie alles op de CT-scan: in spiegelbeeld, een grote, witte bobbel een beetje rechtsonder van mijn linker oog dat dus op zijn beurt ook rechts staat. En zijn uitleg klinkt wederom superlogisch en zo rustig dat het allemaal bijna vanzelfsprekend lijkt. Maar in mijn onderbuik voel ik toch wel weer enige onrust opkomen want wat betekent dit nu weer voor mij en mijn behandeling? Dus vraag ik het hem.
“Wel,” antwoordt hij, “ik had jou verleden keer gezegd dat we, afhankelijk van de resultaten van de CT-scan, misschien wat bijkomend onderzoek gingen moeten doen, niet?” Dat kan ik alleen maar beamen. “Wel, mijnheer Hoskens, ik vrees dat dit nu het geval is. Als het ok is voor u, zou ik eigenlijk twee dingen willen doen nu: een kijkoperatie doen, om zelf eens te kunnen zien hoe dat er binnen uitziet en tegelijkertijd een biopsie te laten uitvoeren om het weefsel zelf een keer grondig te onderzoeken. Is dat ok voor u?” Ik voel dat we al terug aan het dansen zijn. Maar het voelt wel nog niet aan als een wals. Of we blokkeren voorlopig nog na stap 1. Ik overweeg vlug even mijn opties en stel vast dat ik er eigenlijk geen meer heb. Terug gaan naar die Professor Mombaerts of zelfs dat gedrocht Gasthuisberg is totaal onaanvaardbaar. En hier heb ik tenminste het gevoel dat ze weten wat ze aan het doen zijn. Dus antwoord ik: “Als u denkt dat dat nodig is, dan moet dat maar, dokter Decock. Zegt u maar wat u van mij verwacht.” “Wel, mijnheer Hoskens, de eerste vraag is hoe dat we deze kijkoperatie gaan doen. In principe kunnen we dat enkel met lokale verdoving doen, maar ik weet niet of u dat ziet zitten?” Ik antwoord dat ik niet zo’n held ben als het gaat over snijden in mijn lichaam, dat ik misschien toch liever algemene verdoving zou hebben, indien mogelijk. “Dat is geen probleem, mijnheer Hoskens, dan doen we het onder algemene verdoving. Volgende vraag wordt wanneer?” Het lijkt alsof hij alles al voorzien want in een adem gaat hij door: “Zou eventueel nu vrijdagavond voor u gaan? U moet dan hier zijn tegen een uur of 3 om u in te schrijven en zo. De operatie zelf zou dan om 5 uur kunnen plaats vinden.” Ik vind het voorstel wel grappig want net die vrijdag in de ochtend heb ik mijn al geplande opvolgingsafspraak met Hartenkoningin. Dat betekent niet alleen twee ziekenhuisbezoeken voor mijn eigen persoon op 1 dag, een unicum in een mensenleven lijkt mij, maar vooral ook dat ik die arrogante ijskoningin eens goed op haar plaats ga kunnen zetten na maanden van wachten op enige constructieve bijdrage van haar aan mijn leven. “Ah, stelt u nu voor om iets te doen? Laat maar, ik heb al iemand anders gevonden om het doen. EN die weet tenminste ook wat hij doet. Dat is lekker meegenomen, vindt u niet?” Zoiets zie ik me al zeggen tegen haar.
Maar de idee van weer onder het mes te moeten, stoot me wel af. Al gaat het maar om een kleine kijkoperatie. Dus vraag ik aan Dokter Decock of hijzelf de operatie gaat uitvoeren. “Ja, natuurlijk,” antwoordt hij. En hoe lang ze gaat duren. “Een uurtje maximum.” En of ik moet blijven slapen in het ziekenhuis dan. “Best wel, denk ik. Als de operatie vroeger op de dag kon plaats vinden, was dat misschien niet nodig geweest. Maar nu, als we de operatie om 5 uur ‘s avonds doen, gaat u denk ik toch iets te groggy zijn om diezelfde avond nog terug naar huis te gaan. En u gaat pas ergens of ten vroegste rond een uur of zeven terug uit de verdoving komen, denk ik. Begrijpt u?” Dat begrijp ik. Dus beslis er op advies van de dokter een kijkoperatie met overnachting van te maken. Dan komt die blauwe pyjama, die we samen met heel de familie waren gaan kopen in den Inno in september, enkele dagen voor de operatie van Professor Mombaerts, toch nog van pas. Toen had ik uiteindelijk de ganse dag en nacht doorgebracht in het bebloede operatiekleedje met de onmogelijke knopjes. En had ik zelfs de kans niet gekregen hem aan te trekken. Hier gaat dat misschien wel lukken.
7-8 december 2018 – Sprekende neutrino’s op weg naar een kijkoperatie
Ongelooflijk. Het verschil met Gasthuisberg blijft me verbijsteren. De vrouw van het verplichte elektrocardiogram, de man van de echografie van mijn hart, het administratief en verplegend personeel richting kijkoperatie, allen, zijn de vriendelijkheid zelve. En, toch even zeggen, niet in die fake american flashy teeth style kind of way. Het zijn telkens gewoon mensen, die goed of te weinig geslapen hebben, kinderen of hobby’s hebben of beiden, zoals wij allen. Wat een verschil met die wandelende en pratende machines van Gasthuisberg. En als zelfs de verpleegster hier zich persoonlijk komt voorstellen voor de operatie valt mijn mond helemaal open. In Gasthuisberg stelt niemand zich voor. Vragen ze je gewoon om op de tafel te gaan liggen. Enkel als je zelf moeilijk begint te doen en wat vragen begint te stellen, gaan zij ook een keer moeite doen. En de situatie van het verplegend personeel in Gasthuisberg is nog erger. Die mogen hun mond zelfs niet open trekken in aanwezigheid van al die geleerde mensen. Dat zijn idealiter neutrino’s, die alomtegenwoordig zijn en als een zwarte, anonieme massa tussen al die overbelichte atomen doorheen glijden, liefst zonder dat iemand er last van heeft.
Decock zelf zie ik voor én na de operatie. Die hooghartige en zelfvoldane professor Mombaerts heb ik bij de operatie in Sint-Pieter geen enkele keer te zien gekregen. Ik blijf me zelfs afvragen of zijzelf die verkeerde operatie wel degelijk uitgevoerd heeft. Misschien had ze het uitbesteed aan een van hare vele assistentes en heeft ze gewoon niet het lef om het toe te geven. Of vindt ze dat het niet mijn zaken zijn. Ik zou het alvast niet kunnen zeggen want ik heb haar gewoon niet gezien. Dit alles betekent dat de eindscore Decock-Mombaerts enkel en alleen al op het vlak van communicatie tijdens een operatie 2-0 wordt. Voor de operatie kwam Decock langs om te kijken of alles goed ging. Toegegeven, eigenlijk dus om mij gerust te stellen. Maar waarvoor dank. Na de operatie kwam hij terug langs. Ditmaal om te zeggen dat de operatie goed verlopen was. Ik herinner me vaag dat ik nog vanuit mijn slaap vroeg of “het er goed uitzag daar binnen?” En dat hij antwoordde “Ja, ik denk het wel. Het ziet er in ieder geval uit als een witte, consistente massa.” Maar hij kwam dus opnieuw langs. Waarvoor opnieuw dank.
Ok, die wachtkamer voor de operatie (in Gasthuisberg was dat tegen de muur van een gang), die alles weg heeft van een sjieke kapsalon, inclusief lederen zetels waarvan de beensteunen omhoogklappen als je achterover leunt, is er misschien een beetje over. Zelfs de boekskes liggen klaar op de rand van de kleine bijzettafeltjes. Het doet bij mij in ieder geval de vraag rijzen, en sorry als het een beetje kleinerend klinkt, of er hier soms veel plastische chirurgie of van die vermageringsoperaties enzo plaats vinden.
Deze keer is het van de specialisten de anesthesist die de meeste indruk op mij weet te maken. Hier is het geen waterpijprokende groene rups, maar een viriele veertiger met een donkere baritonstem. Zo’n stem waarvan je als je lang genoeg ernaar luistert in slaap kunt vallen. Niet omdat het allemaal maar wat saai is wat hij weet te vertellen, maar gewoon door het timbre en het ritme waarmee hij spreekt. Deze anesthesist heeft eigenlijk geen verdovingsmiddelen nodig. Die stem alleen al is voldoende voor mij. Bovendien straalt hij ook nog eens enorm veel warmte uit. Hij lijkt oprecht begaan met mij en gaat, denk ik, zeker mee kijken met dokter Decock. Niets gaat aan zijn aandacht ontsnappen. Bijna hadden we onze poëzieboeken uitgewisseld. Het was alleen niet zo praktisch om te doen op die steriele operatietafel.
Als ik op zaterdag terug wakker word in de ochtend, blijkt dat ik een prachtig zicht heb vanuit mijn kamer op een parkje met dennenbomen naast het ziekenhuis. Terwijl de daken van het ziekenhuis zelf dan weer grasvelden lijken te zijn, op hun beurt volledig geïntegreerd in de natuur. Alleen de verpleger waarvan ik ‘s ochtends bij mijn vertrek afscheid neem, heeft diezelfde vreemde blik in zijn ogen als de krullenbol van radiologie. Bij hem is blijkbaar het zicht van mijn gezwollen oog alleen al voldoende om die op te roepen.
17 december 2018 18u15 – Het zwaard valt
Opnieuw is er die rug. Maar deze keer ziet hij er wel een beetje anders uit. Een beetje krom en scheef. Hij hangt wat door naar links. En als ik ga zitten in de consultatiezetel blijft hij deze keer naar het computerscherm kijken. Dan draait hij zich weg van het scherm in mijn richting, maar enkel met zijn hoofd en nek, die rug en schouders blijven staan in die hoekige, scheve houding en zegt: “Mijnheer Hoskens, ik vrees dat ik slecht nieuws heb. De biopsie heeft aangetoond dat dat gezwel aan uw oog kwaadaardig is.”
Ik spring recht uit de zetel, richting deur, overweeg nog even terug naar buiten te lopen want er is duidelijk iets misgelopen. De deur is echter plots verdwenen. Of ze staat er nog wel, maar ik voel zo aan dat je die niet meer open krijgt. Ik draai me terug om, naar die rug, deins terug tot tegen de muur en grijp mijn haar vast. Ik vraag: “Kwaadaardig? Zoals in ‘kanker’? Heb ik kanker?” “Ik vrees van wel,” antwoordt hij, “of u hebt toch een kwaadaardige tumor daar, ja.” Het dringt nog altijd niet door. Kanker? Ik? Mijn ouders hebben nooit kanker gehad. In mijn familie zijn er enkele kankergevallen geweest. Maar telkens op oudere leeftijd. Ouderdomskanker, zo noemden wij vroeger de ziekte van mijn grootvader. 87 is hij geworden. Maar kanker op vijftigjarige leeftijd? Nooit. Of toch niet dat ik weet. Dan kan dit toch niet? Ik sta daar nog steeds tegen de muur met mijn handen in mijn haar. Dokter Decock heeft zich ondertussen wel helemaal omgedraaid en bekijkt me met grotere ogen dan ik gewoon ben van hem. Hij lijkt ook een beetje zenuwachtig want hij zit te draaien met een pen of iets anders in zijn handen.
Blijkbaar heb ik mijn laatste conclusie luidop uitgesproken want Dokter Decock reageert: “Toch is het zo, mijnheer Hoskens. Eerlijk gezegd had ik dit ook niet verwacht. Dat komt niet zo vaak voor op die plaats in een menselijk lichaam. Maar de CT-scan maakte me wel een beetje ongerust. Zo’n rare vorm had ik ook nog nooit gezien. Misschien dat u dat toen wel gemerkt hebt?” De stem van dokter Decock klinkt steeds verder en verder weg. Het is alsof ik met een lift aan het afdalen ben in een tunnel en dat hij boven is blijven staan. Ik kijk om mij heen en zie toch opnieuw de langgerekte bureau tegen de muur, het vertrouwde computerscherm, de consultatiezetel links onder het raam waar het zo aangenaam dansen was. Dat ziet er allemaal nog altijd hetzelfde uit. Wat is er hier dan net gebeurd? Dokter Decock is blijven voort babbelen. Hij zegt nog vanalles maar ik zit blijkbaar al redelijk ver in die tunnel. Ik beslis om terug in de zetel te gaan zitten. Door mezelf vast te haken aan een van die objecten hier kan ik misschien gemakkelijker terugkeren. Dan hoor ik mezelf vragen met nog steeds de handen in mijn haar: “Ga ik dan dood gaan? Ga ik sterven aan die tumor? Is dat hetgeen u bedoelt met ‘kwaadaardig’?” De vraag overvalt hem blijkbaar. Hij kijkt even in het rond en zegt dan: “Neen, u gaat nu niet sterven.”
Die nu stoort mij mateloos. Dus herhaal ik: “Ga ik sterven aan die tumor? Door die trut?! Wat heeft die allemaal niet gedaan???” Even val ik stil want het besef van wat er allemaal gebeurd is, slaat verder toe. Terwijl ik me vastklamp aan de zetel zie ik alles terug langs flitsen: die maanden van wachten, de operatie in Leuven, hoe nadien het ding in mijn oog ontplofte, hoe ik moest aandringen om hulp te krijgen… en dan nog niets kreeg buiten wat antibiotica en cortisone. “En ik was daar keivroeg bij!,” roep ik plots terug uit met mijn handen opnieuw ergens boven mijn oren. “Dankzij mijn zwembrilletje! Dankzij het zwemmen! Dat was een keiklein bobbeltje toen ik voor het eerst naar die onnozel oogartsen ging! En ziet dat nu! Hoe groot dat gezwel niet is! Is dat kanker???” Dokter Decock kan het even niet meer aan of anders voelt hij zich aangesproken door die ‘onnozel oogartsen’ want hij zegt: “Sorry, mijnheer Hoskens, ik ben dit ook niet gewoon. Om zo’n slecht nieuws te brengen bedoel ik. Maar u gaat nu niet sterven. We moeten nu zien wat de volgende stappen zijn in uw behandeling. Ok?” Ik voel me een beetje aangesproken als een schoolkind dat iets fouts gezegd heeft in de klas en terecht gewezen wordt. Maar ik ben geen schoolkind. En ik heb niets fouts gezegd of gedaan. Dokter Decock voelt, denk ik, de plotse vijandigheid en beslist een time out in te lassen. Hij zegt: “Wilt u anders even bekomen? Even op uzelf zijn? Anders kunt u even naar een bureau iets verder in de gang? Ik weet dat die nu vrij is. U kunt daar misschien ook een telefoontje plegen?”
17 december 2018 18u30 – Een echt wit konijn uit een hele hoge hoed
Ik zou naar Tin willen bellen, maar dat gaat niet want zij is op dit moment avondles aan het geven. Dus bel ik vlug naar Victor, mijn vriend die het beste weet om te gaan met menselijke zwakheden, met incasseren en in ruil niets terug eisen, buiten misschien mijn onvoorwaardelijke liefde, maar die heeft hij al. Bovendien heeft hij ook heel weinig last van buitensporige verwachtingen naar anderen toe. Bij hem loop ik dus het minste risico op ongewenste gevolgen, zoals wederzijdse teleurstellingen, teleurstelling bij mij in hem omdat hij ook niet weet hoe om te gaan met zo’ne hoop shit en teleurstelling bij hem in mezelf omdat ik niet sterk genoeg ben om het allemaal op mijn eentje te dragen.
Hij probeert mij zo goed als mogelijk op te vangen. Luistert vooral. Daar is hij altijd al bijzonder goed in geweest, Victor. Misschien komt dat wel door zijn spierziekte? Is hij al gans zijn leven, of toch sinds zijn zesde, toen die ziekte begon, verplicht om te luisteren naar al die zever van al die anderen? Weglopen kan hij gewoon niet. Achteraf ontdek ik op de maandelijkse factuur van Telenet dat we in totaal 12 minuten en 36 seconden gebeld hebben. Waarover, of wat we allemaal gezegd hebben, weet ik niet meer zo goed. Ik herinner me vooral een gevoel van totale wanhoop, van zwaar gefucked te zijn, en de naam Mombaerts die herhaaldelijk viel samen met wat krachttermen. Ook Gasthuisberg kwam uitvoerig aan bod. Hoe dat die mensen met mijn leven gespeeld hebben, van in het begin tot op het einde, is gewoon hallucinant, vindt ook Victor. Na afloop van het gesprek probeer ik mijn gedachten verder te ordenen. Alles op een rijtje te zetten. De conclusie is eigenlijk heel simpel: dat ding aan mijn oog moet er onmiddellijk uit. Of toch zo snel mogelijk. Liefst vandaag nog. Ten laatste morgen. Dankzij die onnozele trut, Hartenkoningin, zit het er al veel te lang. Dat moet er zo snel mogelijk uit.
Als ik bij Dokter Decock terug aankom, en mijn eis op tafel smijt, reageert hij direct heel terughoudend. Onmiddellijk opereren gaat niet zegt hij. Er moet eerst nog vanalles onderzocht worden. “Nog bijkomend onderzoek?,” reageer ik geïrriteerd. Ik heb gewoon geen zin meer in verder uitstel. “Wat moet er dan allemaal nog onderzocht worden?,” vraag ik uitdagend. “Wel, ik ben zelf geen oncoloog,” valt hij terug in zijn rol van danspartner, “maar ik heb wel overleg gepleegd met een oncoloog van het ziekenhuis hier. En het eerste wat onderzocht moet worden is of dat gezwel primair of secundair is. Afhankelijk daarvan kan er een behandeling opgestart worden. Primair wilt zeggen dat het gezwel zich enkel daar bevindt en nergens anders. Secundair wilt zeggen dat er zich elders ook nog andere brandhaarden bevinden.” “Ik vermoed dat primair het beste zou zijn,” opper ik stilletjes. “In principe wel,” zegt hij, “alhoewel dat niet noodzakelijk zo is. Dat hangt van de individuele casus af. Maar vooral ook is er het type tumor dat u hebt. Dat doet zich meestal voor bij mensen die longkanker hebben en daarom is de mogelijkheid dat het bij u secundair is reëel. Dus dat moet zeker eerst afgechecked worden. Zodat de juiste behandeling opgestart kan worden.” “En wat voor onderzoeken gaan dat dan zijn?,” reageer ik, zeer verveeld omdat zijn discours weer zo logisch in mekaar zit. “Bijkomende scans, voor zover ik het begrepen heb. Maar ik stel voor dat u dit allemaal bespreekt met de oncoloog, mijnheer Hoskens. Hij is de specialist op dit domein.” “En welke oncoloog is dat dan?” “Een oncoloog van dit ziekenhuis. Een heel competent man, als u het mij vraagt. Als u wil, ik heb al een afspraak met hem geregeld. Ik heb een beetje moeten aandringen want zijn agenda zit ook stampvol. Nu woensdag, overmorgen, om 12u30 op de middag, gaat dat voor u?” “Ja natuurlijk, gaat dat. Vanaf nu gaat alles kunnen voor mij, denk ik,” antwoord ik moedeloos.
Maar verder uitstel zie ik echt niet meer zitten, na al de tijd die ik al verloren heb in Gasthuisberg en breng dat dan ook terug sprake. En hier komt nu de aap uit de mouw. Of toch een wit konijn, zo’n klassiek konijn dat uit een hoge hoed komt, niet die eerste assistente van Hartenkoningin met de blonde snorharen. Want op dit punt aangekomen voelt Dokter Decock zich verplicht zijn confrater in bescherming te nemen. Hij zegt, “Mijnheer Hoskens, wat betreft Professor Mombaerts, zo’n verkeerde diagnose had ik misschien ook nog wel gemaakt. Het is bijzonder zeldzaam, een gezwel op die plaats, begrijpt u? En dan met die locatie… Ik had misschien ook wel gedacht dat het een ontstoken traanzakje was.” Decock voelt mijn protest al komen en steekt zijn hand op om het af te weren. “Maar waar u wel gelijk in hebt, vind ik, is dat de opvolging echt wel niet correct is geweest. Als je zegt “dat heb ik nog nooit gezien”, op dat moment moet je als arts beginnen onderzoeken wat er juist aan de hand is.”
Ik kan mijn oren even niet geloven. Vraag me af of dit een directief zou zijn van de Orde der Geneesheren: ‘Dek mekaar altijd in. Zelfs als het overduidelijk is dat uw confrater zware fouten heeft gemaakt.’ Nu, hij mag misschien zo’n directief ontvangen hebben, ik niet. Bovendien ben ik hier onmiskenbaar het slachtoffer. Van de incompetentie van een oftalmoloog, van de onmetelijke arrogantie van een katholieke universitaire kliniek of van het falen van een systeem of alles samen. Daarom antwoord ik ook: “Ik geloof u niet, Dokter Decock, als ik zie hoe systematisch u de dingen aanpakt. U hebt in twee weken tijd duizend keer meer gedaan dan Professor Mombaerts op zes of acht maanden tijd. U beseft toch dat het enige dat zij gedaan heeft op al die tijd gewoon wat duwen met haar wijsvinger op die bobbel is geweest? En dat ze voor de rest niets gedaan heeft? Buiten een verkeerde operatie uitvoeren? En wat antibiotica voorschrijven? Misschien zelfs in dat gezwel heeft zitten snijden? Het ding in mijn ooghoek is in ieder geval helemaal ontploft door die operatie.” Hier doet dokter Decock er het zwijgen toe. Ik vraag nog achter de naam van de oncoloog en verlaat letterlijk als een kip zonder kop de consultatieruimte, bots tegen enkele muren op weg naar buiten en een andere bezoeker in de grote draaideur beneden. Bij mijn auto aangekomen, ga ik bijna door mijn knieën. Ik kan ze nog net op tijd blokkeren door mijn spieren op te spannen. Als ik de deur eindelijk open krijg, laat ik me zijdelings vallen in mijn zetel en trek mijn benen met mijn handen naar binnen. Zoals Victor vroeger altijd deed, toen hij zelf nog kon wandelen. Een vijftal minuten zit ik enkel wat te ademen in mijn auto. Wat voor me te staren naar dat kunststoffen dashboard met die oranje lichtjes. Dan zet ik de radio aan op zoek naar die wereld die toch bestond tot zo’n uur geleden. Het is net nieuws. En ze zijn weeral over die onnozele Brexit bezig.
